Wie het jatten kan, jatte het!
2006-06-23
Onlangs was er in de kerkelijke pers sprake van enig rumoer rondom het feit dat een predikant plagiaat zou hebben gepleegd. In het oktobernummer van het tijdschrift Kontekstueel was zonder bronvermelding een meditatie overgenomen van collega Gerrit Zwarts uit Breukelen, dat hij in 2003 in Opbouw had gepubliceerd. Deze gebeurtenis bracht mij in herinnering, dat ik ooit aan het begin van mijn optreden als begeleider bij de TSB hierover iets aan aanstaande predikanten heb meegegeven m.b.t. plagiaat in de prediking. Toen ik dat overlas leek het me de moeite waard om dat nu in breder kring te ventileren.- Jaargang 50
- nummer 13
Plagiaat is een term uit de wereld van de kunst. Ik las als definitie: ‘Letterdiefstal, het zonder vermelden van herkomst overnemen der schriftelijke arbeid van een ander; is vaak tevens inbreuk op het auteursrecht.’ In deze omschrijving is vooral de letterkunde in beeld. Maar ook in de wereld van de muziek is er sprake van. Ik las het verhaal van een muziekrecensent voor een Duitse krant uit de negentiende eeuw, die tijdens een uitvoering van een symfonie van Mahler regelmatig zijn hoed afnam. Op de vraag waarom hij dat deed antwoordde hij: ‘Ik groet alle bekenden, die ik voorbij hoor komen!’ Dit was zijn demonstratieve kritiek op de vele citaten uit het werk van anderen, die Mahler in zijn composities verwerkte.
Kunst of ambacht
Uit de houding van deze Duitse recensent spreekt duidelijk een bepaalde geest. Kunst behoort origineel te zijn.
De kunstenaar behoort schepper te zijn, onmiddellijk geïnspireerd door de muze. Dat is de ware creativiteit.
En de muziek, die zo gecreëerd wordt, behoort in wezen aan de schepper ervan – de componist. Hij heeft daarop het alleenrecht van de auteur. Deze kunstopvatting is typisch 19e-eeuws. In de eeuwen daarvoor was kunst meer een ambacht. Componeren was een vak, dat men onder de knie kon krijgen door als leerling de composities van anderen noot voor noot over te schrijven en zo zich eigen te maken. In de 19e eeuw was hèt bewijs van genialiteit het scheppen van iets nieuws. In de tijd daarvóór was herkenning en erkenning van het ware en schone van hoger belang, zowel van de oorsprong alsook tot de bepaalde vormen die anderen daaraan gaven. Ergens vloeide een muziekbron. Maar als iemand de gave had om die muziek in een compositie weer te geven, maakte dat die muziek allerminst tot zijn onvervreemdbaar bezit. Hij mocht slechts doorgeven wat hij zelf ook maar ontvangen had. Voor auteursrechten is in deze gedachtegang geen plaats.
Originaliteit
Van de muziek naar de prediking. Welke houding past de prediker? Die van de 19e-eeuwse kunstenaar met een grote K, de man of vrouw van grote oorspronkelijkheid? Of die van de 17e-eeuwse ambachtsman, die zijn vak goed beheerst en zich terdege op de hoogte stelt van wat anderen presteerden en daarvan in zijn eigen werk blijk geeft? Met andere woorden: is een preek pas goed als het grotendeels de originele gedachten van de prediker bevat? Of mag hij ook aan de slag met wat anderen over de gekozen tekst schreven? Van Abraham Kuyper wordt verteld, dat hij ooit aan een student op preekcollege vroeg hoeveel van de preek van hem zelf was. De student antwoordde met enige bescheiden trots: ‘90%, professor!’ Kuyper reageerde: ‘Geweldig!
Ik zelf bracht het nooit verder gebracht 10%!’ Deze anekdote mag predikers bemoedigen dat ze niet alles van zichzelf hoeven hebben. Waarom niet je winst doen met wat anderen over het Woord van God hebben gezegd? Dat Woord is een rijk vloeiende bron, waar al zoveel anderen uit geput hebben. Maar voor niemand is wat hij uit de Bron putte zijn onvervreemdbaar eigendom.
Citeren?
Maar moet je dan niet altijd citeren met bronvermelding? Dat lijkt me niet aan te bevelen. Allereerst kan het een wat snobistische indruk maken als je je preken lardeert met opmerkingen als: ‘Zoals ik bij Karl Barth las...’ of: ‘Zoals Henk de Jong ergens opmerkt...’ (om eens twee volkomen willekeurige voorbeelden te noemen). Een deel van de gemeente komt mogelijk onder de indruk van de geleerdheid van hun predikant. Een ander deel beschouwt het als dikdoenerij. En het gros van de mensen kent de geciteerde personen niet eens (met excuses aan Henk de Jong!).
Gesust geweten
Dan maar anoniem citeren en gebruiken? Als beginnend predikant heb ik de verleiding niet kunnen weerstaan.
Maar ik hield er wel een onrustig geweten aan over. Tot ik een boekje in handen kreeg van een zekere ds. A.J. (Bert) Hoorn. Deze hervormde predikant liet onder de titel Tussen zeggen en doen een verzameling van liturgische en homiletische bijdragen verschijnen, die hij aanbood als proeven. En hij moedigde zijn lezers aan zonder gewetensbezwaar uit zijn boekje te jatten wat men nodig had om het evangelie op het leven van alledag te betrekken.
Het mag inmiddels duidelijk zijn uit welke bron ik het opschrift boven deze bijdrage geput heb.
Maar het was natuurlijk wel een hervormde predikant, die zoiets schreef.
Kan zo iemand het geweten van een Nederlands Gereformeerde prediker sussen? Maar dit hervormde getuigenis werd ondersteund door een uitspraak uit onverdachte hoek, n.l. Augustinus. In het boek van F. v.d. Meer, Augustinus, de zielzorger, kwam ik van deze kerkvader het volgende citaat tegen: ‘Heeft iemand een goede voordracht maar geen vindingrijken geest, dan mag hij gerust andermans vondsten van buiten leeren, want Gods woord kan men toch niet stelen.’ Dit dubbele getuigenis uit de 5e en uit de 20e eeuw heeft mij sindsdien geleid in de praktijk van mijn prediking.
Èn Augustinus èn ds. Hoorn staan in de lijn van de 17e-eeuwse musici, die de muziek beschouwden als een algemeen bezit voor iedereen, waar niemand bijzondere aanspraken op kon maken. Deze musici stelden zich eenvoudig in dienst van de muziek om die tot klinken te brengen. Niet om zelf bewonderd te worden, maar om bewondering uit te lokken voor de muziek. Dit geldt in nog veel sterkere mate voor Gods Woord. Alles wat dienen kan om dat Woord zo te vertolken, dat het harten in liefdesgloed voor God zet, mag door de prediker benut.
Gevaren
Zijn er in dit opzicht geen gevaren? Uiteraard! Het gevaar is zeker aanwezig, dat de prediker kostelijke woorden van anderen gebruiken gaat om zelf naam te maken als een welsprekende kanselredenaar. Het zij zo!
Maar dan geldt het woord van Paulus: ‘Maar wat doet het er eigenlijk toe!
Wat telt is dat Christus verkondigd wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt – dát het gebeurt verheugt me’ (Filippenzen 1:18). Een ander gevaar is, dat de prediker lui wordt. Hij verzamelt een reeks prekenseries en meditatiebundels om zich heen en googlet er lustig op los.
En hij stelt uit dit alles een preek samen, die rechtstreeks uit zijn boeken en zijn computer, maar niet uit zijn hart komt. Laat staan dat ze geput is uit de bron van levend water. Het gaat fout, wanneer men zo steunt op wat anderen geschreven hebben, dat men niet meer alle rust neemt om zelf de bijbel te bestuderen. Voor een doorleefde verkondiging zal toch iedere prediker eerst zelf met de tekst aan de slag moeten. De prediker moet zelf door de tekst zijn heengegaan en de tekst moet door hem zijn heengegaan.
Maar juist wanneer hij dit proces intens heeft doorlopen, zal hij er des temeer oog voor hebben hoe anderen de door hem zelf gevonden rijkdommen hebben verwoord. En als hij dán en zó die rijkdommen benut kan hij zijn eigen hart erin leggen en het zo de gemeente aanbieden. Dan heeft hij voor zichzelf en voor anderen geluisterd naar God en naar wat van alle dimensies van Zijn liefde verstaan is door medegelovigen van vroeger en vandaag. En zo kan hij de opbouw van het geloof dienen. Dat is dan geen plagiaat of pronken met andermans veren, maar het is gehoor geven aan het verlangen om de verkondiging van Gods Woord te dienen met alle mogelijke beschikbare middelen.
Wie het jatten kan, jatte het! Maar alleen wie het zo gewaarschuwd vatten kan, vatte het!