Concentratie in de zending
2003-12-19
Graag zet ik een paar kanttekeningen bij het ingezonden stuk van Henk Reitsema in het laatste nummer van Opbouw, waarin hij ingaat op het voorstel van de NGK van Hattem voor de Landelijke Vergadering 2004, tot meer zendingssamenwerking binnen onze kerken. Hij pleit voor nog meer decentralisatie, ik voor concentratie van het zendings-werk dat in onze kerken gedaan wordt. Nadrukkelijk stel ik voorop dat ik het over al het zendings-werk heb, dus niet alleen over het werk dat in KwaZulu-Natal gedaan wordt. Er wordt een veelvoud aan zendinsgwerk binnen onze kerken gesteund, waaronder ik ook het diakonale werk in de vroegere Oostbloklanden reken. Ik werk dus met een zo breed mogelijke definitie van wat zending is.- Jaargang 47
- nummer 25
Mijn stelling is dat het hoog tijd is dat al die diverse zendingsacties en –initiatieven met elkaar in contact komen, gaan samen werken waar mogelijk, en van elkaar leren waar nodig.
Kortom, de kerken zouden elkaar toch moeten willen bijstaan in werk dat tot het wezen van het kerk zijn hoort.
Betrokkenheid
Mijn eerste kanttekening is dat we niet moeten denken dat het voorstel van Hattem in de administratief-organisatorische sfeer ligt. Reitsema is terecht bang voor bureaucratisering die schaalvergroting met zich mee kan brengen. Het is goed om aandacht te vragen voor directe betrokkenheid tussen plaatselijke kerken in Nederland en zendingswerk elders waar dan ook ter wereld. Zeker kort lopende project-zending leent zich daar uitstekend voor. Een kernwoord hier is inderdaad betrokkenheid van gemeenten bij zendingsacties. Ik weet dat ook de kerken die in KwaZulu-
Natal aan het werk zijn, het daar helemaal mee eens zijn. Maar zendingswerk in tweederde wereldsituaties vraagt om een eigen expertise. Er is kennis van zaken nodig om vruchtbaar aan het werk te kunnen gaan. Er zijn veel raakvlakken tussen zendingswerk en ontwikkelingswerk. Zending gebeurt nu eenmaal binnen het raamwerk van de Noord-Zuidverhouding in deze wereld.
Samen of niet
Nu hebben veel gemeenten die kortlopende zendingsprojecten steunen, daar geen problemen mee. Zij steunen financieel en spiritueel mensen die zij kennen, die worden uitgezonden door een grote, vaak wereldwijde zendingsorganisatie. Al het denkwerk, de expertise en noem maar op heeft die organisatie in huis; de plaatselijke gemeente heeft daar verder geen bemoeienis mee. Ze heeft natuurlijk ook geen greep op het zendingsbeleid dat die organisatie voert. Ze kan geen invloed uitoefenen op de boodschap waar deze organisatie voor staat, de theologie die haar drijft. Maar waar kerken het zendingswerk in eigen beheer uitvoeren, komen hier op den duur problemen, als er uitsluitend op gemeentelijk niveau wordt gewerkt, zonder dat er vanuit het kerkverband hulp en bijstand kan worden geboden. Dat is de situatie momenteel: de NGK kunnen elkaar op het punt van zending niet helpen.
Kerkrechtelijk zouden de bredere vergaderingen hiervoor een uitstekend platform kunnen bieden; maar dat platvorm is er kerkordelijk niet. Dat is bijbels onder de maat.
De hele kerk
Mijn tweede kanttekening raakt de visie op het kerk zijn, waar Reitsema terecht op wijst. We raken hier het vraagstuk van de verhouding tussen de plaatselijke kerk en het kerkverband.
Als we als gemeenten samen kerk van Jezus Christus willen zijn, dan is het onbegrijpelijk dat zending geen gemeenschappelijke roeping is.
De plaatselijke kerk is wel helemaal kerk, maar niet de hele kerk. De hele kerk zijn de kerken samen, zoals dat vorm vindt in kerkelijke vergaderingen.
Het is wel een hele schrale visie op het kerk zijn, wanneer zendingswerk op kerkverbandelijk niveau geweerd wordt – wat feitelijk de situatie is binnen de NGK.
Dit houdt nog niet in dat dus het kerkverband op landelijk niveau al het zendingswerk gaat organiseren.
Dat dus plaatselijke kerken hun verantwoordelijkheden overdragen aan een landelijke zendingscommissie, die dus een paar betaalde krachten in dienst neemt om het werk te doen wat tot nog toe vrijwilligers in hun avonduren deden. Het gaat er om een balans te vinden tussen plaatselijke verantwoordelijkheid voor en landelijke betrokkenheid bij het zendinsgwerk dat onder NGK paraplu plaats vindt. De vraag is: hoe kunnen de kerken samen plaatselijke kerken dienen bij de uitvoering van hun zendingsroeping?
Welke aspecten van zendingswerk kunnen beter op bovengemeentelijk niveau worden gehanteerd?
Kunnen de kerken ook samen een project opzetten? Dat zijn toch legitieme vragen.
Blikrichting
Mijn derde kanttekening raakt de vraag waarvoor zendingswerk gedaan wordt.
Soms krijg ik de indruk dat men zending goed voor de opbouw van de plaatselijke gemeente vindt. Het gaat dan niet om de uitbreiding van het Koninkrijk van God maar om de geestelijke verdieping van de eigen gemeente.
De aandachtsrichting lijkt me fout. Dat proef ik soms ook in die aandacht voor de zendingswerkers.
Opnieuw, de aandachts-richting is fout.
Natuurlijk moeten we geen tegenstelling scheppen tussen zendingswerk en zendingswerkers. Maar laten we ons er wel bewust van blijven dat het om het werk gaat, en in laatste instantie niet om de werkers! Wat is goed voor dat werk? Dat is de centrale vraag die op de komende LV moet worden beantwoord.
Voor mij staat het vast dat landelijke concentratie goed voor het plaatselijke zendinsgwerk is.
Koppelen van gemeenten
Ik reageer in dit verband even op de op zich goede suggestie van Reitsema om plaatselijke gemeenten te koppelen aan zendingsgemeenten bij voorbeeld in KwaZulu-Natal. Dat gebeurt al tussen plaatselijke kerken en kerken in India en Oost-Europa. Dat vraagt wel om een centrale regeling.
Het kan toch niet zo zijn dat de ene plaatselijke gemeente een heel ander beleid voert dan de andere; dat zou ginds in KwaZulu-Natal, maar even zo goed in Oost-Europa, destructief werken.
Het principe van gelijke monniken, gelijke kappen moet worden toegepast, en dat kan niet zonder solide afspraken in Nederland. Het voorstel moet niet worden gemotiveerd door wat goed is voor de kerken in Nederland, maar door wat goed is voor de kerken in Afrika.
Mijn laatste kanttekening betreft de opdracht die een eventuele landelijke zendings-commissie mee krijgt. Daar zal heel goed over nagedacht moeten worden. Ik zou me kunnen voorstellen dat in eerste instantie zo’n commissie de opdracht krijgt te inventariseren.
Wat is er allemaal aan zendinsgwerk binnen de kerken? Waar liggen de vragen en problemen die binnen de kerken leven? Wat zijn de wensen van de kerken op het punt van de organisatie van de zending binnen de NGK?
Waar liggen de raakvlakken met de zending van de CGK en de GKV (in Zuid-Afrika is er al jarenlang contact en zelfs samenwerking)? Op grond van de informatie die de commissie terugkrijgt uit de kerken, zou zij aan de volgende landelijke vergadering kunnen rapporteren en voorstellen doen over welke rol het kerkverband precies kan spelen in het uitvoeren van de zendings-opdracht. Zij zou ook een landelijk informatiebulletin kunnen uitgeven, waarin informatie te vinden is over alle zendingsinitiatieven binnen onze kerken.
Het is goed dat er een discussie op gang komt over het voorstel van Hattem. Het is tijd dat we samen afwegen waar het in zending om gaat, welke waarden er een rol moeten spelen. Ten diepste gaat het om de vraag wat het betekent samen kerk te zijn van Jezus Christus in de wereld van vandaag.
B.Wielenga, Pietermaritzburg