Voorzienigheid
2002-05-17
Een paar maanden geleden is in het Nederlands Dagblad een boeiende discussie gevoerd over de voorzienigheid, en met name over het klassieke belijden van de kerk daarover in Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus. In Nader Bekeken (van april) komt ds J.W. van der Jagt erop terug.- Jaargang 46
- nummer 10
Hij gaat o.a. in op de voorbeelden die soms gebruikt worden om de moeite met dit belijden te verwoorden. Een klein kind verongelukt, een meisje van 15 is slachtoffer van incest: mag je zeggen dat zoiets uit Gods Vaderhand komt?
Van der Jagt erkent de realiteit en ook de moeite van dergelijke vreselijke dingen. Toch maakt hij er bezwaar tegen dat op deze manier het pastorale de maat wordt van wat waar is: Wat blijft, is dat je met herkenbaar groot lijden om instemming werft voor je kritiek op de belijdenis. Dat lijkt mij niet zuiver. Immers, doet vreselijke nood af aan de waarheid van het Evangelie? In het Evangelie lezen we prachtige dingen waarvan het onder bepaalde omstandigheden even goed pastoraal onwijs kan zijn om te zeggen. Er is te onderscheiden tussen de waarheid en de pastorale hantering van de waarheid. Vergeten we dat in het pastoraat, dan zijn we slechte troosters. Vergeten we dit in de beoordeling van de belijdenis, dan maken we het pastoraat tot de maat voor de leer van de kerk. Dat lijkt pastoraal, maar het zal je weinig helpen. Je kunt vinden dat zondag 10 onbeschermd geformuleerd is en er daarom over zwijgen. Maar het 15-jarige slachtoffer loopt vroeg of laat toch wel tegen dezelfde vragen op, als zij in Gods Woord de schriftplaatsen leest die de kerk in zondag 10 heeft samengevat.
Intussen werkt zo'n voorbeeld in de discussie contraproductief. De pastorale blik ziet de uitwerking van wat je zegt. Wie leerstellig leest heeft oog voor confessionele juistheid. Intussen kijk je langs elkaar () heen en je bereikt elkaar niet, terwijl je niet eens zoveel van elkaar verschilt.
Dat laatste is natuurlijk nog maar de vraag, maar daarover nu verder niet.
De vraag die Van der Jagt stelt is even terecht als lastig: in hoeverre mag het leven meedoen als het gaat om de leer evenvan de kerk? Sterker nog: mag het leven de leer (mee) bepalen? Zijn antwoord is mij te simpel: de leer (de ‘confessionele juistheid’) lijkt bij hem helemaal vooraf te gaan aan het leven. Dat schept wel helderheid, maar van een soort die niet de mijne is. Zijn vraag blijft intussen wel staan.
Verbazend is het vervolgens om te zien hoe Van der Jagt van de zeer inhoudelijke discussie over de voorzienigheid terugbuigt naar het veel formelere punt van de binding aan de belijdenis. In de discussie in het ND hebben namelijk zijn (ook Vrijgemaakte) collega’s C. van der Leest en J.W. Roosenbrand daarover iets gezegd: Beide collega's hebben, schreven ze, met die ondertekening niet gezegd ‘dat de drie formulieren van eenheid in alle delen met Gods Woord’ overeenstemmen.
Daarmee corrigeren zij ds. F.J. Bijzet, die dit leek te beweren.
Het gaat niet om de drie formulieren, maar om ‘de leer van’ die formulieren.
Die correctie is juist. Zo wordt het inderdaad gezegd. Daarom hebben zij geen behoefte om ‘allen die over eenzijdigheden of onjuistheden van enige passage in de belijdenis spreken ‘de maat te nemen’. Ik ga aan de nare typering ‘de maat nemen’ nu even voorbij, want ik heb een andere vraag.
Met het ondertekeningsformulier zeggen we, dat we er hartelijk van overtuigd zijn dat de genoemde leer in alle delen geheel met Gods Woord overeenstemt. Nu noemden beide collega’s de belijdenis van zondag 10 ‘op z’n minst onbeschermd geformuleerd’.
Op z’n minst. Is er dan meer kritiek dan op de formulering alleen? Wat is dan die kritiek? Een kort ingezonden in de krant biedt natuurlijk weinig ruimte voor een uitvoerige uiteenzetting.
Maar daarom zullen de broeders, verwacht ik, ook begrijpen dat door die kortheid een vraag opkomt. Zij geven zelf reden om niet alleen maar aan formuleringskwesties of onbetekenende detailvragen te denken. Over zulke zaken zullen we het wel eens zijn.
Maar in het vervolg schrijven zij: ‘In het Nieuwe Testament staan verschillende passages waarin predikers beoordeeld en afgewezen worden, we denken aan Galaten 1 en ook aan 2 Johannes.
Daarbij gaat het telkens om de kern van de christelijke boodschap: wie is de Christus?’ Dit is een nieuwtestamentische argumentatie voor hun zienswijze. Bedoelen zij dan dat beoordelen en afwijzen alleen kan op de kernvraag van het Evangelie? Hechten zij aan de formulering 'de leer van de drie formulieren' omdat die het mogelijk maakt om ons te beperken tot de kern? Dan hebben we het dus over de inhoud van artikelen die niet zo duidelijk over de Christusvraag gaan.
Hebben we ons alleen aan de kern gebonden en kunnen we daarom kritiek op de belijdenis leveren? Het ondertekeningsformulier zegt iets anders: ‘alle delen van de leer van de drie formulieren stemmen geheel met Gods Woord overeen’. Dat is niet alleen de kern. We hebben ons gebonden aan alle artikelen van het geloof. Vandaar mijn vraag.
Jammer dat een zo wezenlijke discussie over een moeilijk onderwerp op deze manier verzandt in een wantrouwig klinkende vraag. In een open en eerlijke sfeer was er toch echt nog wel wat meer te zeggen geweest.
Bijvoorbeeld over de vraag of de Catechismus héél de bijbel naspreekt, of slechts een deel ervan. Persoonlijk wil ik het graag voor Zondag 10 opnemen in de toonsoort van de lofzang; maar als dit belijden ons greep moet geven op het totaal van wat er in de wereld gebeurt, staat er te weinig. De bijbel spreekt hier met twee woorden (zie bijvoorbeeld naast elkaar: Amos 3:6b en Jesaja 54:15a), de Catechismus met één. Dat mag, maar dan op dezelfde manier als we een loflied als Gezang 444 zingen: ‘Heel de wereld buigt voor U’. Leg dat op de pijnbank van de dogmatiek, en je mag het nooit meer zingen.
Schrappen dus? Nee; maar wel je ervan bewust zijn dat de werkelijkheid groter is.
M.H.T. Biewenga, Emmeloord