Ons Seminarie en de theologie

2002-01-11
  • Jaargang 46
  • nummer 1
Het sympathiek gestelde artikel van Ds Smouter over het Nederlands Gereformeerd Seminarie was in plezierige zin verrassend voor mij. Hij schreef namelijk dat hij met zijn artikel het gesprek over de huidige problematiek rondom het Seminarie wilde bevorderen en – zelf voorzitter van de Redactie van Opbouw – deelde hij mee dat de redactie open staat voor reacties.

Nu zou ik zelf alleen al, afgezien dus van de eigen mensen van het Seminarie, heel wat reacties kunnen schrijven over de genoemde problematiek, maar ik moet mij hoofdzakelijk beperken tot één centraal punt en dat nog zeer beknopt vergeleken bij wat er over te zeggen zou zijn. Ds Smouter duidde zelf de kernkwestie bij het Seminarie aldus aan: bij de opleiding tot predikanten ‘moet de Bijbel centraal staan en mag de theologie niet heersen over de Schrift…’. Hij eindigt zijn basisinformatie dan met de ‘belangrijke vraag’ of ze dit ‘in Apeldoorn, in Kampen en op de TSB over het hoofd zien’.

Er zit veel meer achter
Naar mijn mening is de kwestie op deze manier reusachtig en suggestief versimpeld.
Natuurlijk zal niemand van de TSB, of van de docenten in Apeldoorn of Kampen, het geciteerde tegenspreken.
Maar wij hebben allemaal te maken, en in vele opzichten ook nog onbewust, met een cultuurtrek die ongeveer 2500 jaar oud is. Het is een sciëntistische (d.w.z. wetenschap verafgodende) geesteshouding waar niemand van ons (even afgezien van sommige allochtonen bij ons) zich zomaar aan kan onttrekken. Ik bedoel een geesteshouding, een leef- en denkhouding die ook onze orthodoxe theologie doortrekt, ook onze kerken en alle wetenschappen, een fors deel van onze litteratuur, een flink deel van onze economie, van ons onderwijs, enz., kortom onze hele ‘cultuur’.

De geschiedenis herhaalt zich
We beleven tegenwoordig voor de zoveelste keer in de Westerse cultuurgeschiedenis de actualiteit van het probleem inzake de verhouding tussen praktische en theoretische kennis, ook in de sector van het geloofs- en kerkelijk leven. Onze predikanten weten van de grote spanning in de Middeleeuwen tussen ‘scholastiek en mystiek’. Men weet ook dat dit niet altijd strijd gaf, maar meestal werd en wordt nog steeds de oplossing gezocht in een ‘evenwichtig samengaan’ van beide. Bestreden werd vaak alleen de eventuele ‘eenzijdigheid’ of het langs elkaar heenleven van theologie en mystiek. Zeer onlangs pleitte een chr.geref. hoogleraar in het Nederlands Dagblad ook weer (in de geest van Voetius) voor de wederzijdse aanvulling van ‘wetenschap en vroomheid’ en een andere hoogleraar, ook uit ‘Apeldoorn’, had er geen enkel bezwaar tegen om bijbelschrijvers als Paulus en Johannes theologen te noemen.
Beide voorbeelden passen inderdaad naadloos in onze geseculariseerde Westerse cultuur.
De actualiteit leeft periodiek sterk op.
Toen de universiteiten werden opgericht in de 12e en 13e eeuw werden er decennia lang colleges gegeven over de enorme en ingewikkelde problematiek van de verhouding tussen geloof en wetenschappelijke theologie. Maar dat droogde na twee eeuwen allengs op. Later, gedurende anderhalve eeuw ‘gereformeerde orthodoxie’, moest de gereformeerde en Lutherse orthodoxe theologie nodig aangevuld worden met puritanisme, piëtisme, ‘nadere Reformatie’, e.d. (vgl. de aristotelicus Voetius in zijn inaugurele: ‘sciëntia cum pietate cunjugenda’).
Vergelijkbaar is binnen het humanisme de reactionaire ‘aanvulling’ van Verlichting met Romantiek.
In onze tijd is dit probleem opnieuw levend geworden. Onze seminarieproblemen zijn er een voorbeeld van, en bepaald niet zij alleen. Vgl. ook de angst van de vrijgemaakte Reformanda-theologen voor de trend onder hun ambtsbroeders die aanpappen met evangelischen en/of met de mystieke vleugels van de christelijke gereformeerden.

Ook in het buitenland
In Duitsland bestaat er al ongeveer twee of drie decennia een herleving van deze discussie. Tal van boeken en artikelen in theologische tijdschriften gaan er over, ook in katholieke kring.
Uit laatstgenoemde kring noem ik alleen maar de feestbundel voor bisschop Walter Kasper: ‘Dogma und Glaube.
Bausteine für eine theologische Erkenntnislehre’ (1993). De lutherse en bekende Erlanger dogmaticus Prof. F. Mildenberger schreef in diezelfde tijd een driedelige dogmatiek (‘Biblische Dogmatik’) die geheel doortrokken is van de onderscheiding tussen theologie en ‘Einfache Gottesrede’. De titel van het inleidend hoofdstuk luidt ‘Het eenvoudige spreken over God als vooronderstelling en doel van wetenschappelijke theologie’. De enthousiaste auteur werd door die onderscheiding diep geïnspireerd en beschouwde deze ‘vondst’ met (m.i. net iets te veel) nadruk als een vinding van hemzelf.

De jaren dertig
In Nederland speelde dit probleem al uitdrukkelijk mee in de kerkelijke onrust in de jaren dertig. Prof. Vollenhoven werd toen al door leden van de theologische faculteit bij de bestuurlijke instanties van de VU aangeklaagd wegens ‘afwijking van de belijdenis’, omdat hij bezwaren had tegen een punt in de traditioneel-gereformeerde theologie, nl. dat Christus een ‘onpersoonlijke menselijke natuur’ zou hebben, althans geen eigen menselijke persoonlijkheid in de menselijke ‘natuur’.
Terwijl dat n.b. nergens in de belijdenis te vinden is! Maar de aanklagers konden niet goed onderscheiden tussen geloof(sbelijdenis) en eigen (min of meer traditionele) theologie, met een ingebouwde platonische antropologie.

Nu ook in de Hervormde kerk
Ook in Hervormd Gereformeerde theologenkring is sinds nog maar ruim een jaar deze zaak een ‘hot item’.
Prof.Graafland schreef en sprak namelijk over bepaalde zaken en dat bracht enerzijds grote beroering in zijn kring van medetheologen, anderzijds werd geprobeerd hem dood te zwijgen, en zelfs ook klachten over afwijking van de belijdenis werden hem niet bespaard.
Hij heeft zijn bedoelingen een dezer dagen in een nieuw boek breder uit de doeken gedaan. De titel is: ‘Bijbels en daarom gereformeerd’. De goede essentie van dat hele boek, maar met name van de eerste zes hoofdstukken, is weer deze, dat er een principieel verschil is en ook daadwerkelijk in rekening moet worden gebracht, tussen het geloofsbelijden vanuit de Schrift en wat de theologie daarvan verwerkt heeft in dogma en vooral dogmatiek (met sterke doorwerking in de exegese!).
Deze goede essentie is m.i. ook weer aan de (chr.geref.) recensent in het Nederlands Dagblad grotendeels ontgaan.

Religieus-neutrale 'denkvormen'
Mede door de enorme concentratie van de gereformeerde theologen in de jaren veertig en de eerste decennia daarna op de kerkelijke vrijmaking, is aan de meesten van hen de reformatorische doorbraak naar een werkelijk christelijke filosofie, inclusief kennisen wetenschapsleer, voorbij gegaan.
Daardoor is er bij hen, evenals uit de macht der traditie in de gehele gereformeerde gezindte, bij de theologen geen bewustzijn ontstaan van onze enorme traditionele verwevenheid met de niet-christelijke (vaak filosofisch gevormde) denkpatronen van onze cultuur.
Er werd, evenals in het moderne humanisme van uitgegaan dat ‘denkvormen’ (‘vormen’!) als zodanig slechts aan mode onderhevige neutrale en inhoudloze denk-‘instrumenten’ zouden zijn, gereedschap dat je kunt inwisselen en moet inwisselen als je met je eigen tijd wilt meegaan en verstaanbaar wilt spreken voor de jongere generatie. We vinden dat ook nog bij Graafland, bij gebrek aan een filosofisch alternatief tegenover de door hem scherp onderkende verkeerde niet-christelijke filosofie in confessie en theologie. ‘Alleen de Schrift’ is echter een uitstekende geloofsbelijdenis tegenover allerlei geloofsdwaling, maar niet tegenover de wetenschap, ook niet tegenover onjuiste theologie.

Een moeilijk probleem
Nu is één van de serieuze problemen inzake het Nederlands Gereformeerd Seminarie m.i. deze, dat het gewoon erg moeilijk is, d.w.z. wetenschappelijk voor beginners nogal ingewikkeld, om van een goede (principieel altijd kosmologisch en antropologisch gefundeerde) theorie inzake kennis en wetenschap en hun onderlinge relatie, een duidelijk beeld te geven en dat toe te passen op de relatie tussen geloof(skennis) en theologie. Moeilijk, met name voor die leidende theologen die zeggen ‘geen antenne te hebben voor filosofie’, d.w.z. die de grondslagen en structuur van hun eigen wetenschap niet hebben leren kennen.
Dat is hun in zoverre niet kwalijk te nemen, dat onze voorgeslachten ons als vanzelfsprekend bijgebracht hebben, dat filosofie een pure verstandskwestie is (een zaak van de ‘natuur’), maar dat theologie een geloofszaak is (een zaak van de ‘genade’). Zelf heb ik o.a. in Kampen theologie gestudeerd.
Nooit zal ik vergeten dat ik als aankomend student, bij Prof. Schilder mijn eerste college filosofie bijwoonde. Hij gaf duidelijk te kennen dat hij het niet eens was met zijn leeropdracht, die nadrukkelijk inhield dat hij geen filosofie mocht doceren, maar alleen geschiedenis van de filosofie. De gangbare gedachte in gereformeerde kring was (en is) immers dat je als theoloog de geschiedenis van de filosofie moest kennen om de dwalingen in de theologie te kunnen herkennen wat betreft hun oorsprong. In plaats daarvan moest je geen eigen christelijke filosofie ontwikkelen, maar je moest je houden ‘alleen bij de Schrift’, d.w.z. bij de theologie zelf. Want theologie zou een geloofszaak zijn met als enige legitieme bron de Schrift en als inhoud het ‘naspreken’ van de Schrift, en filosofie zou puur een zaak van het natuurlijk menselijk verstand zijn. Schilder paste zich daar met duidelijk uitgesproken tegenzin bij aan. Noodgedwongen.

Kerkelijke scheuringen blijven dreigen
Overigens is algemeen bekend dat de kerkelijke scheuringen binnen de gereformeerde en de Lutherse gezindte voor een groot deel hun oorsprong hebben in het vereenzelvigen van eigen theologie met de Schrift of met de confessie. ‘In strijd met de belijdenis’ ligt veel theologen voor in de mond, zelfs in zaken waarover de belijdenis niets uitdrukkelijk zegt. Maar in de middeleeuwse scholastiek leerde men al (en Schilder zei dat nog na), dat een uitspraak die zuiver en goed logisch is afgeleid uit de bijbel evenzeer waar is als de bijbel zelf. Dat wordt ook toegepast op de kerkelijke confessies en vandaar het niet meer kunnen relativeren van theologische geschillen ten opzichte van de Schrift en het gelovig belijden van de daarin geopenbaarde waarheid. Met alle gevolgen voor de kerkelijke eenheid. Dat wreekt zich vooral ook in de kwesties inzake de theologische leer over de inspiratie en ‘onfeilbaarheid’ van de Schrift. Echter, Gods Woord is wel onfeilbaar, maar de theologische theorieën daarover niet.
In de kring van het Nederlands Gereformeerd Seminarie, waaraan ik ook drie jaren mocht doceren, is er die kostbare openheid voor het relatieve en andersoortige van de theologie, vergeleken met de levende woorden van de Schrift zelf en de levende belijdenis daarvan, ook in soms gebrekkig geformuleerde belijdenisschriften.
Daarom zou ik zeggen: onze Nederlands Gereformeerde Kerken moeten dit nu nog kleinschalig georganiseerde reformatorisch-theologische beginsel niet meer prijsgeven, voordat er duidelijke symptomen zijn dat in ‘Apeldoorn, Kampen en de TSB’ ook het inzicht verheldert inzake het principiële verschil dat hier in geding is.
Het verschil namelijk tussen de voor predikanten onmisbare en liefst omvangrijke praktische geloofskennis van de Schrift en de theoretische theologie, hoe gewenst laatstgenoemde in de twintigste eeuw ook is bij de opleiding tot predikant. Dit verschil tussen onmisbaar en gewenst is in de gereformeerde traditie meestal intuïtief erkend, getuige de vroegere ‘dominee’s op artikel 8’, als uitzondering op de regel. Men kan ook denken aan de kerkelijke examens, voorzover zij niet ontaard zijn tot armzalige doublure’s van de academische examens.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief