De Kloof en de Brug (2)

2002-01-11
  • Jaargang 46
  • nummer 1
De kerk is te optimistisch bezig met de overbrugging van de kloof tussen kerk en wereld, omdat ze de diepte van die kloof onderschat. Zo taxeerde ds De Jong in een eerste artikel de situatie in onze kerken. Naar zijn mening is de kerk ook te veel gericht op ‘buiten’ en schiet te kort in de aandacht voor de gemeente zelf. De Jong bepleit de toerusting van gemeenteleden tot een leven en spreken vanuit het evangelie dat prikkelend en nieuwsgierigmakend is.

Zodat ze desgevraagd verantwoording kunnen afleggen van de hoop die in hen is. In dit tweede artikel gaat het in dat kader over de zondagse verkondiging in de christelijke gemeente.
Rekenend met het feit dat de kerk in de samenleving een minderheid is geworden.

Geen kunstmiddelen
Mijn indruk is dat velen vandaag in de kerken met de brug in de weer zijn zonder dat ze zich de diepte van de kloof realiseren. Die kloof is zeer diep en breed. Wij overbruggen die niet, ook niet met onze kunstmiddelen. De evangelischen proberen het vandaag met vreugde als het grote exportmiddel van het geloof. Etaleer je vreugde in de Heer en het zal aanstekelijk werken. Zie de EO-dagen. Ik geloof het niet. Dit soort psychische bevlogenheid scoort wel even, maar het is ook zo weer over. Veel beter waren de toogdagen van vroeger met sprekers als professor Holwerda over een onderwerp als ‘De crisis van het gezag’. Als je die redevoering nu nog eens leest, dan denk je bij jezelf: Welke jeugd was dat die dit aankon?! Maar het was jeugd die op de catechisatie en de jeugdvereniging gevormd was en er daarom geen moeite mee had.
Zo'n toogdag van vroeger liet de kloof met de wereld heel duidelijk zien.
Maar tegelijk waren er uit de wereld die hierop toeliepen, uit nieuwsgierigheid voor wat daar te halen was. Nee, dat ging niet om massa’s, maar om enkelingen. Maar wel enkelingen die bleven. De kerk moet zichzelf weer serieus nemen. Kerk zijn wil niet zeggen: er voor de wereld zijn. De kerk is geen bruid van de wereld, ook niet van een mogelijk toekomstige kerk uit de wereld, maar de kerk is de bruid van Christus, vol van Hem die haar kocht met zijn bloed. Wij zijn niet pas gelukkig als anderen dit ook geloven. Wij zijn al gelukkig, al treedt verder niemand toe. Dat is de houding die de Heilige Geest nodig heeft om mensen aan de kerk toe te voegen. Mijn ervaring is dat mensen waar ik volhardend achteraan ging er niet bij kwamen, terwijl anderen alle hindernissen die er te nemen waren namen en tegen elke stroom oproeiden om bij geloof en kerk te komen.

Geheimenissen
De kerk is nu in onze na-oorlogse tijd lang genoeg met haar boodschap naar buiten getreden om op een andere tactiek over te schakelen en een afwachtende houding aan te nemen.
Toen de Here Jezus uitgepreekt was ging Hij ertoe over in gelijkenissen te spreken. Ter verklaring van deze verandering in tactiek wordt dan in het evangelie een psalm aangehaald die als volgt begint: 'Ik zal mijn mond opendoen in raadselachtig spreken, Ik zal dingen verkondigen die al sinds mensenheugenis verborgen zijn' (Psalm 78:20). Inderdaad hebben die gelijkenissen iets raadselachtigs. Wij die geloven horen dat er niet meer in, wij voelen ons zelfs geholpen door de gelijkenis om de geheimen van het koninkrijk der hemelen nader te komen en beter te begrijpen. Maar de eerste hoorders? Die hebben, stel ik me voor, elkaar aangekeken en de schouders erbij opgehaald. Ze konden er niet mee uit de voeten.
Maar er waren ook belangstellenden, discipelen onder en die vroegen: Verklaar ons de gelijkenis. En zij kregen uitleg. Weer op aanvraag dus, merkt u dat? De raadselachtige gelijkenissen stelden belangstellende hoorders in staat met een vraag te komen. Van de anderen die niet vroegen zei Jezus (opnieuw met een woord uit de profetie): 'Met het gehoor zult gij horen en het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en het geenszins opmerken.
Want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen' (Mattheüs 13:14,15 en Jesaja 6:9,10). Met dit profetenwoord licht de evangelist het spreken in gelijkenissen óók toe.
Het lijkt me een goede typering van de mensen van nu: mensen met een vet hart en dichtgesmeerde ogen en oren.

Melk
Laat de kerkdienst gerust iets pittigs hebben, iets waarvoor je je best moet doen om erbij te kunnen, wees daar niet bang voor. In de kerk zitten de mensen die gevraagd hebben naar de geheimen van het geloof. Zij moeten niet afgescheept worden met een evangelisatietoespraak, daar zijn ze niet voor gekomen. Zij hebben vragen waar serieus op ingegaan moet worden, zij moeten niet met melk, maar met vaste spijzen gevoed worden (om het in een beeldspraak te zeggen die de bijbel zelf een enkele maal gebruikt: I Corinthe 3:2; Hebreeën 5:12). Die laatste tekst over de melk, die uit Hebreeën, schrijf ik even helemaal uit omdat hij precies aangeeft wat ik bedoel. Wanneer de schrijver van de brief aan de Hebreeën zich opmaakt om een pittig onderwerp aan te snijden, zegt hij (en het is stellig niet als compliment bedoeld!): 'Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen.
Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig en geen vast spijs. Want ieder die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling.
Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad' (Hebreeën 5:11-14).

Pittige prediking
Met pittige prediking bedoel ik niet: lekker moeilijk doen, ook niet: het niveau van de intellectuelen halen en aan hun wensen voldoen. Laat ik het niet verhelen: ik heb in onze kerken de naam dat ik moeilijk ben. Ik beschouw dat niet als een compliment, integendeel, ik word er wel eens zat van. Maar opmerkelijk, die klacht heb ik meer van intellectuelen gehoord dan van niet-academisch gevormden.
De laatsten gingen niet zelden het gesprek met mij aan over wat ik te berde had gebracht en hun bijdrage was van niveau. Van de eersten daarentegen zeg ik dat intellectuele vorming geen garantie is voor geestelijk onderscheiden. Er zitten veel melkklantjes onder de geletterden. Pittige prediking is nodig omdat onze tijd niet eenvoudig is en er veel onderscheiding vereist wordt om te begrijpen wat er vandaag aan de hand is.
In de wereld om ons heen lijken 'de jaren des onderscheids' voorbij, er is weinig oordeelsvermogen. Laat dat van de kerk niet gezegd kunnen worden.
Zij heeft die ene dag van de week (ik bedoel de zondag) meer dan nodig om haar leden toe te rusten, niet met allerlei informatie (we worden dood gegooid met informatie), maar met gewetensvorming en geestelijk onderscheidingsvermogen. Dan zullen wij ook in staat zijn degenen uit de wereld die zich met vragen tot ons wenden te woord te staan. Het gaat er niet om dat we ons afzonderen van de wereld, maar juist dat we iets te bieden hebben aan diegenen uit de wereld die bij de kerk aankloppen.
Iets te bieden namelijk waar we zelf ook mee geholpen zijn.

En toch!
Het verschil tussen kerk en wereld is niet dat de kerk blij is en de wereld somber en verdrietig. Ik durf zelfs de stelling aan dat de gelovige meer verdriet kent dan de niet-gelovige.
Omdat hij voor minder zaken de ogen sluit. Omdat hij de nood van de schepping meer aan zich toelaat. Iemand uit de wereld die ik heb mogen begeleiden naar het geloof zei eens tegen mij: Weet u, dominee, dat het leven voor mij moeilijker geworden is, sinds ik tot geloof ben gekomen? Dat lijkt contra-reclame, maar de bedoeling was: Ik zie nu meer, ik merk nu aan hoeveel ik voorbij geleefd heb. Zeker, tegenover die toegenomen moeite stond de vreugde van het geloof, maar ook die vreugde was weer een geloofsgeheimenis: blij, tóch blij, - zoiets.
Dat woordje toch (nochtans, zeiden ze vroeger) moest er wel bij. Daarom kan vreugde ons exportartikel niet zijn.
Daar wekken we verkeerde verwachtingen mee.
Het geloof, moeten we beseffen, is een geheim. Vandaar zopas dat woordje toch. Om dat toch, dat 'nochtans des geloofs', gaat het me nu. Dat woordje duidt de diepe kloof aan tussen kerk en wereld. Een kloof die alleen de Heilige Geest kan overbruggen. Hij is de Pontifex maximus, de grote bruggenbouwer, die mensen over die kloof weet heen te zetten. Dit betekent niet dat we met bidden om de Heilige Geest wel kunnen volstaan. Er is zeker ook voor ons werk aan de winkel om die kloof te overbruggen. Maar dan wel op de wijze van de Geest. Met inachtneming van wat Paulus geschreven heeft: 'Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. Doch de ongeestelijke mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is' (1 Corinthe 2:13,14).

Geestestaal
'Het geestelijke met het geestelijke vergelijken', dat betekent zoveel als dat niet elke taal geschikt is om wat het evangelie ons boodschapt door te geven. We moeten ons wachten voor al te platte zegswijzen en al te ruwe beelden. Gebruiken we die dan is ook dat weer een blijk van een te klein geloof in de Heilige Geest. We denken het dan met onze grove taal verder te brengen dan de Geest met zijn geestestaal die geënt is op de bijbel.
Het is eigenlijk verbazend dat een tijd die zegt de Heilige Geest ontdekt te hebben zo weinig vertrouwen in de Geest heeft. Sprekend over ‘Kloof en Brug’ herhaal ik daarom nog eens waarmee ik ook begonnen ben: Over die kloof moeten wij niet te gering denken en van de Geest die die kloof overbrugt moeten wij niet te klein geloven.
Het is vanuit het geloof in de Heilige Geest dat wij de diepte van de kloof niet behoeven te verbloemen noch behoeven te vrezen. Hij trekt ook vandaag wie Hij wil over die kloof heen.

Minderheid
En dan ook dit punt: Wij moeten klein durven te zijn. Ik denk hierbij aan de Joodse synagoge die eeuwenlang in ons midden minderheid is geweest. En ik houd haar nu als voorbeeld aan ons voor. Tegenwoordig is de Joodse religie algemeen gerespecteerd, maar dat was vroeger veel minder het geval. Dat heeft niet verhinderd dat de Joodse minderheid op voorbeeldige wijze haar identiteit bewaarde en trots was op haar geloof, al werd dat ook door de grote meerderheid verworpen. Klein zijn heeft niet enkel nadelen. Je wordt voortdurend bepaald bij je identiteit omdat daarnaar gevraagd wordt en je je daarover moet verantwoorden en verdedigen. De grote manifestaties, zoals de EO-dagen, ervaar ik wel eens als een ontkenning van het feit dat we een kleine minderheid geworden zijn, een niet accepteren. Maar we zullen het moeten aanvaarden. We behoren ons daarnaar te gedragen en niet boven onze stand te leven. God kan ons ook als minderheid gebruiken voor zijn doel, misschien nog wel zo goed als wanneer we een vage massaliteit voorstellen.

Ondanks verdeeldheid
Ook het bij elkaar vegen van kleine kerken kan diezelfde wortel van ongenoegen hebben. Dat we niet aanvaarden dat vorige geslachten de eenheid verspeeld hebben. 'Wij zouden het er beter hebben afgebracht!', hoor je de christenen van vandaag denken. Zou het? Als ik zie hoe slordig christenen van één en dezelfde kerk met elkaar omgaan en het uiteengaan van broeders welbewust riskeren, dan ben ik daar niet van overtuigd. We zitten met die verdeeldheid en moeten maar proberen er de goede kanten van te zien (want die zijn er ook).
Natuurlijk remt dat mensen om tot kerk en geloof toe te treden, maar er zijn er ook die er mild over oordelen en zich daardoor van toetreding niet laten afhouden. Ook wel omdat ze zien dat er door die verdeeldheid heen wel degelijk eenheid van geloof is. We moeten de verdeeldheid van de kerk niet dramatisch overdrijven. Laten we er maar de lering uit trekken dat wijzelf zuinig met de broederschap omgaan, zodat het onze schuld niet is als er nòg meer kerken bijkomen.

Kracht van het evangelie
Ook hier komen we dus weer bij die naar binnen gerichte aandacht uit. Ja, maar al die mensen die verloren dreigen te gaan dan? Moeten die niet met luider stem geroepen worden?
Moeten we daarvoor niet naar buiten gaan? Mijn antwoord daarop is: Wanneer de kerk duidelijk is in haar prediking, dan gebeurt het vanzelf dat de boodschap van het evangelie in de wereld bekend raakt en blijft.
En dan zullen er zeer velen zijn die zich op het eind van hun leven dat evangelie herinneren en erin gaan geloven. Buiten ons om, zonder dat de kerk daar weet van heeft en vet van wordt. Maar dat hoeft ook niet.
Als wij maar trouw zijn in de prediking naar binnen toe en in het persoonlijke en kerkelijke getuigenis aan ieder die daarnaar vraagt. Waar haalde de moordenaar aan het kruis het vandaan dat hij, toen de nood aan de man kwam, zich in de armen van de Heiland wierp? Van thuis? Van de juf op school? Ik ben echt optimistisch over het aantal van degenen die behouden worden. En dat niet omdat ik in een algemene verzoening geloof, maar omdat het evangelie dat in de kerk geloofd en beleden wordt, niet tot zwijgen te brengen is. De Heilige Geest werkt met het evangelie, ook buiten de kerk. Ook zonder dat de kerk het hier op aarde ooit zal merken.

(Lezing gehouden voor l’Abri op 30 juni 2001)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief