Waden door de modder

2009-09-25
  • Jaargang 53
  • nummer 19
In 1870 publiceerde dominee Thomas Wentworth Higginson een opmerkelijk boek: Army Life in a Black Regiment. Opmerkelijk, omdat de protestantse Higginson een van de eerste blanken was die oog had voor de muziek en cultuur van de zwarten, de ‘negerslaven’ in Amerika.

Vergeleken bij de oude, breed stromende rivieren van Damascus is de Jordaan maar een smal, smerig beekje. Zo smerig dat de zieke oudtestamentische Syrische krijgsheer Naäman zwaar beledigd was, toen hij van de profeet Elisa te horen kreeg dat hij zich zeven keer in het modderwater moest wassen om van zijn melaatsheid te worden genezen.
Onbeduidend, modderig of niet, toch heeft juist dit beekje in de cultuurgeschiedenis een ongekend mythische betekenis gekregen. Zij voert terug naar de lange tocht van het oude volk van Mozes op weg naar het beloofde land. Verlost van de slavernij in Egypte trok het door de woestijn naar Kanaän. Maar vlak voor men het beloofde land kon bewonen restte er nog één hindernis, en dat was de Jordaan, de doodsrivier. Daar moest men doorheen waden om de toekomst veilig te stellen of, zoals in het geval van Naäman, te kunnen leven.

Isaäc Watts
Voor de gelovige een wonder, voor de kunstenaar ideale klei om mee te boetseren. Behalve de psalmist (‘Waarvoor, zee, neem je de vlucht,/Jordaan, trek jij je terug?’ Psalm114) hebben ook later talloze dichters en singer-songwriters dichters zich door de Jordaan laten inspireren. Een indrukwekkend voorbeeld vind je bij de Londense predikant Isaäc Watts (1674-1748). Toen hij eens vanaf het vaste land van Zuid-Engeland over het water van de Solent in de verte het eiland Wight zag liggen, dacht hij aan het beloofde land – prachtig maar onbereikbaar. Het leidde tot een ongekend mooi lied dat door dichter en Amerikanist J.W. Schulte Nordholt (1920-1995) voor het Liedboek voor de kerken (1974) vertaald werd als ‘Er is een land van louter licht’ (Lied 290). Alleen de Jordaan staat het hemelse Jeruzalem nog in de weg. Het lied, dat aanvankelijk de titel ‘A Prospect Of Heaven Makes Death Easy’ meekreeg, is ook muzikaal van groot belang geweest. Watts is wel de ‘vader van de Engelse hymne’ genoemd. Stammend uit de kringen van de niet-Anglicaanse dissenters – waartoe ook de ooit door Oliver Cromwell (1599-1658) en John Milton (1608-1674) gekleurde Puriteinen gerekend worden – was de in Southampton opgegroeide predikant niet gelukkig met de uiterst traag gezongen en (door de predikant per regel) voorgezongen psalmen in de kerk. Zo somber en oeverloos, meende hij, kon je God toch niet toezingen als dank voor alles wat hij zijn kinderen in het leven schonk? En dus sloeg hij zelf aan het dichten en (be)rijmen. Het leidde in 1707 tot een bundel liederen, die de protestantse zangtraditie in Engeland sterk zou beïnvloeden en veranderen: Hymns And Spiritual Songs. ‘A Prospect Of Heaven Makes Death Easy’ stond er ook in, als Gezang 66.

Liturgische vernieuwingen
De liederen van Watts – en van andere vernieuwers als de gebroeders John (1703-1791) en Charles (1707-1788) Wesley in zijn kielzog – sloegen niet alleen aan in Engeland maar ook in de Amerikaanse koloniën, waar zelfs (ex-) slaven ‘old Dr. Watts’ graag zongen. Daar zit iets ironisch in. Want anders dan in het moederland was men in de meeste staten van Amerika nog niet toe aan liturgische vernieuwingen. Zo zong de gemeente wel sneller dan vroeger maar weigerde zij het voorzingen van de predikant (de ‘line out’) af te schaffen. En juist dat konden de Afro-amerikanen wel waarderen. De vorm waarin gemeente en koor reageerden op de inzet van de voorzanger sloot wonderwel aan bij de responsale zang die zij in Afrika ook gewend waren. Wel werden de traditionele door trommel en drums bepaalde ritmes gemist. Maar, zo schrijft de in onze kringen welbekende cultuurfilosoof H.R. Rookmaker in zijn studie Jazz, blues, spirituals (1960), spoedig gaf de gelovige – meestal op de plantage bekeerde - neger ‘door het intensieve contact met het bijbelse christendom, zijn Afrikaanse samengestelde ritmen op. Die voelde hij zelf ook als heidens aan – ‘de goden spraken toch door de drums.’

Gospel en blues
Het is intrigerend te zien hoe dat ritme een vrij radicale scheidslijn heeft aangebracht binnen de zwarte muziekgeschiedenis. Waar de gelovigen hun traditie met die van de psalmen wisten te combineren en aldus de weg vrij maakten voor de spiritual en de gospel, lieten de ongelovigen of afvalligen zich meeslepen door hun mojo, de ziel van de blues en gaven zij de oude ritmes de vrije loop, zoals Duke Ellington (1899-1974) in 1956 liet zien in ‘A Drum Is A Woman’: ‘Rhythm came from Africa to America/Do you know what it does to you?/ Exactly what it’s supposed to do…’
De scheiding der wegen en geesten laat zich ook eenvoudigweg in een bijna perfecte dichotomie samenvatten: tegenover de blijdschap van het evangelie staat de somberheid van de blues, tegenover de goede zeden en moraal van het christendom de bandeloosheid van de duivel (denk aan Robert Johnson (1911-1938) en zijn ‘Me And Devil Blues’ of ‘Stones In My Passway’) en tegenover de weg omhoog is daar ook altijd die naar beneden, ofwel het verschil in richting: hemel of goot.
Het verschil tussen ‘de energie’ van de blues, de jazz en de soul (later aangevuld door de rock & roll en de rhythm & blues) en de ‘visie’ van de gospel, zoals de Amerikaanse muzieksocioloog Greil Marcus het anders heeft uitgedrukt, is terug te vinden in de beeldspraak van de Jordaan. In het negentiende-eeuwse Amerika was het vooral de Ohio-rivier die, net als de Jordaan in het Oude Testament, de laatste hindernis vormde op weg naar de vrijheid. Had een gevluchte of (na 1865) vrijgelaten slaaf na een lange tocht over, door en langs rivieren en spoorlijnen (ook wel ‘the underground railway’genoemd) eindelijk de Ohio bereikt, dan was het beloofde land in zicht. En het was in die context dat veel zwarte gelovigen zich behalve aan ‘There is a land of pure delight’ van Dr. Watts graag overgaven aan het zingen van negentiende-eeuwse traditionals als ‘Roll Jordan Roll’ (‘I want to go to heaven when I die,/ To hear Jordan roll’), ‘River Of Jordan’ (‘The river of Jordan is many miles away/ This mighty river I may never see/ But I’ll find myself an altar in an old fashioned church/ My river of Jordan that will be’) en ‘Wade In The water’ ( ‘Jordan’s water is chilly and cold/God’s gonna trouble the water’).

Redding
Zo werd ondanks alle onderdrukking en ellende God altijd geprezen. Voor 1865 nadrukkelijk in het teken van de hoop op een betere toekomst; daarna – geheel in overeenstemming met dat andere uitverkoren volk – uit dankbaarheid voor de redding uit de slavernij. Het bekendste lied in dit verband is hoogstwaarschijnlijk ‘Swing Low, Sweet Chariot’ dat behalve aan de hemelvaart van Elia ook direct refereert aan ‘the underground railroad’. Iedere zwarte die dit zong wist dat hij of zij over de dood heengetild was om thuis te komen: ‘I looked over Jordan, and what did I see/ Comin’ for to carry me home’. De happy ending van de gospel is niet alleen aanstekelijk, maar ook ontroerend. Niemand hoeft bij de pakken neer te zitten, als je maar op Mozes, Jozua en de Heer vertrouwt. Maar hoe beloftevol ook, de werkelijkheid was voor de meeste zwarten anders. Niet iedereen haalde de grens van Ohio en evenmin lukte het veel voormalige slavenfamilies om temidden van alle armoede en hardnekkige discriminatie in ol’ Dixie (het oude Zuiden) de moed erin te houden. Voor hen bleef de Jordaan dan ook vooral een metafoor vol modder en uitzichtloosheid. Robert Johnson, de stamvader van de blues, zonk er bij wijze van spreken in weg, getuige zijn ‘Cross Road Blues’ (‘That I got the Crossroad blues this mornin’, Lord, babe, I’m sinkin’ down’), terwijl Bessie Smith (1894-1937) niet Gods aanwezigheid maar juist zijn afwezigheid opmerkt. In het door haar in 1927 weergaloos opgenomen ‘Muddy Water’ bezingt zij de wanhoop in de Mississippi-delta na de overstroming van de rivier: ‘Muddy water in the street /Just God don’t shelter down in the delta…’

Rebels
En dan Muddy Waters zelf, de uitvinder van de op de ingewikkelde gitaarloopjes van Robert Johnson geënte rhythm & blues en grote inspirator van de Rolling Stones. Waters heette eigenlijk McKinley Morganfield (1911-1983) maar liet zijn bijnaam nooit meer los toen hij aan het spelen sloeg. Alsof daarmee de toon was gezet, want evenmin als in het door Bessie Smith vertolkte ‘Muddy Water (A Mississippi Moan)’ vindt ook hij de Heer aan zijn zijde: ‘Keep runnin’ all the time/ But the river is runnin’ dry’/ Lord help me it just ain’t right.’
Onrustig begeleid door een rammelende honky tonk piano, een nerveuze mondharmonica en niet te vergeten een aanstekelijke bas en een jankende en ‘pielende’ elektrische gitaar zingt hij de regel in ‘Forty Days And Forty Nights’ alsof er nooit een einde aan zal komen.
De sombere grondtoon van de blues en de sexy ritmes van de rhythm & blues (die op hun beurt weer de aanzet hebben gegeven tot de uitgelaten rock & roll) geven de muziek automatisch iets rebels en opstandigs. Ze zetten vraagtekens bij het heil uit ‘The Good Book’ en gaan graag met de symbolen van zondeval en duisternis als slang en duivel aan de haal. Wie echter denkt dat er tussen gospel, hymne en blues of rock helemaal geen dwarsverbindingen mogelijk zijn of bestaan, mist een cruciaal spoor. Veel zangers en zangeressen maakten helemaal geen radicale keuze tussen de elkaar op het eerste gezicht misschien uitsluitende genres maar hadden beide juist even lief. Bessie Smith bijvoorbeeld zong naast haar hartverscheurend klagen over de modder van de Mississippi even hartstochtelijk de ‘ritmisch gezongen’ spiritual ‘On Revival Day’ en Blind Willie Johnson (1901-1949) zong nooit anders dan de blues, terwijl hij tot zijn dood toe de Baptistengemeente van Beaumont (Texas) trouw bleef. Soms is er dus blijkbaar toch een bijzonder verbond tussen God en de duivel mogelijk.

Naar boven
Het monsterverbond wordt het aardigst belichaamd in de zowel sterk door de gospel als de blues, rock en country beïnvloede Bob Dylan (1941). In zijn voor een groot deel aan Job gewijde album Time Out Of Mind (1997) komen alle denkbare betekenissen van de Jordaan samen wanneer hij, achtervolgd door zijn verleden, in ‘Tryin’ To Get To Heaven’ nog eenmaal de rivier doorwaadt in de hoop op een antwoord. En meer dan ooit kijkt de dichter naar boven. Daar ergens, achter de wolken, moet in elk geval de ingang tot de werkelijke vrijheid en het leven zijn:

The air is getting hotter
There’s a rumbling in the skies
I’ve been wading through the high muddy water
With the heat rising in my eyes
Every day your memory grows dimmer
It doesn’t haunt me like it did before
I’ve been walking through the middle of nowhere
Trying to get to heaven before they close the door

Meer:
Greil Marcus, Mystery train. De verbeelding van Amerika in de rockmuziek, Amsterdam 1997.
H.R. Rookmaker, Jazz, blues, spirituals, Wageningen 1960.
J.W. Schulte Nordholt: ‘Isaac Watts’ in: Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 Gezangen uit het Liedboek voor de kerken, Amsterdam 1977, 1272-1280.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief