Een blik in Johannes 5
2002-05-03
Het onderstaande is niet bedoeld als een uitputtende bijbelstudie over Johannes 5, maar als een stimulans om dit hoofdstuk zelf te gaan lezen en zo mogelijk op de bijbelkring te bespreken. De vragen die tussendoor gesteld worden, kunnen hierbij helpen.- Jaargang 46
- nummer 9
Het Evangelie naar Johannes is tegelijk gemakkelijk en moeilijk. De verhalen laten zich eenvoudig navertellen, ook op het niveau van kleine kinderen.
Maar tegelijk verraadt de schrijver een diepte van gedachten en een vertrouwdheid met het Oude Testament die mij er aan doen twijfelen of ik er zelfs maar de helft van begrijp.
Wat is de clou?
Neem nou hoofdstuk 5. Wat is hier de clou? Op het eerste gezicht zou je misschien zeggen: Jezus geneest een zieke man. Dat gebeurt inderdaad, maar daar gaat het in het grootste deel van dit hoofdstuk niet over. En ook het verhaal van de genezing zelf heeft zeer merkwaardige trekken. De zieke lijkt op z’n zachtst gezegd niet erg mee te werken. Op de vraag of hij gezond wil worden volgt alleen een klaagzang (vers 7). Nergens wordt gesproken over zijn geloof of dankbaarheid.
Sterker nog, hij weet niet eens Wie zijn Redder is (13). En als Jezus hem opnieuw ‘vindt’ en hem waarschuwt om niet meer te zondigen (14), gaat hij prompt Jezus verraden aan de Joden (15).
De Zoon en de Vader
Het is duidelijk, niet een zieke die genezing zoekt staat hier centraal, maar Jezus die goed doet als zijn Vader, ook al oogst Hij daarmee geen waardering.
De genezing vond plaats op een sabbat en daarover ontstond een woordenwisseling met de Joden, die van mening waren dat Hij verkeerd gehandeld had: werken op sabbat mag niet. De Here Jezus bracht daar tegen in: "Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook" (vers 17). Maar dat roept nog veel meer tegenstand op: "Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde." (vers 18).
Vragen
‘God rustte op de zevende dag’ en ‘Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook’. Hoe kan dat? Hoe verhouden die twee uitspraken zich tot elkaar?
Wat betekent dit voor onze zondagsheiliging?
Over deze kwestie gaat het in de rest van hoofdstuk 5: over de verhouding tussen de Vader en de Zoon, over het werk van de Vader en het werk van de Zoon. In de verzen 19 t/m 23 wordt daarover heel wat gezegd. Let er maar eens op hoe vaak de Vader en de Zoon met elkaar vergeleken worden.
De thema’s die in deze verzen aan de orde komen, worden in de rest van het hoofdstuk uitgewerkt. Vers 19v zegt, dat de Zoon de werken doet die de Vader Hem toont. (In vers 36 grijpt Johannes daar kort nog even op terug.) Concreet houdt dit in, dat de Zoon, net als de Vader, doden levend kan maken (vers 21) en dat Hij macht heeft om te oordelen (22). Het eerste wordt vooral uitgewerkt in 24-29, het tweede in 30-40. Het gedeelte besluit met een opmerking over de eer die de Zoon van God toekomt (vers 23). Het laatste stuk van het hoofdstuk gaat daar nog wat dieper op in (vers 41-47).
Vers Thema Uitwerking 19v Inleiding: de werken van de Vader en de Zoon (36) 21 De macht om doden levend te maken 24-29 22 De macht om te oordelen 30-40 23 De eer die de Zoon toekomt 41-47 Het gaat in dit hoofdstuk - zoals trouwens in heel Johannes - om Jezus die zijn ‘heerlijkheid’ openbaart, ‘een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid’ (Joh. 1:14).
Vragen
‘Wat de Vader doet, dat doet de Zoon evenzo’ (vers 20) en ‘Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet’ (vers 23).
Wat zegt dit over de Here Jezus? En wat betekent dit voor het gesprek met andersgelovigen?
‘Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven’. Onze Rechter is dus onze Redder. Hoe beïnvloedt dit uw beeld van het laatste oordeel?
Parallel?
Het werk van de Zoon wordt vergeleken met het werk van de Vader. En is de reactie op Beider werk ook niet hetzelfde?
Op het gevaar af dat ik te ver ga wil ik een parallel trekken tussen de redding van de man en de redding van het volk Israël uit Egypte. De hint om hieraan te denken is het noemen van de periode van 38 jaar. Dat lijkt misschien vergezocht, maar waar denkt u aan als ik vertel over twee buren die al 80 jaar ruzie hebben, of over een man die van zijn veertigste tot zijn vijfenveertigste bedlegerig was, maar na vijf jaar bevrijd werd van zijn ziekte?
Ook bij de exodus werkte het slachtoffer niet echt mee (Ex. 6:8 tegenover 4:31). Ook het volk Israël kende eerst de Naam van zijn Redder niet (Ex. 6:1) en was bereid Hem onmiddellijk te verraden (Ex. 32:4, de geschiedenis van het gouden kalf). Vanwege hun ongeloof kunnen ze vervolgens het beloofde land niet binnengaan en moeten voor straf 38 jaar (zie Deut. 2:14) ronddolen in de woestijn. Dan krijgen ze opnieuw een kans en Mozes waarschuwt hen om niet opnieuw te zondigen, maar om voor het leven te kiezen: zegen of vloek, dood of leven (Deut. 28-30). Na 38 jaar staan ze opnieuw op een tweesprong. Wat zullen ze kiezen?
Ook de zieke man krijgt na 38 jaar een kans op redding. Maar hij omarmt zijn Verlosser niet.
Vragen
De reactie op het verlossende werk van de Vader en de Zoon is niet altijd dankbaarheid.
Waarin ziet u Gods reddende hand in uw eigen leven? Wat is uw reactie daarop?
Dood of leven
In de komst van de Here Jezus wordt het volk Israël opnieuw gesteld voor de keus tussen leven en dood. Dat komt vooral in Joh. 5:24-29 naar voren.
Zoals gezegd is dit gedeelte een uitwerking van vers 21: de Zoon heeft de beschikking over het leven. Hij kan het geven aan wie Hij wil. In vers 24 belooft Hij het leven aan wie Hem gehoorzaamt en in God gelooft. Hoe dat in zijn werk gaat lezen we in vers 25-29. Wat opvalt is, dat het lijkt of Johannes, in iets andere woorden, twee keer hetzelfde zegt. Maar is dat ook zo?
Vers 25 Vers 28v
Voorwaar,voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de dodennaar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.
Het komt erop aan goed te lezen. De overeenkomst in woordkeus is niet toevallig, maar toch gaan het in beide gevallen over iets anders. In vers 28v gaat het over het laatste oordeel, als de graven open gaan en de Zoon des Mensen iedereen zijn eeuwige bestemming wijst. Die ‘ure’ komt nog. Maar in vers 25 gaat het over nu. Wie nú luistert naar de stem van de Zoon des Mensen zal leven. Hij heeft de goede keus gemaakt.
Door de woordkeus wordt het oordeel stráks in verband gebracht met het luisteren naar het Evangelie nú. Het oordeel wordt in wezen nu bepaalt.
De beslissing valt bij het al dan niet luisteren naar Jezus Christus (vergelijk Joh. 3:18).
Vragen
Ook wij worden in de ontmoeting met Jezus gesteld voor de keus tussen leven en dood. Wat zijn uw overwegingen bij deze keus? Hoe beleeft u de ontmoeting met Jezus? Wat is het effect daarvan in uw leven?
Drs Age Romkes is docent Nieuwe Testament aan de Christelijke Hogeschool Ede en is lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk aldaar.