Geef mij je hart...

2002-04-05
  • Jaargang 46
  • nummer 7
‘Het feit dat ik hier nu zit te praten heb ik echt aan mijn Schepper te danken!’

In eerste instantie is er helemaal niets aan de hand. Je bent volop in het leven bezig met je werk. Mijn eerste hartinfarct kreeg ik in de kerk, tijdens het orgelspelen bij een bruiloft.
Tijdens het laatste lied voor de preek kreeg ik plotseling hevige pijn in mijn rug, de zweetdruppels stonden op mijn hoofd, mijn handen begonnen te trillen. Mijn vrouw zat boven, maar ze merkte aan mijn spel dat er iets niet in orde was, al wist ze niet wat.

Na afloop van de dienst ben ik naar haar toegestrompeld en heb ik gezegd: ‘Ik ben zo ontzettend beroerd. Het gaat niet goed!’ Nu was het die dag heel warm, zodat we eerst dachten dat het daarvan kwam. De pijn in m’n rug werd steeds heviger; de koster in de consistorie heeft een arts gebeld.
(In de kerk hebben de mensen intussen niets gemerkt). De arts kwam heel snel en constateerde een hartinfarct. Ik kreeg meteen een injectie en een infuus werd ingebracht. Al gauw kwam een ambulance, ik werd op een brancard gelegd en afgevoerd en heb toen twee weken in het ziekenhuis gelegen. Ze hebben me rust en medicijnen toegediend en verder is er niet veel met me gebeurd. Het is een licht hartinfarct geweest Met veertien dagen mocht ik weer naar huis. Ik moet er wel bij zeggen: ik was al afgekeurd, vanwege zware overspannenheid.
Ik was dus al uit het arbeidsproces.
Toch ging het best weer goed.
Ik moest me rustig houden, maar heb wel een kostersbaantje genomen in de kerk, want je moet toch wat doen.
Het kosterswerk was me op het lijf geschreven.
Voor je het weet, ben je weer voor honderd procent bezig.
Ik was ook genezen verklaard.
Hartproblemen ontstaan vaak door het dichtslibben van de aderen en dat was bij mij niet aan de orde. In de loop van de tijd is er kennelijk toch van alles dichtgeslibd. Bij de controle die ik had werd dat echter niet geconstateerd.

Afgepeigerd
Twee jaar later kreeg ik weer problemen; we waren op bezoek bij vrienden - maar een klein stukje fietsen - en toch kwam ik helemaal afgepeigerd aan. Ik zei: ‘Hier klopt iets niet!’ De volgende dag heb ik een afsprak bij de arts gemaakt.
Met mijn vrouw erheen. Toen bleek dat het helemaal niet goed was.
Ik moest ogenblikkelijk worden gekatheteriseerd.
De arts schrok er zelf van, maar heeft me desondanks op een wachtlijst gezet terwijl het eigenlijk meteen had gemoeten. Binnen een halve week lag ik met een zeer zwaar hartinfarct weer in het ziekenhuis.
Mijn familie dacht dat ik het niet meer zou halen. Het was namelijk zeer ernstig; de staf van het ziekenhuis adviseerde mijn vrouw en kinderen om afscheid te komen nemen… ‘Het kan een kwartier duren, een half uur, één dag, maar het is echt gebeurd. We kunnen niets meer voor hem doen!’ Ik was toen 53.
Een heel dramatische boodschap, die onverwacht kwam. Midden in de nacht werden vrouw en kinderen gebeld. Ze moesten meteen komen… Mijn vrouw en dochter kwamen, vernamen de boodschap en hebben de rest opgetrommeld en gezegd dat ze onmiddellijk
moesten komen. Ze konden de boodschap niet geloven.

Mijn vrouw kwam; ik was doodmoe en had verschrikkelijke pijn. Ik had een heel lage bloeddruk van 55 en 33, terwijl de onderdruk, die al met al het belangrijkste is, zo’n 70 moet zijn. Ik werd al gauw apart gelegd op een eigen ziekenkamer; daar mocht ik iedereen ontvangen. Maar ik bleef leven, tegen de verwachting van de deskundigen in.
Ik was er ook zelf van overtuigd dat het af zou lopen, was helemaal bij mijn positieven. (Ik was toen helderder dan ik nu soms ben!)

Rechterstoel
Die periode heeft een enorm diepe indruk op me gemaakt, want ik was ervan overtuigd dat ik binnen een paar minuten voor de Rechterstoel zou staan.
En dat is een heel aparte ervaring, mag ik wel zeggen. Dan word je er opeens mee geconfronteerd: ‘Nou, jongen, is het uur van de waarheid aangebroken’. Dat vliegt je dat een moment verschrikkelijk aan. ‘Dat red ik nooit tegenover God. Ik heb zoveel verkeerde dingen in mijn leven gedaan.
Dat gaat helemaal fout!’ En dan ineens breekt door waar het in het Evangelie om gaat: ‘Christus heeft alles betaald; ‘t is allemaal genade’ en dan – dat kun je niet onder woorden brengen – valt alles weg. Mijn vrouw en kinderen stonden bij mijn bed, mijn oudste dochter stond met een dikke buik van ons eerste kleinkind (ik denk dan: dat kind zal ik nooit zien), maar het deed me helemaal niets. De mensen om mijn bed deden me helemaal niets. Aan het eind van de rit is het echt jij en God… Alles valt weg. Dat blijft je je hele leven bij, dat beheerst nu nog mijn leven. Ik had het gevoel dat mijn vrouw en kinderen op afstand, als een soort publiek, erbij waren en ik stond samen met God op het toneel. Mijn vrouw hoorde dat uiteraard pas achteraf, maar het viel haar op dat ik ontzettend rustig was en zo gemakkelijk afscheid nam.

Ik leefde nog!
Wel, dat speelde ‘s woensdagsnachts en vrijdagavond leefde ik nog! Zij ging toen naar huis, want mijn toestand was gestabiliseerd. Ze was net thuis of men belde al weer. Het ging met mijn bloeddruk bergafwaarts. Mijn vrouw was gevraagd of ze wilde dat ik gereanimeerd zou worden, als ik dreigde te overlijden; ze had daarop ‘ja!’ gezegd, zodat men in geval van hartstilstand zou proberen me te redden.
Men kon alleen nog een ‘Swan Ganz katheter’ inbrengen (genoemd naar de Duitse uitvinders); die werd dan in de hals gebracht en naar het hart geleid; bepaalde medicijnen werden in het hart gespoten. Dat gaf prikkels aan het hart en gaf dus kans op overleven.
Die ingreep kon men niet uitvoeren in het ziekenhuis waar ik lag. Mijn vrouw had al van de hoofdverpleger gehoord: ‘Als hij dit overleeft, moet u denken aan een harttransplantatie’. ‘t was zo raar om daaraan te denken.
Harttransplantatie. Dat is ver van je bed… Ik ben voor die Swanbehandeling in vliegende vaart naar het ziekenhuis in Nieuwegein gebracht en knapte er van op.

Opgegeven
Wat het overleven tot dat moment betreft – ik was feitelijk opgegeven.
Dan denk je daar natuurlijk veel over na. Was het een inschattingsfout van de medische staf? Was het niet zo ernstig met me? Als je zo bepaald wordt bij het ontmoeten van je Schepper, dan staat God nergens meer buiten; Hij is overal bij betrokken. Dus daar zie ik de hand van God in. Dat kan men misschien een beetje overdreven vinden, maar ik kan het niet anders uitleggen.
De medische wetenschap is een middel in Gods hand. Het feit dat ik hier nu zit te praten heb ik echt aan mijn Schepper te danken.

Ook dat afscheid dat je neemt en dan blijkt dat niet nodig. Ook dat geeft een vreemd gevoel. Mijn vrouw had aldoor het idee in haar achterhoofd: ‘Het kan niet waar zijn. Het kan gewoon nièt waar zijn dat dat mij overkomt.’ Niettemin, dat is wat de artsen zeiden.
Ze bleef bij mijn bed zitten, met m’n hand in haar hand. Onze jongste dochter van zestien vond het vreselijk.

Exact op een rij
Wel, hoe ging het verder? Ik ben eerst op intensive care terechtgekomen, en daar zijn ook heel wat nare dingen gebeurd. Zo ben ik een keer uit mijn bed gevallen, met alle slangen en toestanden allemaal los. En ik had een keer een hartritme van 180, wat ook levensgevaarlijk was (70 is normaal) en zo heb ik best wel spannende dingen meegemaakt; ik ben regelmatig weggeraakt. Overigens, soms haal ik dingen uit verschillende periodes door elkaar; ik kan het niet meer exact op een rij krijgen - dat lukt me met geen mogelijkheid. Ik kan de juiste volgorde honderd keer van mijn vrouw horen, als ik het dan weer moet vertellen is het een grote warboel.

Op de dag voor Kerst mocht ik naar huis; dat is nu acht jaar geleden. Na onderzoek werd me verteld: twee kransslagaderen zijn helemaal dichtgeslibd, maar ze zijn tevens afgestorven, ze werken niet meer. Maar een van de drie functioneerde nog. Na de katheterisatie kwam de arts die de ingreep had uitgevoerd de volgende dag bij mijn bed met de uitslag – een boom van een kerel; ik zie hem nog voor me.
Hij kwam bij mijn voeteneind staan en zei letterlijk tegen mij: ‘Zo, het is niet best met jou jongen! Jij moet denken aan een harttransplantatie!’ Dat zei hij zo plompverloren… Technisch was hij héél goed, maar communicatie was niet zijn sterke punt… Ik zeg tegen hem: ‘Als dat de beste oplossing is, dan moet dat. Wie ben ik dat ik daar iets van zeggen kan. Ik ben helemaal geen medicus.
Iedereen zijn vak. Ik hou me aan jou vast!’ Later komt dat wel harder aan, hoor.
Maar op dat moment was ik er niet echt ondersteboven van.
Ik ben naar huis gestuurd met de mededeling: ‘ Zodra u weer last krijgt, onmiddellijk bellen, want dan is de derde midkransslagader aan het opspelen. We kunnen op dit moment niets voor u doen, want er zijn duizenden mensen die zo leven.’ Precies een half jaar later viel ik voorover in mijn eten. Mijn vrouw heeft onmiddellijk de ambulance gebeld.
Zeer ernstige hartritmestoornissen.
Dat werd aanleiding tot een onmiddellijk nadenken over harttransplantatie.
Men zei: ‘Zo kun je niet leven. Als je dat ook nog krijgt, kun je niet verder.’

Olympische Spelen
Om op de wachtlijst te komen moet je een screening doen; dan lig je drie weken in het ziekenhuis en je moet allerlei onderzoeken ondergaan; je gaat echt door die medische molen.
Je kunt het zo gek niet bedenken wat ze willen weten. Je moet aan de Olympische Spelen kunnen meedoen, wil je in aanmerking komen… Het enige waar wat aan mag mankeren is je hart!
Je moet kerngezond zijn, anders kun je het echt helemaal vergeten. Heel hoge normen worden gesteld, wil je in aanmerking komen. Ik ben daar doorheen gekomen; het enige wat ik had was een te hoge druk op de longslagaders; dat kon problematisch zijn, want, als een nieuw hart met veel kracht bloed ging pompen, konden die aders onder druk komen te staan en wellicht bezwijken. Dat is tenslotte door medicamenten opgelost. Dan word je aangemeld bij ‘Eurotransplant’ in Leiden; alle informatie wordt daar opgeslagen. Dan moet een donor dezelfde lichaamsbouw hebben, dezelfde bloedgroep, hetzelfde gewicht, alle medische gegevens zijn in de computer gestopt zodat je snel kunt zien wie ‘matcht’. Dat heeft alles te maken met de kans op afstoting. Hoe meer het overeenkomt, hoe kleiner de kans op afstoting. Leeftijd is minder belangrijk.
Ook niet of het een man of een vrouw is. Wie het geweest is, daarvan kom je niets aan de weet!

Angstige tijd
De gemiddelde wachtlijst was toen een half jaar. Ik heb toen dertien maanden moeten wachten. Je zou kunnen denken dat dat een angstige tijd is: je weet wat er gebeuren moet, maar het wachten is op een geschikt donorhart; het is goed mogelijk dat je overlijdt voordat zo’n hart beschikbaar komt. Voor mij is dat nooit zo’n probleem geweest.
Ik ben een emotioneel mens, maar in deze dingen was ik heel nuchter en dat heeft me erg geholpen. Ik heb, wat dat betreft, mijn karakter mee en ben nooit ondersteboven geweest van de situatie.
Er is ook een psychische screening die dient aan te tonen dat je dit alles aan kunt; ook de partner. Beiden krijg je een indringend gesprek. Kun je de spanning van de wachttijd aan? Als je uit de operatie komt, kun je erg van karakter veranderd zijn, ook door medicijnen.
Mensen die geopereerd zijn kunnen agressief zijn, anders dan ze tevoren waren. Daar kan de partner het knap moeilijk mee hebben... Je had ook een maatschappelijk werker die daar speciaal steun kon geven.
De inzet is natuurlijk hoog. Bij een mislukte niertransplantatie kun je naar dialyse teruggaan, maar bij een harttransplantatie kan je niet zoiets doen, natuurlijk. Mijn enige kans om verder te leven was, menselijkerwijs gesproken, een harttransplantatie. Ik heb mezelf ingeprent: ‘Elke dag die je krijgt is winst!’ Er zat heel sterk een geestelijke kant aan. En dat heb ik nog. Elke dag ervaar ik als extra. Normaal gesproken was ik er niet meer geweest, met die gedachte leef ik elke dag.

Midden in de nacht
De oproep komt per definitie onverwacht, vaak midden in de nacht. Je draagt dag en nacht een pieper bij je, of je vrouw heeft hem. De telefoon mocht niet te lang bezet zijn. Dat bracht wel spanning met de kinderen. Je mocht ook niet verder dan 25 kilometer van je woonplaats zijn. Naar het buitenland op vakantie gaan was er helemaal niet bij. Je hart staat helemaal centraal. Dat heeft ook voor je gezin veel consequenties.
Ik had een bed beneden staan, want als ik naar boven ging, kon ik drie treden gaan en dan moest ik uitrusten.
Meer kon ik niet. Dus ik lag de hele dag beneden in de kamer. Dat was een moeilijke tijd. Helemaal niet in de zin van: morgen kan het afgelopen zijn, maar het was lastig voor de kinderen.
Al zit je erop te wachten, de oproep komt toch nog onverwacht. Ik zat bij mijn dochter aan tafel de krant te lezen – ik mocht nooit alleen zijn – en om vijf uur ging het alarm; ik hoor het en dacht eerst dat het de piep van de magnetron was, want ze was aan het eten koken. Opeens besef ik dat het mijn alarm is. Mijn hele wereld stortte in!
Ik ben nog nooit zo in paniek geweest… Ik had papieren bij me wat ik moest doen, maar ik wist niet wat me te doen stond. Mijn dochter belde naar het ziekenhuis en met een vliegende vaart daarheen. Mijn vrouw kwam op dat moment van haar werk – die wist natuurlijk nog van niets – en kon ook net mee.
Dan ga je erheen; ‘t is altijd onzeker of je dat hart krijgt. De kans is altijd aanwezig dat je weer wordt teruggestuurd.
(Die spanning is natuurlijk niet zo goed voor je hart.) Ze gaan weer allerhande onderzoeken doen, bloed afnemen en zo. Ze hebben tevoren gezegd dat je mogelijk met je tweeën wordt opgeroepen, maar ik heb nooit bevestigd gekregen of er toen nog een hartpatiënt opgeroepen is. Ik zou bijna afgevoerd worden, toen een dokter binnenkomt die tegen de verpleegkundigen zei: ‘Stop er maar mee, want het hart is afgekeurd’. Het team dat je opereert verwijdert ook het hart uit de donor. Ze komen per helicopter of vliegende ambulance terug met het hart. Er is een heel beveiligd netwerk.
Voor mij was het een opluchting dat het niet doorging. Nu kon ik me een beetje beter erop voorbereiden, als het echt kwam. Nu wist ik ongeveer wat me te wachten stond.

Vervelend
Toen het om de tweede keer ging, was ik veel rustiger. Dat was al na een week, midden in de nacht. (Ik stond inmiddels hoog op de lijst.) Opnieuw alle kinderen opgeroepen. Ik had een roesje gekregen.
De dokter komt binnen en zegt: ‘Het spijt me ontzettend, maar het gaat weer niet door..’ Toen vond ik het wel een beetje vervelend worden.
Precies weer een week later, weer ‘s nachts om dezelfde tijd, kwam de derde oproep en was het raak. Weer ging ik het proces door van klaarmaken; onze dominee is gekomen en heeft met ons allen gebeden. Toen werd ik afgevoerd naar de operatiekamer.
Wat ik toen heel wonderbaarlijk vond: er zat daar een operatieassistent en die stelde zich aan me voor. Hij was de eerste in de kamer die naar me toekwam.
Hij was een christen en heeft met me gesproken. Nu ben ik bepaald niet zweverig in mijn geloof, maar heb dat later toch ervaren als een engel bij mijn bed. Een heel bijzondere ervaring.
Ik was best behoorlijk gespannen, maar toen ik net hem gesproken had, was ‘t helemaal over. Het laatste dat ik gehoord was een mobiel of zo met de mededeling: ‘Het hart is binnen’.
Toen was ik weg.
Een heel lange operatie die bijna mis gegaan is; ze konden het hart niet aan de praat krijgen. Mijn vrouw vertelde dat na lange tijd de dokter kwam met een heel wit gezicht die zei: ‘Het is goed gegaan, maar het is heel spannend geweest, want het hart wilde niet aanslaan.’ Ze hebben als laatste redmiddel een bepaald medicijn in het hart gespoten en dat is toen gelukt.

‘Ik ben er nog…’
Als je dan weggemaakt wordt, weet je dat het straks afgelopen kan zijn.
De dominee had ook al voor mijn vrouw en kinderen gebeden, om kracht, als het niet goed zou aflopen. Zo hebben we ook afscheid genomen. Dan word je wakker en zit je vrouw aan je bed op intensive care. Dan denk je: ‘Ik ben er weer’, of: ‘ik ben er nog!’ Als het dan goed gegaan is, ben je vaak na drie weken thuis. Ik kreeg allerlei complicaties en ben zes weken daar gebleven. Hartritmestoornis, verschrikkelijke hoofdpijn, etc. Een hele geruststelling, vond ik, dat je er een pacemaker bij krijgt.
Inmiddels leid ik zes jaar een rustig leven. Vanaf mijn operatie denk ik elke dag: ‘Wie weet word ik niet meer wakker’.
Tegelijk bid je ervoor en dank je God voor elke dag die je krijgt. Dat er weer een nieuwe dag is. Er is een tijd geweest dat mijn vrouw en ik elke nacht bewust afscheid namen, voor het geval dat…, maar die tijd ligt achter ons.
Dat hebben we niet meer. We gaan rustig slapen. Een enkele keer denkt mijn vrouw ‘s nachts: ‘Hoor ik nog wat?’ Maar het is niet meer zo angstig.

Overgehouden
Wat ik eraan overgehouden heb? Dat bekende woord: ‘De vrede van God die alle verstand te boven gaat’. Dat heb ik aan den lijve ondervonden.
Nog steeds, elke dag. Als ik een keertje niet meer wakker mocht worden, blijft dat andere overeind staan. Het Woord van God is steeds groter dan ons individuele lot.
Samen beleven we dat ook zo. Ik ben ook heel anders gaan geloven. Van nature ben ik best materialistisch, ik ben gek van mooie auto’s en huizen. Dat ben ik eigenlijk helemaal kwijt. Ik heb een eigen zaak gehad en mijn motieven om hard te werken voor die zaak waren behoorlijk materieel. . Geestelijk werd ik alleen maar armer. Ik zou m’n lijstje van wat belangrijk is in het leven nu behoorlijk wijzigen… Je persoonlijke relatie met God, dat is het enige dat telt. Als je daar je weg in weet te vinden, dan komt de rest vanzelf. In heel korte tijd werd al het overbodige verwijderd.
Ik voel me een bevoorrecht mens, omdat ik de barmhartigheid van God zo diep heb mogen ervaren.
Ik ben nu vele malen gelukkiger dan voor die tijd. Toen ik op de wachtlijst stond en nog niet wist hoe het zou aflopen, zei ik tegen onze predikant: ‘Ik ben nu de gelukkigste mens van de hele wereld. Ik heb God gevonden.’ ‘Kennis van God is mooi, maar God kennen is nog veel mooier. Dat is met mij gebeurd.’ NB. Dit verhaal is samengesteld uit het relaas van hem en haar. De naam Peter is uiteraard gefingeerd.
Voor het katheteriseren brengt men via je lies een onderzoekslangetje in je aderen en men kan dan zien wat daar open of geblokkeerd is. Het inbrengen van dat slangetje op zich merk je niet, maar de verdovingsprik is heel pijnlijk.
Hij verdooft alles wat erna komt, maar verdooft niet zichzelf! Als men eenmaal bezig is voel je er niets meer van.
Wordt de noodzaak van dotteren geconstateerd, dan wordt een ballonnetje in de dichtgeslibde ader ingebracht dat als het ware de wanden van de ader uit elkaar duwt en daarmee de blokkade opheft. Dotteren betekent niet dat je dan verder probleemloos door het leven kunt gaan, er is geen garantie, maar je kunt er enorm van opknappen. De andere mogelijkheid is het aanleggen van een z.g. ‘omleiding’.
PJvK

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief