Het geestelijke
2003-11-21
Eerder in deze serie artikelen hebben we gezien dat je organisatorisch best een aantal dingen beter op orde kunt brengen. Toch bekruipt mij meer en meer het gevoel dat je het met enkel een andere organisatie van het werk niet zult redden - hoe nodig dat overigens ook is. Maar ten diepste is dit geen organisatie-probleem, maar een geestelijk probleem. En dan komen er heel andere vragen in beeld.- Jaargang 47
- nummer 23
Wie zijn wij eigenlijk? Waar staan we voor? Wat geloven we zelf? Wat bindt ons samen? Welk ideaal hebben wij van kerk-zijn in deze wereld en in deze tijd? Hoe open zijn we naar elkaar toe, hoe kwetsbaar zijn we, durven we te zijn?
Nee, dat zijn geen vragen waarmee je aan de oppervlakte kunt blijven, waar je afstandelijk over kunt spreken (de meeste kerkenraden spreken naar mijn waarneming nooit anders dan afstandelijk!), maar hiermee moet je de diepte in, naar het niveau waar jouw eigen hart klopt, waar jouw ziel thuis is; het niveau van je hoop en je wanhoop, je vertrouwen en je twijfel, je ervaring van op de rots te staan, en die van het midden in de loeiende storm (bijna) koppie-onder gaan.
Realiteit
Kijk, dan gaat het ergens over; want dit is de realiteit van het christen-zijn in deze wereld.
Iemand schrijft: ‘Wat hebben mensen zoals ik nodig om weer moed te kunnen vatten? Ik zou het niet weten.
Het punt is juist, dat het zo moeilijk is om aan te geven waar de schoen precies wringt. Misschien gaat het om de spanning tussen ideaal en werkelijkheid.
In de kerk wordt vaak gedaan alsof het ideaal al werkelijkheid is. En als dat niet zo blijkt te zijn, rekenen we elkaar daarop af. Of we verheffen de werkelijkheid tot ideaal en schrijven aan onze eigen mening goddelijk gezag toe - de gereformeerde variant van de “vervloekte afgoderij” van de paapse mis. Misschien zou er al heel wat gewonnen zijn, als we met elkaar, over en weer, wat meer bescheidenheid en nederigheid zouden opbrengen, ook als het gaat om de kerkelijke leer en het christelijke leven. Het zou voor velen denk ik een stuk draaglijker in de kerk zijn, als zij niet de indruk zouden krijgen dat zij aan een soort standaard-ideaal zouden moeten voldoen.
Christenen zijn geen klonen van elkaar en hoeven dat ook niet te zijn. Misschien is het zelfs een vorm van diep verborgen wetticisme, dat ons parten speelt.’
Buitenkant
Je kunt organiseren wat je wilt, je kunt de meest geweldige structuur verzinnen, maar als die niet gedragen wordt door een werkelijk geloof in de genade van God, dan blijft het allemaal lapwerk.
Veel te veel is de kerk een plek waar het alleen maar veillg is voor gearriveerde, geslaagde fatsoens-mensen.
Veel te veel regeert de angst; niet voor God, maar voor mensen. Veel te veel spelen we toneel in de kerk, en tonen we de ander enkel maar de nette buitenkant. Veel te weinig beleven we het tot in het diepst van onze ziel dat ons leven gedragen wordt door Gods hand; en dat die hand van onze hemelse Vader ook de enige garantie is dat we niet te pletter vallen.
Veel te weinig durven we elkaar ontmoeten in het licht van Gods liefde.
De al eerder aangehaalde ex-ouderling schrijft: ‘Er moet toch meer zijn dan kerkpolitiek, catechismus en leerregels.
God zal die homo’s, gescheiden mensen, misbruikte kinderen en volwassenen toch niet de dogma’s overhoren? Ze voldoen natuurlijk bij lange na niet aan de eisen van de NGK. Nou zitten deze mensen gelukkig, toevallig niet in deze gemeente.
Dus dat probleem hebben we niet. Of zijn ze er toch? Houden ze zich schuil?
Of gaan ze weg als ze niet meer in het patroon passen?’ Deze zelfde man is nu lid van een hervormde gemeente, waarover hij schrijft: ‘Ook daar zijn grote verschillen, maar ik word niet gedwongen in een door anderen bepaalde richting te denken. De gemeente is groot en daardoor wat anoniemer, de pretenties zijn niet zo hoog en het is een doorsnee van de maatschappij waarin ik leef en werk.’ Moet je hervormd worden om zo te leren kerk te zijn?
En een ander schrijft: ‘Als ik terugkijk heb ik de indruk, dat mijn vervreemding van de kerk net als in het verhaal van Marcus Dijkstra begonnen is in de tijd dat ik in de kerkenraad zat.
In de kerkenraad ben ik in aanraking gekomen met wat ik de “vleselijke” kant van de kerk zou willen noemen, en heb ik gemerkt dat die in de praktijk van het kerkelijk leven veel sterker aanwezig is dan je als eenvoudig gelovige zou denken. Ik denk dat de spanning tussen de grote geestelijke woorden enerzijds en de al te menselijke, op macht en eigendunk gebaseerde daden anderzijds, mij uiteindelijk te veel geworden is. Ik ben het ouderlingschap begonnen met het ideaal dat verwoord is in het bevestigingsformulier, maar kwam er al snel achter dat de werkelijkheid heel anders was. Ook ben ik er de laatste jaren achtergekomen dat de kerkelijke leer weinig meer is dan een theologische constructie. Toch willen ze in de kerk dat je “de leer” kritiekloos onderschrijft alsof alles door God zelf verkondigd is. Dit soort ervaringen hebben mij sceptisch gemaakt over alles wat in de kerk in Gods naam wordt gezegd en gedaan. Het is alsof ik als gast van een restaurant een blik in de keuken geworpen heb. Wie eenmaal ziet hoe het gerecht wordt klaargemaakt, eet nooit meer zo smakelijk als tevoren.’
Afhaken
En wat, als mensen dan afhaken (om het even trouwens of het daar nu gaat om ex-ambtsdragers, of om ‘gewone’ gemeenteleden)? Opnieuw een citaat uit een brief: ‘Als er mensen afhaken, laat ze dan niet vallen. Blijf in ze geïnteresseerd en blijf ze volgen. Praat niet over iemand achter zijn rug om. Zeg geen negatieve dingen over iemand.
Als je ze later ergens tegenkomt informeer dan met belangstelling naar hun wel en wee.
Ik denk dat alles om persoonlijke aandacht en interesse in de persoon zelf draait. Als je het contact niet verliest met “afhakende” mensen, dan komt er een moment dat ze de weg weer terug vinden. De drempel is laag gebleven.’
De onmisbare dominee
Uit een brief: ‘Met de dominee staat of valt de gemeente en met de preek staat of valt de eredienst. Als de dominee goed is, er bovenop zit, goede preken levert, groeit en bloeit de gemeente. Zo niet, dan verloopt de zaak en komen mensen als Marcus Dijkstra niet meer terug.’ Ik vermoed dat de meeste lezers van dit blad, als ze zoiets horen of lezen, spontaan afwijzend reageren: ‘Dit is niet waar; zo gaat het niet in de kerk van de Here Jezus.’ Maar het lijkt me bepaald de moeite waard om daar even iets langer over na te denken.
Die spontane reactie, die ik daarnet vermeldde, heeft immers een nogal hoog gehalte aan normativiteit; we bedoelen er niet primair mee dat het niet zo gaat in de kerk, maar veel meer dat het zo niet mag gaan. En daar zullen we het met elkaar ook wel snel over eens zijn.
Maar als we nu even afzien van het normatieve, van hoe het zou moeten zijn, moet je dan in alle eerlijkheid niet zeggen dat er meer waarheid in dit citaat steekt dan ons lief is? En direct daaraan gekoppeld dat dat dan wel exact het tegenovergestelde is van hoe het bedoeld was (1 Korinte 12, Efeze 4)?
Tenslotte
Zeer terecht schrijft iemand: ‘Alleen het opnieuw laten proeven van de liefde van de Here leidt tot de weg terug.’