Straffen kent zijn grenzen

2009-09-25
  • Jaargang 53
  • nummer 19
Eind jaren zestig kreeg ik op colleges te horen dat elke straf uit den boze is. Straffen zou neurotiserend werken. Nooit meer straf en iedereen zou gelukkig worden. In de decennia die volgden plukte de samenleving de wrange vruchten van deze pedagogische heilsprofeten. Kinderen die altijd hun zin krijgen, worden egocentrische en narcistische volwassenen. Je hebt tegenwind nodig om als persoon steviger te kunnen groeien.

Tegenwoordig slaat de balans in de politiek, bij justitie en in de publieke opinie weer door in de richting van het (mogen) straffen. Maar wel met een dubbele boodschap. Zodra er vanuit een religieuze optiek wordt gepleit om straffen op de pedagogische agenda te plaatsen, zijn de rapen gaar.

Christelijke boeken
Er zijn tientallen christelijke boeken over straffen en belonen. Soms leunen die sterk op de zogenaamde gedragstherapie. Niet zelden zit daar een ideologisch prijskaartje in verstopt. Als je maar effectief beloont en straft, dan komt het allemaal wel goed. Als christenen weten we hopelijk wel beter. ‘De enige kerkelijke leerstelling die empirisch bewezen kan worden, is die van de zondigheid van de mens’ (G.K. Chesterton).
In deze bijdrage gaat het om het doel van straf. Evenals Bruce Narramore onderscheid ik punishment en discipline. Hoewel niet helemaal correct, vertaal ik punishment met straf, en het Engelse woord discipline met begrenzing.

Doelen van straf
Achter een straf zit altijd een principe. Twee voorbeelden:
• Straf om rechtvaardigheid te verkrijgen. De één heeft de ander letsel toegebracht. De straf fungeert dan (mede) als genoegdoening. Voor de schade die je aan mij hebt toegebracht moet je mij iets teruggeven om het een beetje goed te maken.
• Straf als wraak. Daarmee zitten we op een hellend vlak, waarbij ethische grenzen gemakkelijk worden overschreden. Daarom wordt in Nederland de straf in de handen van een rechter gelegd. Want via de wraak wordt altijd te zwaar gestraft.

De emotie van de opvoeder
Veel straffen dienen als uitlaatklep voor de frustraties van de opvoeder. Je hebt vijf keer gezegd tegen een kind dat iets niet mag, de zesde keer schiet je uit je slof. ‘Direct na het eten naar bed!’
Dat is begrijpelijk. In de opvoeding kom je jezelf nadrukkelijk tegen. Een bezwaar bij deze straf is echter, dat het kind niet meer centraal staat, maar de frustratie van de opvoeder. Aanhakend bij de discussies over de preken van ds. Gertjan Goldschmeding uit Amersfoort: dit is het meest fundamentele bezwaar dat ik heb tegen het slaan van kinderen, ook als het eufemistisch een pedagogische tik wordt genoemd. Slaan gebeurt meestal na een opeenstapeling van ergernissen. Alleen daarom al is slaan riskant. Maar als dat slaan gewoon(te) wordt binnen de opvoeding, gaan opvoeders écht een gevaarlijke grens over. Ik zou als predikant of als christen-hulpverlener die verantwoordelijkheid niet durven dragen, dat ouders op basis van mijn adviezen het recht menen te hebben om hun kinderen te slaan….
De bijbelse boodschap is dat ouders hun kinderen niet moeten verbitteren.
Als een kind verbitterd raakt, komt dat meestal doordat het niet als persoon gezien wordt. Dat is bij lijfstraffen helaas wel érg vaak het geval. Maar ook bij uitspraken van ouders kan het kind buiten beeld raken. Zoals wanneer een moeder tegen haar dochter zegt: ‘Jij maakt mij zó boos!’ Zo maak je als opvoeder het kind verantwoordelijk voor jouw emotie. Naar mate een kind ouder is, is het meer verantwoordelijk voor zijn gedrag. Toch blijft de opvoeder altijd verantwoordelijk voor zijn eigen emotionele reactie.

Het doel van begrenzing
Narramore zet straf en begrenzing tegenover elkaar. Straf is bedoeld als gelijkmaker voor wat verkeerd is gegaan (denk aan ‘oog om oog, tand om tand’), begrenzing kijkt dus nadrukkelijk naar de toekomst. Hoe kunnen we jou zo begrenzen dat groei mogelijk is?

Het onderscheid tussen straf en begrenzing is kunstmatig en theoretisch, maar toch ook wel bruikbaar, zo blijkt uit de volgende tegenstellingen:
- bij straf is het doel rechtvaardigheid, vergelding of genoegdoening voor een vergrijp, bij begrenzing daarentegen het nastreven van ontwikkeling van emoties en geweten;
- bij straf ben je gericht op daden, misstappen en vergrijpen uit het verleden, bij begrenzing op groei van het gezonde gedrag in de toekomst;
- bij straf komt de houding van de opvoeder voort uit boosheid, teleurstelling, krenking, bij begrenzing uit liefde en respect;
- bij straf is het effect op het gedrag: aanpassing (vaak schijnbaar) of juist opstandig of stiekem gedrag, bij begrenzing daarentegen een groei naar het maken van eigen keuzes, het zelf maken van afwegingen;
- bij straf is het effect op de emoties: angst, schuld, schaamte of woede, bij begrenzing het ervaren van veiligheid, ruimte voor groei, communicatie en relatie.


Trends in de samenleving
‘Er moet harder worden gestraft’, hoor je in de politiek, op straat en in de media. Opnieuw klinkt hier een pedagogisch optimisme in door: als je maar hard genoeg straft, dan verdwijnen de problemen vanzelf. Maar wat is de achtergrond? Klinkt er bewogenheid in door met de mensen aan de rand van onze samenleving? Of komt deze roep voort uit eigen frustratie en teleurstelling? En: gaat het werken? In Frankrijk zijn zware straffen veel gebruikelijker dan in Nederland. Toch zijn de problemen in de banlieus (voorsteden) alleen maar versterkt. Inwoners van deze wijken hebben alle vertrouwen in de samenleving verloren. Daardoor ontstaat een onderscheid tussen wat ‘eigen’ is en wat ‘de ander’ is. Mensen van buiten zijn ‘anders’ en dus een bedreiging. Een ambtenaar is er per definitie op uit om jou je uitkering af te pakken, iemand van de jeugdzorg wil je kind afpakken. Het geweld tegen politie en hulpverleners heeft ook met dit aspect te maken.

Het verkeerde paard
Tegenover het plegen van geweld moeten duidelijke consequenties staan. Maar wie het alleen van de straf verwacht, wedt op het verkeerde paard. Het gaat averechts werken en zich zelfs tegen de samenleving keren. Dan werken die straffen niet begrenzend, maar versterken ze de uitzonderingspositie. De nieuwe bewustwording van onder andere islamitische jongeren heeft ook met deze ontwikkeling te maken. Wat dat betreft doet Geert Wilders meer voor de moskee dan de meest populaire imam.

Wie ben ik zelf?
Niemand kan zonder begrenzing. Kinderen (en volwassenen) moeten dagelijks ervaren dat er grenzen zijn. Opvoeders zijn verplicht die grenzen aan kinderen aan te geven.
Het is echter van groot belang vanuit welke houding opvoeders en de samenleving grenzen aangeven. Dat brengt je als opvoeder of als gezagsdrager op de vraag: wie ben ik zelf als ouder, als professionele begeleider, als politicus? Waarom reageer ik zo op dit gedrag?
Welke emoties spelen bij mij een rol? En welk effect heeft de straf op het gedrag en de emotie van dit kind, deze puber, deze buurtbewoner? En, cruciaal: groeit hij er door, of wordt de woede tegen de ander alleen maar groter?
Dat vraagt om verbondenheid, om bewogenheid. En om bewustwording van wie ik zélf ben. Een opvoeder met een eigen levensverhaal, met alle deuken en blutsen die daarbij horen. De perfecte opvoeder bestaat niet. We moeten allemaal van de vergeving leven.

Bronnen
Bruce Narramore, Adolescence is not an Illness. Narramore is een christentherapeut en schreef veel over eigenwaarde en zelfvertrouwen bij kinderen en volwassenen.
W. ter Horst, De straf als opvoedingsmiddel in een behandeltehuis. Ter Horst schreef een aantal boeken over christelijke opvoeding.

Henk Algra is orthopedagoog. Hij is lid van de NGK/CGK van Alkmaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief