Het organisatorische

2003-10-10
  • Jaargang 47
  • nummer 20
Nogal wat reacties op het verhaal over het afknappen van 'Marcus Dijkstra' mikken op organisatorische veranderingen of verbeteringen met betrekking tot het functioneren van de kerkenraad. Je kunt je af-vragen of daarmee de diepste nood van mensen als ‘Marcus Dijkstra’ gepeild is. Maar stellig valt er op dit gebied wel de nodige winst te boeken.

Anders
Een paar geluiden: Iemand schrijft: We moeten ‘zo snel mogelijk overgaan op een wijze van besturen en leiding geven die past bij een mens van 2003 en door hem begrepen wordt, waardoor frustraties (met alle gevolgen zoals ruzies en kerkverlating) voorkomen kunnen worden en we van een biljartvereniging weer een spraakmakende kerk kunnen worden. Wij hebben onszelf onherkenbaar gemaakt door vast te willen blijven houden aan systemen die vroeger goed gewerkt hebben maar die dat niet meer doen in het Europa anno 2003. (...) Stap af van de controle op de verkiezing van nieuwe kerkenraadsleden, geef dat in handen van (een werkgroep gekozen door en uit) de gemeente en stap ook af van de bestaande vragen die aan nieuwe kerkenraadsleden gesteld worden, omdat ze zich daarmee met handen en voeten binden aan dat kerkenraadscultuurtje.’ Een ander: ‘Gemeente en vooral ook de kerkenraadsleden moeten hun opdracht beter verstaan: de gemeente probeert de kerkenraad te steunen met raad en daad waar dat nodig is, maar de kerkenraad leidt de gemeente in o.a. het stimuleren in het omzien naar elkaar, het uitvoeren van taken waarvoor je echt geen ambtsdrager hoeft te zijn en delegeert waar het enigszins mogelijk is bepaalde taken aan gemeenteleden. Ik denk dat een inventarisatie van de gaven in onze gemeenten een instrument kan en moet zijn voor het goed functioneren van ieder persoonlijk.’ Maar, meldt nu een ander, die evenzeer teleurgesteld is in het functioneren van de kerk: ‘Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ook modieuze trends als evangelisatie en gemeente-opbouw ten diepste gedreven worden door een vorm van wetticisme. In plaats van een rustplaats is de kerk tot werkplaats geworden. Daar kunnen mensen op afknappen.’

Evaluatie
Die laatste opmerking, hoe hinderlijk ook, is de moeite van het overdenken wel waard. Voor je het immers goed en wel in de gaten hebt, zit je al weer in het oude spoor van de plicht, van het moeten, van: Gij zult dankbaar zijn! En zeker: dankbaarheid is een zeer wezenlijk motief in het leven van een christen (en dus ook van een ambtsdrager), maar zij kan naar haar aard alleen van binnenuit beaamd worden, en niet van buitenaf opgelegd.
En dat roept dus telkens weer de vraag op: welke basis ligt er onder?
Inderdaad: hier dreigt het wetticisme ons weer parten te gaan spelen.

Stoer
Als het gaat om het organisatorische is het in onze tijd onontkoombaar om veel meer dan vroeger gavengericht te werken. In de praktijk betekent dat dat in steeds meer gemeenten de organisatorische taken worden afgesplitst van ‘het eigenlijke kerkenraadswerk’.
Dat hangt rechtstreeks samen met de nadruk die gelegd wordt op de gaven die iemand heeft. Ieder heeft nu eenmaal z’n eigen gaven, de één meer hier, de ander meer daar. De combinatie van gaven op het gebied van pastoraat en op dat van organisatie is gewoon vrij zeldzaam. Je zult bijna altijd zien dat de voorkeur van mensen op één van beide terreinen ligt. Niks mis mee toch?
Maar er is een probleem: en dat islaat ik het noemen - de ‘stoerheidscultuur’ die wij er in de kerk vaak op na houden. Ik bedoel daarmee die sfeer alsof je als ouderling alles (aan) moet kunnen, nooit ergens tegenop mag zien, en nooit moe mag zijn. Zodra je iets in die richting aangeeft, krijg je onmiddellijk te horen: ‘Kom op zeg, niet zeuren, ik heb ook wel es geen zin!’ Raar is dat eigenlijk. Wat is er nu tegen om gewoon eerlijk, in alle kwetsbaarheid, te zeggen dat jouw gaven niet zozeer liggen op het niveau van het pastorale bezoek aan gemeenteleden, of op dat van het organisatorische?
Weg met de stoerdoenerij in de kerk!
Weg met die onechtheid, die de kerk maakt tot een podium voor zorgvuldig uitgevoerde toneelstukjes. Kijk en luister naar de Here Jezus. Als Hij zegt: ‘Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt’, dan is dat geen vergissing van Hem, maar dan bedoelt Hij echt mensen die moe en zwaar belast zijn. En dan mag je dus, ook als ouderling, je vinger opsteken, en het zonder schaamtegevoel zeggen: ‘Ja Here, daar herken ik mezelf in. Wat fijn dat ik dat dus blijkbaar gewoon mag zeggen!’

Echt anders
Vaak zijn de dingen die wij op organisatorisch vlak verzinnen lapmiddelen; even vaak zijn we halfhartig in de invoering ervan. We willen graag de kool en de geit sparen. Het kan ook echt anders. Iemand schrijft: ‘Ik heb een evangelische vriendin. Haar man is oudste in haar gemeente. Als ze kerkenraadsvergadering hebben, beginnen ze om - SCHRIK NIET! 18.00 uur. Alle leden eten eerst samen.
Vragen naar elkaars wel en wee, elkaars gezinnen, werk, pijntjes, succeservaringen.
De nieuwe boot, het vervallen schuurtje en noem maar op. Als de maaltijd is afgelopen bidden ze voor elkaar. En zo, gezegend, de privéomstandigheden besproken, beginnen ze de vergadering. Teamgeest, onderlinge betrokkenheid, 2x per jaar samen uit een balletje trappen, een museum, wat maakt het uit.
In zo'n team kun je je zorgen over zuster X. kwijt. Of het verdriet over die jongen die zich zo aangetrokken voelt door drugs. Je kunt elkaar bemoedigen als er nare dingen gebeuren (er is een roddelcampagne in die gemeente aan de gang.) Maar met God en elkaar kun je je gesterkt weten.
Je kunt om gebed vragen als je een paar slapeloze nachten hebt. Je steunt elkaar waar je kunt. Je stimuleert elkaar om los te laten, je zorgen bij God te brengen... Als je uit de kerkenraad gaat, raak je een stel verantwoordelijkheden kwijt, maar je vrienden blijven je vrienden!’

Na het aftreden
Marcus Dijkstra was afgetreden als ouderling. Ook over die specifieke situatie hebben een aantal mensen geschreven. Ik zet een paar reacties op een rij.
Iemand schrijft: ‘In mijn optiek moet een aftredend ambtsdrager de mogelijkheid geboden worden een aantal taken te blijven uitvoeren, en langzaam af te bouwen of te vervangen.
Maak gebruik van de gaven die hij heeft en hem op het lijf geschreven zijn, die zijn hart hebben zodat hij zich niet ‘afgeschreven’ maar nuttig voelt. Pastoraat bij ex-kerkenraadsleden dient naar mijn mening een prioriteit te hebben – niet zelden heb ik bij deze mensen een soort van rouwproces geconstateerd, naast de uitgesproken opluchting over hun vrijheid – ook bij onze broeder Marcus dringt zich dit gevoel op.’ Een ander vraagt: ‘Is er begeleiding/ coaching vanuit de kerkenraad naar de mensen zodat ze na deze periode van grote inzet en betrokkenheid weer een taak krijgen die bij hen past? Meestal niet.’ En tenslotte: ‘Hoe verliet Marcus de kerkenraad? Wie keek er naar hem om? Is hij hartelijk bedankt voor al zijn inspanningen? Voor de tijd en energie die hij ervoor geleverd heeft?
Wordt zijn naam nog wel eens genoemd?
‘Dat het kerkblad zo goed loopt, hebben we nog steeds aan broeder Dijkstra te danken!’ Ik noem maar wat.
Heeft ook iemand zijn vrouw ‘gezien’?
‘Wat fantástisch, dat jij altijd zo achter hem stond!’ of ‘Fijn dat jullie nu weer samen op adem mogen komen.’ Met een dinébonnetje betáál je het niet, maar je laat wel je dankbaarheid voor betrokkenheid en inzet zien.’ Sommige dingen zijn eigenlijk heel gemakkelijk... Maar er is wel een voorwaarde. Daarover een volgende keer (over vier weken bij leven en welzijn).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief