In memoriam: ds Henk Smit
2002-01-11
Ver van huis bereikte mij het bericht dat mijn beste vriend, ds Henk Smit, is overleden. Inderdaad mijn beste vriend. ‘De twee Henken’, zo spraken anderen wel over ons. En zoals dat tussen vrienden gaat, je bent voortdurend met elkaar in gesprek, ook als je de ander niet spreekt. Alsof één geest in je beiden woont. Wat de Heilige Geest betreft ís dat tussen christenen ook zo, maar wanneer die christenen dan ook nog vrienden zijn, is er van die Geesteseenheid ook zoiets als een weerschijn op het puur menselijke vlak. Zo was het geloof ik ook tussen ons. Men mag van mij wel weten dat ik met het wegvallen van Henk Smit een groot verlies lijd. Ik ben mijn ‘maatje’ kwijt en dat is een geweldig understatement.- Jaargang 46
- nummer 1
Henk Smit was na het gymnasium wiskunde gaan studeren. Na een jaar kwam de ommezwaai naar de theologie. En dat bepaald niet omdat het met de wiskunde niet ging. Het was een echte keus: niet dit maar dat, niet de abstracte en theoretische studie van getal en maat maar de theologie die de praktijk van het geloofsleven bedoelt te dienen. Het was een radicale keus.
Bijzonder heb ik het altijd gevonden dat hij dat zeer grote verstand van hem restloos investeerde in de ‘gewone’ dingen van het predikantschap: het maken van de preek, het onderwijs in de Schriften en het pastoraat. Van zijn preken kan hetzelfde gezegd worden als wat destijds van professor Jager bekend was: een combinatie van eenvoud en diepte. En wat wist hij in het pastoraat moeilijke en ingewikkelde situaties goed in te schatten! Wat een wijsheid! Ook beschikbaar voor collega’s die om advies vroegen. Verstand en wijsheid gaan niet altijd samen, maar bij Henk Smit waren ze op een gelukkige wijze verenigd.
Hoe hebben ook veel lezers van ons blad van zijn heldere en weldoordachte meditaties en artikelen genoten!
Hij was geen veelschrijver, maar wat hij aan het papier toevertrouwde was beproefd en gerijpt.
Maar zijn grootste charme was toch zijn bescheidenheid.
Een bescheidenheid waar hijzelf verlegen mee was en die hij daarom verborg achter een snaakse humor.
Als hij zo eens geprezen werd boorde hij dat met een of andere snedige grol finaal in de grond. Zo leidde hij de aandacht af, van zichzelf en van wat over hem gezegd werd. Zijn relativeringsvermogen was zeer groot. In het boek ‘Pieter Bas’ van Godfried Bomans (van wie hij een groot bewonderaar was) komt een bladzij voor waarop een gefingeerde brief staat afgedrukt die een oom van Pieter hem stuurde. Daarin komt deze zin voor: ‘Doe maar goed je best, het is toch’ – waarbij die laatste woorden ‘het is toch’ doorgestreept zijn. Ik heb Henk dat zinnetje meermalen horen gebruiken om het betrekkelijke van onze inspanningen te onderstrepen. Hij lachte er dan goedmoedig bij en verzuimde niet die pikante doorhaling met een krachtige armzwaai na te bootsen.
Henk Smit was bij zijn vrienden bekend om zijn humor. Zijn geestigheden waren zo meesterlijk dat hij een winstgevend toeleveringsbedrijfje voor de grote conferenciers van onze tijd had kunnen opzetten. ‘Dat zou een goeie voor Wim Kan geweest zijn’, dacht ik vaak en zei ik soms. Het opmerkelijke was evenwel dat je daarvan niets terughoorde in zijn preken. Hij was kennelijk bang dat hij daarmee teveel van zichzelf in zijn boodschap zou stoppen.
Later werd hij daar wel iets soepeler in en zag hij in dat ook in het Koninkrijk der hemelen ieder vogeltje mag zingen zoals het gebekt is. Maar het is er wel een voorbeeld van, hoe je bij hem steeds stuitte op niet aan de oppervlakte liggende fijnzinnigheden die aangaven hoe diep zijn innerlijke beschaving reikte.
Drs Smit was een begaafd dogmaticus en zijn grootste interesse ging uit naar het eigenlijke van de theologie: de Gods-leer, waar ook zijn doctoraalscriptie aan de VU over ging. De transcendentie en de condescendentie van de Here God: Hoe Hij alles en iedereen overstijgt en hoe Hij toch tot ons afdaalt en met ons lot bewogen is.
Hoe zuiver wist hij wat ons geopenbaard is onder woorden te brengen en wat geheim is geheim te laten! Als hij over zulke dingen het werk van anderen besprak viel het op hoe volstrekt zakelijk hij was en hoe hij niemand vastpinde op een beeld dat al van hem of haar bestond. De grootste ketter (om zo te zeggen) kon rekenen op een faire behandeling. ‘We zullen hem niet meer onrecht doen dan strikt noodzakelijk is’, citeerde hij dan een ongelukkige zin van één van zijn hoogleraren – waarmee hij ook die fairheid van hem weer relativeerde en in zelfspot onderuit haalde.
Lange jaren hebben ds Smit, ds Mooiweer en ik de TSB geleid. We vormden een hecht driemanschap dat, ieder vanuit de eigen discipline, met de studenten de roerige jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw hebben getracht te verwerken (waarvoor trouwens de rest van die eeuw niet toereikend bleek). Vaak hebben we daarbij genoten van de diepe inzichten in de Schriftopenbaring waarmee hij ons verraste. Vooral bij de tekstbehandeling op het preekcollege was hij sterk.
Hij was dan ons aller leermeester die liet zien dat de Schrift onze tijd met gemak ‘haalt’. Hij hield intussen bij alle theologische zaken die ons bezig hielden voldoende tijd en energie over om zich in de persoonlijke levensomstandigheden van zijn studenten te verdiepen en hen met goede adviezen te dienen.
Henk Smit heeft in zijn gezinsleven, samen met zijn Weimy die hij zo hoog had, moeilijke en verdrietige dingen te verwerken gekregen. Drie van zijn kinderen zijn verstandelijk gehandicapt.
Het behoorde niet tot zijn natuur dat je hem daarover hoorde. Hij wilde daar anderen niet mee belasten. Ontroerend heb ik het gevonden, toen ik eens met hem naar Den Helder was meegegaan, hoe hij hand in hand met deze jongens van hem over het terrein van hun Huis wandelde. Zo … nederig, dat is het beeld dat me daarvan is bijgebleven.
De lezer ziet mij vanwege die puntjes aarzelen bij het woord ‘nederig’, want er bestaat een soort nederigheid die je aan dat woord een grote hekel doet krijgen. En toch, het woord is hier op z’n plaats. Je zag hoe hij met deze misdeelde kinderen van hem op een natuurlijke wijze op dezelf de vloer stond, zo totaal vreemd aan iedere vorm van neerbuigendheid of gelegenheidssolidariteit.
Ds Smit was een predikant met een duidelijke overcapaciteit.
Menselijkerwijs gesproken had hij het in zijn leven verder kunnen brengen.
Wat een eer voor Christus’ gemeente wanneer mensen zoals hij, met zoveel gaven en talenten, voor de pastorie kiezen en op deze manier ‘Sion verheffen tot het hoogste van hun vreugde’ (Psalm 137 : 6)! Hoog getalenteerde jongelui onder ons zouden zich eens af moeten vragen of dit misschien ook iets voor hén is. Niet dat nu het hele predikantenkorps uit bollebozen zou moeten bestaan, maar af en toe moeten er van dat slag wel tussendoor lopen.. Hoe dat verder ook zij, wij zijn de Here God dank verschuldigd dat Hij ons met zo’n begaafd en wijs mens gezegend heeft.
‘Heb dank, o God van alle leven …’ (Gezang 330 : 1).