Gekozen als ouderling

2003-11-07
  • Jaargang 47
  • nummer 22
In een aantal reacties wordt ingegaan op de manier waarop iemand ouderling wordt. En inderdaad is ook dat stellig iets om over na te denken.
Waarom wordt iemand gekozen of benoemd tot ouderling? Te vrezen valt dat het vaak gaat zoals in deze reactie verwoord: 'Maar helaas: hij wordt gekozen. Zijn medebroeders en zusters zien hem elke zondag keurig in het pak naar de kerk komen, dus dat zit wel snor.' Een ander vraagt zich af: 'Doen ze de dingen wel met de juiste gaven?
Doen ze de juiste dingen in de gemeente met de gaven die ze hebben?
Is er iemand in de gemeente die zich daarvoor verantwoordelijk voelt en dat proces goed begeleid?'

Individu en organisatie
Een in organisatieland - voorzover ik daarin thuis ben - bekende vraag luidt: Wat staat voorop: het belang van de organisatie of het belang van het individu binnen die organisatie?
Ook op dat gebied vallen binnen de kerk gruwelverhalen te horen. Soms lijkt het er werkelijk op dat de kerk uitsluitend gericht is op het toch vooral maar vervuld krijgen van alle vacatures.
Kan niet schelen of mensen daar de benodigde gaven voor hebben, als het getal maar weer vol is.
Een voorbeeld: iemand (toevallig vrijgemaakt, maar het kan in elke kerk gebeuren), net getrouwd, net een nieuwe baan, woont een half jaar in een plaats in de Randstad, en is nu al op tal gezet voor ouderling. Waarom? 'We kunnen geen ambtsdragers vinden....' Dat is dus roofbouw plegen op nieuwe gemeenteleden. En zeker, onze God kan met een kromme stok nog verbazend rechte slagen slaan, maar dat maakt de stok er niet minder krom op. Laat dus niemand verbaasd opkijken als zoiets niet goed afloopt.

Druk
En hoe gaat het dan vaak, als iemand benaderd wordt om ambtsdrager te worden? In een van de binnengekomen reacties heeft de schrijver zich verplaatst in Marcus Dijkstra, als hij voor de tweede keer op tal gezet ‘dreigt’ te worden voor ouderling: 'Marcus weet dat hij bepaalde kwaliteiten heeft, maar die zijn nou juist in de kerk niet gewenst. Maar goed, hij heeft niet het lef om te zeggen dat hij het niet doet want dan hoort hij in gedachten de verwijten al rondvliegen.
"Iedereen heeft het druk." "God roept! Wie ben jij dan om nee te zeggen."
"Jij bent een van de weinigen die we nog konden voordragen." "Er zijn anderen geweest die dachten dat ze iets niet konden, maar kijk maar naar ... Mozes, Elia, enz."
Ja, zo gaat dat nogal eens: wij gaan stevige druk uitoefenen op iemand; wij proberen hem over de streep te halen. Daarmee trekken we wel een heel zware wissel op het verantwoordelijkheidsbesef van kandidaat-ambtsdragers.
En omdat we daarvoor meestal uitkomen bij mensen die op dat punt ook werkelijk aanspreekbaar zijn -- want zij willen zich graag inzetten voor de Here! -- staan zij dus al bij de start voorgesorteerd voor de burn-out.
Intussen - het zij terloops opgemerktverraden we daarmee wel onszelf, en het beeld dat wij hebben van het werk van een ambtsdrager: ‘t is zwaar en vervelend, maar je kunt er nou eenmaal voor je fatsoen niet onderuit.
En dan de sfeer tegenover mensen die voor de eer bedanken: daar zijn we dus heel fel tegen - gevoed, naar ik diepweg vermoed, door een heimelijk gevoel van jaloersheid: hij wél...
Natuurlijk moeten er soms gesprekken gevoerd worden met mensen die geen ouderling willen worden (of een andere functie binnen de gemeente op zich nemen). Maar laat in zo’n geval nooit het (vermeende!) belang van de organisatie zwaarder wegen dan dat van het individu. Ik ben er zelfs ten volle van overtuigd dat het belang van de organisatie vrijwel altijd in het verlengde zal liggen van dat van het individu.

Ambtsopvatting
Dat we nu op deze punten zo vaak vastlopen heeft naar mijn overtuiging ook te maken met het failliet van de klassiek-gereformeerde ambtsopvatting.
Dat klinkt nogal groots en fors, maar ik denk dat we ons dat werkelijk moeten realiseren. Onze ambten en onze ambtstheologie zijn voor een belangrijk deel relicten uit een definitief voorbije tijd.
Daarom is er ook zeker wat voor te zeggen om ambtsdragers niet meer in hun ambt te bevestigen met gebruikmaking van het klassieke formulier.
Dat spreekt immers - niet helemaal, maar wel grotendeels - voorbij aan onze werkelijkheid.
Weliswaar ontbreekt het woord ‘gaven’ daarin niet geheel, maar het heeft er toch niet meer dan een marginale plaats in: namelijk in het dankgebed aan het eind. Dus niet aan het begin (daar wordt alleen gezegd dat niemand een bezwaar heeft ingebracht tegen hun belijdenis en wandel), en al evenmin in de te beantwoorden vragen, waar opnieuw het accent valt op dogmatische en ethische correctheid.
Onze tijd vraagt om een grondige doordenking van de vragen en de uitdagingen waar deze tijd ons voor stelt. Het is hier niet de plaats om daar breed op in te gaan. Maar het is wel onvermijdelijk om het feit in deze serie te signaleren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief