Oudere predikant is 'duur'

2003-11-07
  • Jaargang 47
  • nummer 22
Volgens de regio Noord-Nederland zou er een onderzoek moeten komen naar de betaalbaarheid van predikantstraktementen in onze kerken.
Want de jaarlijkse periodieken werken in de hand, dat oudere predikanten ‘minder goed in de markt’ komen te liggen. Dat blijkt een van de schaduwkanten van de GMV-inkomensnorm, die de Landelijke Vergadering in 2001 heeft aangenomen en waarmee steeds meer gemeenten werken.

Noord-Nederland doet twee voorstellen.
Het eerste betreft een centraal administratiekantoor dat de predikanten uitbetaalt en waaraan de gemeenten op vrijwillige basis jaarlijks een bedrag per ziel betalen. Via de Stichting Emeritaatsvoorziening worden zo ook de pensioenen van nietdienstdoende predikanten betaald.
Mocht dat niet haalbaar blijken, dan stelt Noord-Nederland voor een stichting op te richten, die alleen de dienstjarentoeslagen betaalt en zo die kosten over meer gemeenten verdeelt.
In beide gevallen wordt voorgesteld een commissie in het leven te roepen, die daarover in 2007 aan de LV rapporteert.

Oud en duur
Hoewel Noord-Nederland het gebruik van de GMV-normen ‘verheugend’ vindt, meent de regio dat de dienstjarentoeslag een negatieve invloed zal krijgen op het beroepingswerk. De periodieke verhoging gaat door tot en met het twintigste dienstjaar. ‘Om een indicatie te geven: het traktement bij nul dienstjaren voor een predikant in een gemeente van 200 tot 350 leden (zoals er vele in ons kerkverband zijn) bedraagt sinds 1 juli 2002 2278 euro per maand. Bij twintig dienstjaren is dat echter 3548 euro; een verschil van 1270 euro. Jaarlijks dus 15.240 euro (ofwel 33.585 gulden)!
‘Het is niet moeilijk te raden wat – met name in economisch wat slechtere tijden – het gevolg voor het beroepingswerk zal zijn: oudere predikanten worden vanwege de hoge traktementen niet meer zo snel beroepen door een andere gemeente. Als het om de “betaalbaarheid” van een predikant gaat, zal de voorkeur uitgaan naar een jongere predikant. Met als gevolg, dat oudere predikanten in hun gemeente blijven “staan” en dat die gemeente geheel zelfstandig het hoge traktement moet zien op te brengen.
Vervolgens zal die gemeente zich wel tien keer bedenken voordat ze weer een oudere predikant beroept. En misschien zal sowieso een vrees ontstaan om een predikant te beroepen, omdat je maar nooit weet of hij voor zijn emeritaat nog weer zal vertrekken.
Gemiddeld zullen de GMV-normen er waarschijnlijk toe leiden, dat jonge predikanten om financiële redenen beter in de “markt” komen te liggen dan oudere predikanten.’

Vreemde verschillen
De kostendruk door periodieken is overigens niet de enige reden voor het voorstel van Noord-Nederland.
Volgens haar blijkt uit cijfers van de Stichting Emeritaatsvoorziening uit 2002, dat ‘overduidelijk behoorlijk grote verschillen bestaan tussen traktementen’.
‘Die zijn niet te herleiden tot de grootte van de gemeente of het aantal dienstjaren van de predikanten.
De ene predikant ontvangt om onduidelijke redenen een veel hoger of lager traktement dan de andere. De (financiële) draagkracht van de gemeente zou een van de oorzaken kunnen zijn.’ Bovendien is de predikant fiscaal gezien een lastige kostganger. Hij is geen zelfstandig ondernemer, maar ook geen werknemer. ‘Dat brengt met zich mee dat maar weinigen een goed inzicht hebben in zijn inkomenspositie.
De betalende gemeente beschikt niet altijd over de specifieke deskundigheid daartoe.’ De regio zegt te weten, dat ‘dikwijls moeilijke en vervelende situaties ontstaan rond de vaststelling van het traktement’.
‘Predikanten zien zich nogal eens genoodzaakt min of meer hard te onderhandelen over het traktement, terwijl deze rol hen niet op het lijf is geschreven en ook niet goed te combineren is met hun rol als predikant pastor. Dat geeft gemakkelijk allerlei spanningen, die vermeden zouden moeten worden.’ Omdat ook predikanten niets menselijks vreemd is, verwacht de regio dat bij beroepingen de hoogte van het traktement ‘gemakkelijk een te belangrijke rol’ gaat spelen bij de predikant.
‘De beslissing een beroep al dan niet aan te nemen, wordt dan uiteindelijk genomen aan de hand van de vraag of hij in zijn nieuwe gemeente zonder financiële zorgen “van het evangelie” zal kunnen leven.’ Noord-Nederland denkt tenslotte dat haar voorstel voor centrale betaling het voor kleine gemeenten makkelijker kan maken om samen met een andere kleine gemeente een predikant te beroepen.
Bovendien ontstaat de mogelijkheid een ‘predikant in algemene dienst’ voor bijvoorbeeld de Theologische Studiebegeleiding te benoemen.

Schalen ijken
Hoewel de regio de GMV-normen als een stap in de goede richting beschouwt, ziet zij in de praktijk nog heel wat ‘gedoe’ rond de vaststelling van het exacte traktement en de emolumenten.
‘Ook bij het gebruik van deze richtlijnen moet de predikant vaak nog steeds op het vinkentouw blijven zitten om te controleren of de richtlijnen wel echt worden toegepast.
Bovendien is de vraag of de GMVtabellen wel voldoende zijn toegesneden op onze kerken. Zij zijn immer geënt en afgestemd op de Vrijgemaakte situatie; een groter kerkverband met relatief minder kleine gemeenten.
Het is op z’n minst de vraag of vanuit onze NG-situatie niet eens kritisch moet worden gekeken naar deze schalen.’ De regio ziet ook de nadelen van haar voorstel. Gezien de vrijwillige basis zal niet elke gemeente zich direct aansluiten en voor gemeenten met een jongere predikant betekent het een lastenverzwaring.
En kerken die hun oudere en duurdere predikanten ‘kwijtraken’, zullen geneigd zijn de stichting zo snel mogelijk te verlaten. Daarom denkt de regio aan langlopende contracten van bijvoorbeeld minstens tien jaar met een opzegtermijn van twee jaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief