Douma houdt woord
2002-02-08
Hij had het aangekondigd, en nu heeft hij het ook metterdaad gedaan: professor J. Douma heeft zich per brief gericht tot de eerstkomende generale synode van de Gereformeerd Vrijgemaakte kerken, met het verzoek om te komen tot een schuldbelijdenis m.b.t. de fouten die van Vrijgemaakte kant gemaakt zijn rond de scheuring in de zestiger jaren. In deze Persschouw (die daarmee voor één keer een Internetschouw wordt) neem ik een aantal passages over uit de brief van Douma.- Jaargang 46
- nummer 3
Eerst uit het begin van de brief: Wij leven nu ruim vijfendertig jaar nadat de breuk zich voltrok. Er is in die periode veel nagedacht over de oorzaken die tot de breuk van 1967 hebben geleid.
We hebben sindsdien als kerken ook een eigen ontwikkeling met duidelijke veranderingen doorgemaakt.
Dat brengt mij ertoe u te vragen om op synodaal niveau tot een herbezinning te komen inzake de gebeurtenissen rond 1967. Mijn verzoek wil ik toelichten, om aan te tonen dat er inderdaad goede redenen zijn voor zo'n herbezinning.
Daarbij beperk ik mij tot wat stellig het belangrijkste punt is: de Open Brief van 31 oktober 1966, die de directe aanleiding tot de scheuring in de daarop volgende jaren is geworden. Van deze Open Brief, ondertekend door ruim twintig predikanten, sprak de generale synode van Amersfoort-West 1967 immers uit, dat de inhoud ervan de gereformeerde belijdenis disputabel stelde. Anders gezegd, een predikant die bij zijn ambtsaanvaarding de drie formulieren van eenheid had ondertekend en op die wijze zijn instemming had betuigd met de gereformeerde leer, zou door het enkele feit van zijn ondertekening van de Open Brief deze "waarachtige en volkomen leer der zaligheid" in twijfel hebben getrokken.
Er was nog een tweede punt dat de generale synode als aantasting van de leer beschouwde. Zij oordeelde dat de artikelen 27-29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de Open Brief niet werden nagesproken waar het de vrijmaking van 1944 betrof.
Vervolgens gaat Douma op beide genoemde punten in. Beide komen hem nu voor als onvoldoende gefundeerd.
Over het eerste, het vermeende disputabel stellen van de belijdenis, schrijft hij o.a.: Er moet ons iets opvallen, als wij in het huidige, mildere klimaat van oordelen en veroordelen terugzien op wat er in en na 1967 gebeurd is. Er was alle reden om bij de ondertekenaars van de Open Brief navraag te doen inzake onduidelijkheden binnen de bewuste passage over de confessie.
() Op de generale synode van Amersfoort-West is het echter zo niet toegegaan.
Ds Schoep werd als afgevaardigde van de particuliere synode Noord-Holland niet toegelaten, nadat de synode, zonder enige vorm van hoor en wederhoor, tot het oordeel kwam dat (ook) deze ondertekenaar van de Open Brief de hoofdsom van de waarachtige en volkomen leer der zaligheid in twijfel trok. () De synode had kunnen zeggen: wij hebben grote moeite met wat (ook) u in de Open Brief geschreven hebt; wij menen dat u de gereformeerde confessie in twijfel trekt met uw zin over de fundamenten van de kerk; wat is daarop uw antwoord? () Maar men oordeelde het niet nodig verduidelijking te ontvangen in een zaak, die naar eigen overtuiging zo klaar als kristal was.
In dit verband meldt Douma tot twee maal toe twijfel met betrekking tot de vraag of hier sprake was van een goede rechtsgang.
Dan het tweede punt: in de Open Brief werd het "vrijmakingsgeloof"
afgewezen. Douma citeert in dat verband een uitspraak van de synode uit 1967: "Wie weigert een door de Here gewerkte reformatie te zien als schriftuurlijk-confessioneel bepaald, neemt tegenover dat geschenk een niet gehoorzame houding aan". En hij vervolgt: Dat is een verregaande uitspraak, die ertoe zou moeten leiden dat allen de vrijmaking behoren op te vatten als een zich afscheiden van de valse (synodaal-gereformeerde) kerk en een zich voegen bij de ware (vrijgemaaktgereformeerde) kerk in Nederland.
Deze eis is vroeger nimmer gesteld. () De tijd die er sinds 1967 is verlopen, heeft m.i. ook duidelijk gemaakt dat de Open Brief terecht kritische opmerkingen kon maken over het zgn. 'vrijmakingsgeloof'.
() Dat de Open Brief zich buitengewoon negatief over het vrijmakingsgeloof uitliet en dat geloof ‘religieus zeer gevaarlijk’ noemde, kan ons pijnlijk treffen. () Maar de eerlijkheid gebiedt om toe te geven dat er in 1967 grond was voor de bestrijding van het zgn.
vrijmakingsgeloof. En wie vandaag geen moeite heeft om b.v. politiek samen te werken met christenen buiten de vrijgemaakt-gereformeerde kerken, zal in zijn of haar bezinning op de Open Brief inzake de vrijmaking van 1944 genuanceerder oordelen dan de synode van Amersfoort-West dat deed.
Het mag duidelijk zijn dat wat Douma hier naar voren brengt ons benieuwd doet uitzien naar het vervolg.
Enigszins verbaasd - om daarmee te eindigen - heb ik mij over één zinsnede van Douma: Op grond van de Open Brief had het niemand moeten verwonderen wanneer alle ondertekenaars zich hadden aangesloten bij de Gereformeerde Kerken (synodaal).
Het lijkt mij, dat juist het feit dat de meeste ondertekenaars deze stap niet hebben gedaan (en in het verlengde daarvan het simpele bestaan van de Nederlands Gereformeerde kerken) een evidente weerlegging is van deze gedachte en van deze interpretatie van de Open Brief. Van meet af was ‘synodaal-worden’ niet het doel. Verderop in zijn brief gaat Douma daar wel op in, maar ook dan lijkt het meer in beeld te komen als een onbegrijpelijke - zij het gelukkige - inconsequentie, dan als een teken van eigen ongelijk.