Avondmaal
2003-12-05
Hoe gaan we om met gasten aan het avondmaal? Om precies te zijn: gasten die geen lid zijn van een zusterkerk?- Jaargang 47
- nummer 24
Er is reden om over die vraag na te denken. In diverse kerken speelt het onderwerp. Enkele kerken ontwerpen voor hun locale situatie een regeling en brengen de zaak op de classis. Het speelt dus in de praktijk. Maar ook in de gesprekken die onze deputaten kerkelijke eenheid voeren met hun soortgenoten uit de Christelijke Gereformeerde en Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken komt dit punt aan de orde.
Hun praktijk ziet er doorgaans anders uit dan de onze. De nederlands gereformeerden zeggen ronduit dat ze op dit punt niet graag opschuiven richting het vrijgemaakte toelatingsbeleid.
Kerkbladen staan vol met artikelen waarin een bepaald standpunt wordt uitgedragen en verdedigd. Daar is niets bijzonders aan. Maar na tweeënhalf jaar in hetzelfde blad een nieuw artikel schrijven, en daarin in alle openheid het eerder verdedigde standpunt inruilen voor een ander: dat is wél bijzonder. En dat is nu precies wat de vrijgemaakte ds K. de Vries doet in De Reformatie van 15 november. In mei 2001 schreef hij over de toelating tot de viering van het Avondmaal van mensen die geen lid zijn van de eigen gemeente of het eigen kerkgenootschap. Destijds verdedigde hij de in vrijgemaakte kerken gangbare praktijk van de ‘gesloten Avondmaalstafel’. Nu schrijft hij er opnieuw over, omdat hij er inmiddels anders over is gaan denken. Hoewel, is hij anders gaan denken, of alleen anders gaan schrijven? De Vries:
Waarom teruggekomen op mijn standpunt van toen? Vanwege de wens om met elkaar een landelijke kerkelijke bezinning aan te gaan over onze gangbare gesloten avondmaalstafels.
Die wens heeft te maken met persoonlijke gevoelens en inhoudelijke argumenten.
Van de ‘inhoudelijke argumenten’ neem ik hier niets over. De Vries zet ze ook op de tweede plaats; en dat lijkt me terecht. Want - hoe postmodern! - niet bij die argumenten vallen de beslissingen, maar bij het gevoel. De Vries daarover:
In de vorige artikelen heb ik geprobeerd de geldende argumenten voor ons toelatingsbeleid serieus te nemen.
Want laten we eerlijk zijn: de gedachte aan een open avondmaal was onder vrijgemaakten lange tijd contrabande.
Er werd een punt van gemaakt in samensprekingen. Dit gebeurt nog in overzeese zusterkerken. Wanneer een dergelijke beleidslijn zo belangrijk wordt gedacht ga je daar niet lichtvaardig aan tornen.
Bescheidenheid? Angst? Hoe dan ook, ik heb toen getracht me in te leven in de geldende argumentatie en minder m’n gevoel, m’n hart laten spreken.
Maar het is blijven knagen. Ons gesloten avondmaal knaagt al jaren aan mijn geweten. Ondanks alle goede en respectabele argumenten wil het gevoel maar niet weggaan dat we mensen beoordelen en afwijzen. Nog zie ik die mevrouw daar helemaal alleen zitten tijdens een avondmaalsdienst in m’n vorige gemeente, nu al zo’n tien jaar geleden. Er werd haar geen duidelijkheid geboden. Geen nodiging en geen afhouding. Ze moest het maar raden. Gelukkig zat er een vriendelijke zuster naast haar die ter plekke het nodige uitlegde.
Achteraf bleek het een gelovige vrouw te zijn die op zoek was. Later hebben we in gesprekken met haar proberen uit te leggen waarom wij het zo doen bij het avondmaal. Ze was allervriendelijkst. Maar ze begreep het niet...
Wat gaf dat een beroerd gevoel. Na een tijdje kwam ze ook niet meer...
Is het niet onvriendelijk en ongastvrij en afstotend om gelovige broeders en zusters die misschien graag met ons de dood van de Here willen verkondigen op afstand te laten toekijken terwijl wij samen de maaltijd van de Heer gebruiken? Als het om Christus’ wil moet, dan moet het. Maar moet het wel? Als vrijwel alle kerken om ons heen het anders doen, tot en met die kerken die zo dichtbij ons staan, moet ons dat dan niet te denken geven? Ik ben ervan overtuigd dat onze argumenten voor het geldende 16 beleid doordacht, oprecht en integer zijn. Maar het is en blijft het maken van een keus in het dilemma tussen geloofseenheid en kerkelijke verdeeldheid.
Wat moet je het zwaarst laten wegen? Als de keus die wij gemaakt hebben in dat dilemma aan talloze broeders en zusters niet valt uit te leggen, zou het dan misschien toch de verkeerde keus zijn?
En dan nog een gevoelsargument : zou het onszelf niet veel meer blijdschap brengen wanneer we gasten die met ons komen tot Christus en tot het heil van harte verwelkomen? In plaats van op dat moment allerlei leeuwen en beren te zien en mitsen en maren op te werpen. Ook al weet ik dat het aan het avondmaal niet allereerst gaat om onze blijdschap maar om de hoogheid en heiligheid van Christus. Maar toch...
Is het wel goed om ten aanzien van de eigen belijdende leden een ja-tenzij te hanteren, terwijl het naar belijdende christenen die bij ons te gast zijn een ‘nee-tenzij’ is?
Tot zover De Vries. Is het toeval dat in hetzelfde nummer van De Reformatie een artikel staat over christen-asielzoekers, die - na hartelijk welkom te zijn geweest aan CG en NG Avondmaalstafels - in een Vrijgemaakte kerk tot hun grote teleurstelling ontdekten dat ze dáár niet mochten deelnemen aan de viering?