'Apocalyptische dreiging in plaats van technisch paradijs'
2002-05-17
In onze Westerse cultuur zijn we verslaafd aan techniek. Zo verslaafd, dat we onze kritische zin verliezen, en alleen nog maar op een technische manier tegen de wereld aankijken.- Jaargang 46
- nummer 10
We geven ons steeds meer over aan grenzeloze technische manipulatie en economische uitbuiting, verdoofd als we zijn door heerszucht en hebzucht.
Onze verantwoordelijkheid ontlopen we doordat we onze ogen sluiten voor de gevolgen van onze techniekverslaving.
Op deze manier kunnen we de illusie van een technisch paradijs nog in stand houden. Maar hoe lang?
Beseffen we wel dat ons enorme rampen boven het hoofd hangen?
(Merkwaardig dat deze grote cultuurdreiging in de verkiezingstijd weinig aandacht krijgt.) Op 15 mei 2002 wil prof. dr. ir. E. Schuurman ons wakker schudden en roept hij op tot een fundamentele heroriëntatie.
Verwildering
Het technische wereldbeeld, dat in onze Westerse cultuur gemeengoed is geworden, doet volgens Schuurman tekort aan de complexiteit van de levende werkelijkheid. De overheersing van het technisch denken doet geen recht aan de unieke eigenschappen van mensen, dieren, planten en dingen. Er is geen plaats meer voor de liefde, omdat alle verhoudingen gereduceerd zijn tot functionele aangelegenheden. Om met Einstein te spreken: de technische cultuur dreigt te verwilderen. Binnen dat wereldbeeld zijn de bekende problemen ook niet op te lossen. Verlies aan duurzaamheid, ontwrichting van de natuur, vervuiling van het milieu, verlies aan biodiversiteit, en de bedreiging van de biosfeer vragen om een andere aanpak.
VerLichting van de 'Verlichting'
Er is volgens Schuurman een fundamentele heroriëntatie van de technisch-economische orde nodig. Hij noemt dat een VerLichting van de ‘Verlichting’.
Vervolgens schetst hij een cultuurbeeld, waarin we de aarde als een tuin-inontwikkeling, een ‘gemeenschapshuis’, aanvaarden. De techniek komt dan in dienst te staan van alles wat leeft. In vergelijking met de ‘technische ethiek’ biedt deze ‘verantwoordelijkheidsethiek’ nieuwe mogelijkheden door de herintroductie van oorspronkelijke waarden en normen. In dat perspectief is er, aldus Schuurman in zijn laatste college aan de TU Delft, een weg die boven het dilemma van het ‘technische paradijs’ en de ‘de technische Apocalyps’ uitstijgt.
Het is de keuze voor een ander ethisch toetsingskader. Door andere prioriteiten te stellen dan de gangbare en door het ontwikkelen van alternatieven komt duurzaamheid binnen bereik. De mens zou moeten leren leven van de rente van het in de schepping geschonken ‘kapitaal’. Belangrijk principe daarin is de aanvaarding van natuurlijke kringlopen. De noodzakelijke ‘nieuwe’ techniek moet economisch productief, ecologisch en cultureel aangepast en sociaal rechtvaardig zijn.
Ook persoonlijke en/of gemeenschappelijke voldoening krijgen in deze ‘tuin als gemeenschapshuis’ weer aandacht.
Bovendien krijgen we in dat perspectief hernieuwd zicht op ‘rust’, ‘tijd hebben’ en ‘geestelijke opbloei’, de vergeten sociale waarden van de techniek.
Curriculum Vitae:
Prof. dr. ir. E. Schuurman (1937) studeerde civiele techniek (cum laude) aan de Technische Universiteit Delft en filosofie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Hij promoveerde in 1972 op het proefschrift ‘Techniek en Toekomst --Confrontatie met wijsgerige beschouwingen’.
In 1972 werd hij bijzonder hoogleraar in de Reformatorische Wijsbegeerte aan de Technische Universiteit van Eindhoven, waar hij sinds 1969 doceerde. Sinds respectievelijk 1974 en 1986 vervult hij de functie van bijzonder hoogleraar in de Reformatorische Wijsbegeerte ook aan de Technische Universiteit van Delft en aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen.
Van 1981 tot 1983 was hij lid van de zogenoemde Brede DNA-commissie, die in opdracht van de regering de maatschappelijke en ethische aspecten van werkzaamheden met erfelijkheidsmateriaal bestudeerde. Van 1983 tot 1984 maakte hij in de V.S. deel uit van een internationaal researchteam over ‘Responsible Technology’. Hij is sinds 1983 voorzitter van de RPF-fractie en sinds 2001 van de ChristenUnie-fractie in de Eerste Kamer der Staten Generaal.
Van 1987 tot 1997 was hij voorzitter van het Prof. dr. G.A. Lindeboom Instituut voor medische ethiek. Van 1995 tot 2001 was hij voorzitter van het Instituut voor CultuurEthiek. Sindsdien is hij voorzitter van de Wetenschappelijke Adviesraad van dat Instituut. In 1994 werd hij eredoctor in de Technische Wetenschappen van de Potchefstroomse Universiteit in Zuid-Afrika. In 1995 kreeg hij in Berkeley een Templeton Award voor onderwijs in religie, Wetenschap en technologie.