Strijd tegen bloed en vlees?
2002-03-08
Natuurlijk is de strijd tegen het terrorisme van Moslim-fundamentalisten óók een worsteling tegen bloed en vlees, maar het is tegelijk veel méér dan dat (Efeze 6:12). Dat laatste lijkt met het verstrijken van de tijd sinds 11 september al meer uit beeld te verdwijnen.- Jaargang 46
- nummer 5
Maar het is stellig waar: het geding met de Islam als wereldgodsdienst valt met militaire middelen niet te beslechten.
In Kerk en Theologie (januari 2002) vond ik een artikel hierover van de zendingsman J.A.B. Jongeneel. Een aantal kerngedachten daaruit geef ik hier door.
De droom van iedere moslim is dat eens de gehele aarde louter door moslims bevolkt zal zijn. () Enerzijds voelen moslims zich bevestigd in de overtuiging dat met Mohammed de laatste fase in de wereldgeschiedenis aangebroken is. () Anderzijds voelen moslims zich ook gefrustreerd: immers dagelijks ervaren zij dat het volk Israël waarop Gods toorn rust () en de dwalende christenheid () zich sterk maken tegen ‘het rechtgebaande pad’ () van de islam. Deze ‘ongelovigen’ (kaffers!) hebben niet alleen de leiding in de wereldpolitiek, in de wetenschap en in de techniek, maar vernederen bovendien de islam publiekelijk door op islamitisch territoir de staat Israël in stand te houden, door militaire bases in het moederland van de islam (Saudi-Arabië) aan te houden, en door in Afghanistan dat eveneens islamitisch territoir is oorlog te voeren.
Bij de meeste moslims slaat de balans naar het positieve door: er is alle reden om Allah diep in het stof te danken voor de honderden moskeeën die na 1945 overal in Europa gebouwd zijn.
Doch bij een minderheid slaat de balans naar het negatieve door: de arrogantie van ‘de ongelovigen’, met name in Israël, in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk, grenst aan het ongelofelijke - deze arrogantie is ten diepste verzet tegen Allah, de Barmhartige Erbarmer.
Dan gaat Jongeneel in op een belangrijk onderscheid in het denken van de islam: De islam is een politieke godsdienst.
Hij maakt immers onderscheid tussen ‘dar al-islam’ (territoir/invloedssfeer van de islam) en ‘dar al-harb’ (territoir/ invloedssfeer van de strijd). Het territoir van de islam is dat gebied van de aarde dat door moslims bestuurd wordt en zich naar islamitisch recht (shari’a) voegt. ‘Dar al-islam’ is te typeren als ’dar al-ad’, d.w.z. het territoir waarop rechtvaardigheid (adl) gerealiseerd is. () Het territoir van de strijd is het grondgebied van al die landen die, ondanks de oproep (da’wa) om zich tot de islam te bekeren, nog door ‘ongeloof’ beheerst worden. Volgens de islamitische wetgeving leeft de islam met de heersers en de bevolking van het territoir van de strijd voortdurend op voet van oorlog. Deze oorlog is primair een geestelijke strijd, doch kan in voorkomende gevallen ook de vorm aannemen van een gewapende strijd. De grensgebieden van de islam-wereld laten nu duidelijk zien dat de jihad ook met wapens gevoerd kan en moet worden: Nigeria en Soedan in Afrika; Kosovo en Tsjetsjenië in Europa; en Oost-Indonesië (Ambon, Halmahera, Poso) en de Zuid-Filippijnen (Mindanao) in Azië.
Is Osama bin Laden een terrorist? Ja, zegt Jongeneel, ten dele wel. Maar hij is ook, in elk geval in de visie van miljoenen moslims, een verdediger van het territoir van de islam tegen de invasie van ‘de ongelovigen’. En hij vervolgt: Leidinggevende politici in het Westen verdisconteren het islamitische onderscheid tussen ‘dar al-islam’ en ‘dar alharb’ niet in hun politiek van vóór, en ook niet in die van na 11 september 2001. Zij antwoorden met een eigen ‘kruistocht’ (!), in plaats van intensief te overleggen met de Arabische wereld hoe Osama bin Laden aangepakt dient te worden en welke rol deze wereld toekomt om het terrorisme op islamitisch territoir in kaart te brengen en te bestrijden. Het door het Westen niet verdisconteren van genoemd onderscheid tussen ‘dar al-islam’ en ‘dar alharb’ in de eigen politiek zal alleen maar tot meer terrorisme en tot meer haat leiden.
Tenslotte roept Jongeneel de westerse wereld op om een diepgaande discussie aan te gaan met moslims in het territoir van de islam (‘dar al-islam’). Momenteel ontbreekt het het Westen aan het politieke lef om een godsdienstgesprek te voeren over het feit dat moslims zich in het Westen vrij bewegen kunnen en niet-moslims in het territoir van de islam tweederangs burgers zijn. Het is intriest om te zien hoe het Westen daarbij zijn eigen normen en waarden te grabbel gooit: het slikt bijvoorbeeld als zoete koek dat Saoedi-Arabië het godsdienstig intolerantste land ter wereld is - zoals Parijs wel een mis waard was, zo is de olie van de Arabische wereld wel de opoffering van het universele principe van godsdienstvrijheid waard (nergens in Saoedi-Arabië is een bijbel te koop, nergens mag daardoor en voor de Palestijnse, Filippijnse, Koreaanse etc. christenen een kerkdienst gehouden worden).
Zonder een intensief politiek en godsdienstig gesprek van het Westen met leidinggevende moslims in ‘dar alislam’ en in ‘dar al-harb’ over de nabije en verre toekomst, over de gezamenlijke verantwoordelijkheid daarvoor, en over het terrorisme van Israël, het Westen en islamieten in verband daarmee, zal het Westen nooit meer veilig zijn voor de aanslagen van de Osama bin Ladens. Osama bin Laden () is een ideoloog met diep religieuze wortels wiens toorn ontstoken is. Mijns inziens moet het Westen erkennen dat zijn toorn tot op zekere hoogte billijk ontstoken is. Is het onbillijk om te vragen dat Israël eindelijk eens terugkeert naar de in 1948 gestelde grenzen, dat de Verenigde Staten hun uit de Golfoorlog daterende militaire bases in Saoedi-Arabië opgeven, en dat het Westen de rijkdom van de aarde rechtvaardig deelt met de armen op aarde?
Is het voorts onbillijk om de Godsverzaking in het Westen aan de kaak te stellen?