Dienaar van het Woord (IV)

2002-04-19
  • Jaargang 46
  • nummer 8
De essentie van het kerk-zijn, ook daar is een bepaald spanningsveld te constateren. Zoals het geldt van de relatie van God tot ons, dat wij in het Verbond zijn en nu ook uit dat Verbond moeten leven, zo geldt ook van de kerk, dat de Here zegt: ‘Gij zijt kerk, wees nu ook waarachtig kerk!’ Kerk, Kuriake, houdt in, dat we te maken hebben met de kring van hen, die bij de Here Jezus Christus horen.
Die kerk kan getypeerd worden als het huisgezin van de Vader zoals de NGB het doet. Wij zijn allen kinderen van één Vader! Vader zorgt voor ons in liefde en vraagt van ons een dankbare opstelling, die heel ons leven doortrekt.

Afhankelijkheid gaat zo gepaard met áánhankelijkheid. Die kerk wordt ook door Paulus gekarakteriseerd als het lichaam van Christus. Jezus is het Hoofd, wij zijn de leden, die een verantwoordelijkheid hebben te bedienen ten opzichte van elkaar, ziende op de Here Jezus. Paulus noemt zelfs eenmaal, aldus Prof. Veenhof, Jezus en alle gelovigen in hun onderlinge, onverbrekelijke verbondenheid en eenheid kort en goed en zonder meer: Christus. Wie Christus niet kent, kent ook de kerk niet. Wie de Christus werkelijk kent, kent ook de kerk.
Veenhof schrijft daarover o.a. het volgende:’ De band tussen Christus en de kerk is blijkens deze woorden zo innig, dat Jezus zonder zijn kerk niet bestaat.
Maar dat, omgekeerd, de kerk zonder Christus ook een onmogelijkheid is!
Jezus zonder de kerk - dat is de wereld voor satan. Maar de kerk zonder de permanente, levende gemeenschap met Christus - dat is een kapel van de duivel’.
De kerk is de vergadering van de ware christgelovigen volgens art. 27 NGB. Er staat in de Latijnse tekst: ‘Omnium vere fidelium christianorum’- van alle ware christgelovigen.
Hierop heeft onze leermeester zich regelmatig beroepen in zijn strijd in de kerk om de kerk en zijn spreken en schrijven over de kerk. Evenals Greijdanus poneerde Veenhof, dat dus iedere gelovige behoort bij de kerk. Dat is het effect van Gods bijeenbrengende wil. Hij vergadert zijn kerk door zijn Zoon Jezus Christus.
Dat gebeurt door zijn Woord en Geest. Maar nu hebben ook al die gelovigen de opdracht om elkaar te zoeken in het geloof en zo samen te komen, samen het instituut van de kerk te vormen. Die vergaderingsactiviteit van God gaat permanent door.
Vergaderen wij met Hem mee naar de normen van de Schrift of staan wij met al onze goede bedoelingen Hem tegen in zijn arbeid en zijn wij bezig de kudde van Christus te verstrooien? Jezus zei: ‘Wie met Mij niet is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit’ (Lucas 11:23). Zo vergadert, beschermt en onderhoudt Christus zijn kerk ( zie zondag 21 H.Cat). Let wel: Het is Zijn kerk! Alle ellende in de kerk komt ten diepste steeds hieruit voort, dat men die kerk beschouwt als iets, een stukje van zichzelf. Men zal zélf orde op zaken stellen. Men zal zélf als mensen bepalen wie tot de kring mogen behoren en wie men meent te moeten buitensluiten. En steeds word je daarin geconfronteerd met allerlei bovenschriftuurlijke bindingen. Daaraan gaat de kerk kapot. Het klinkt raar, maar het is waar: hiërarchie en sektarisme zijn een broertje en een zusje van elkaar.
Vergaderen, beschermen en onderhouden mag men nooit van elkaar losmaken. Veenhof betoogde, dat het eigenlijk een soort drie-eenheid is. Wij geloven niet ín een of de kerk. Dat zou afgoderij wezen. Nee, ik geloof, dat er een kerk is, een heilige (afgezonderde), katholieke (algemene), christelijke kerk.

Christocratie
Christus heeft het voor het zeggen, Hij alleen en Hij helemaal. Het gaat dus om de Christocratie. De kerk wordt door de Christus geregeerd. Dat betekent: alles wat in de kerk wordt gezegd en gedaan en nagelaten moet getoetst worden aan het Woord van de Koning van de kerk. Veenhof merkt ergens in dat verband op: ‘Omdat de kerk schepsel is, máákt de kerk ook niet zalig. Zij wórdt zalig gemaakt, uit genade, door God, op grond van de verdienste van Jezus Christus en door de Heilige Geest’. De betrokkenheid op Christus brengt dan ook onherroepelijk mee, dat de kerk niet naar binnen gericht mag zijn, zodat zij de wereld verwaarloost en zich alleen maar bezighoudt met eigen zaken, die intern spelen. Zij mag ook niet extrovert zijn in deze zin, dat zij alleen maar naar buiten gericht is en de wereld op het oog heeft terwijl men geen aandacht besteedt aan de normen, die de HERE gegeven heeft voor de omgang met elkaar in het huis van God. Nee, de kerk moet supravert wezen. Ze moet het alleen verwachten van haar Hoofd en Here Jezus Christus. Zij moet de hulp van boven begeren. De belijdenis, vervat in de imponerende uitspraak: Eben-Haezer - Tot hiertoe heeft de HERE ons geholpen - moet doorgloeid zijn van de Heilige Geest. Zo kan men in de kerkdienst elke zondag weer van start gaan. Want in dat kader krijgt het votum aan het begin van de ontmoeting van de gemeente met Jahweh naar Psalm 124:8 een verdiept reliëf.
Het is pars pro toto - deel voor het geheel.
Zo alleen kan de kerk de wereld dienen met het waarachtige evangelie van Jezus Christus! De essentie van het kerk-zijn is dienst aan God, aan elkaar en zo aan de mensen, die buiten zijn!
De worsteling om kerkelijke eenheid Veenhof heeft in zijn leven twee kerkscheuringen meegemaakt. Van beide is hij het slachtoffer geworden. Dat is intriest, vooral, omdat hij steeds meer oog had gekregen voor de gereformeerde oecumene. In een bepaald geschrift heeft hij zijn uiterste best gedaan om de bezwaarden in de (synodaal) gereformeerde kerken ervan te overtuigen, dat zij zich moesten vrijmaken van het gepleegde onrecht. In een ander boek heeft hij via vele citaten, ontleend aan artikelen van Schilder en preken van Holwerda, de situatie geschetst waarin in de zestiger jaren de vrijgemaakte kerken verzeild waren geraakt. Hij deed een hartstochtelijk appel op de broeders en zusters om elkaar vast te houden, omdat er op dat moment geen wezenlijke grond aanwezig was om uit elkaar te gaan. Toch kwam de breuk.
Wat heeft de satan nog een ontzettende macht in de kerk! Maar ook heeft Veenhof heerlijk geschreven over de hervonden eenheid tussen de Afgescheidenen.
Een schuldbelijdenis van Brummelkamp en Van Velzen had hem diep getroffen. Via een hereniging van de uit elkaar geslagen groepen wilde de Here vervolgens de Afgescheidenen zegenen. Veenhof had als hoogleraar in de ambtelijke vakken veel belangstelling voor de kerkhistorie. Het heeft hem verblijd, dat hij werd uitgenodigd aan de studenten van de Theologische Universiteit van de Oudestraat college te geven over de catechese bij de Afgescheidenen.
Prof. Veenhof memoreert in een van zijn werken de rectorale rede van Simon van Velzen. Van Velzen was toen tachtig jaar en koos als thema voor zijn rede: ‘De vereniging van waarheidsliefde en verdraagzaamheid’.
Het was in het jaar 1889. Ik citeer uit deze rede het volgende: ‘..O, geloovigen! geeft de broederhand aan allen, die met ons hetzelfde geloof belijden; het geloof, dat wij weten overeenkomstig Gods Woord te zijn. Theologische School van Kampen, wees hierin ter voorbeeld! Laat bij u waarheidsliefde en verdraagzaamheid heerschen!
Werk er toe mede, dat de Christelijke Kerk haren vollen wasdom verkrijge, opdat zij in duidelijke betekenis, voor geheel de wereld zichtbaar worde, als eene heilige, algemene of katholieke Christelijke kerk. O bedenken wij allen: ’Die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. God is liefde’. Vlak voor zijn dood heeft van Velzen nog de Vereniging met de Dolerenden in 1892 in de Keizersgrachtkerk te Amsterdam meegemaakt.
Zo heeft Veenhof zich verdiept in de historie van de kerk en hij heeft gelijk als hij stelt: ‘Waar de kerk lééft, daar groeit als vanzelf de wil tot kerkelijke eenheid’. Het is goed over deze woorden ernstig na te denken!

De dienst der barmhartigheid
De hoogleraar in de ambtelijke vakken heeft zich uiteraard bezig gehouden met de betekenis van het ambt in de kerk. De ambten zijn gerelateerd aan het excellente ambt van Christus Zelf!
Dat ambt van de Here Christus is één!
Hij is onze hoogste Profeet en Leraar, onze enige Hogepriester en onze eeuwige Koning. Christus bedient Zich in de uitoefening van het ambt in het midden van zijn kerk van zwakke, zondige mensen. Vooral het priesterlijke ambtsaspect komen wij tegen in de dienst der barmhartigheid. Veenhof heeft in dit kader vooral aandacht besteed aan de mannen van de Doleantie.
J.C. Sikkel, destijds predikant te Amsterdam, een kritische leerling van Kuyper, hield de gelovigen voor, dat het bewijs van een reformatie, die door God uit genade werd geschonken, in twee dingen bestaat:
1-Hierin, dat de kerk weer Jezus Christus gaat erkennen als haar enig Hoofd en zijn Woord als haar enige leefregel.
2-Dat zij zich weer wendt tot het ellendige om dat te behouden.
Veenhof accentueerde steeds, dat God de absolute Eigenaar is van alle geld en stoffelijk goed. Van HEM zijn wij afhankelijk. Wij zijn slechts rentmeesters!
Er wordt elke dag door miljoenen mensen op grove en grote schaal diefstal gepleegd. De diaconale houding, de diaconale arbeid van de kerk dient doortrokken te zijn van het elementaire beginsel, dat in de kerk allen allen dienen met alles! Veenhof heeft steeds weer benadrukt het woord van Paulus: ‘Want de geldzucht is de wortel van alle kwaad’ (I Tim.6:10). Daar staat letterlijk een woord voor geldzucht, dat: zilverliefde betekent. Een –en andermaal heeft onze leermeester op een diaconale conferentie gesproken over de diepe betekenis van Johannes 13-de voetwassing. Het was de liefdedienst, die de Christus verrichtte aan de vuile voeten van zijn onbeschofte discipelen.
Zo moet de slavengestalte van Jezus in ons dienend leven steeds opnieuw gestalte aannemen. Veenhof heeft zich in het kader van de religieuze problemen rondom armoede en ouderenzorg beziggehouden met de achtergronden van de ABW en verder het religieuze karakter van het Communisme geanalyseerd. Hoeveel artikelen heeft hij niet geschreven over verschil lende onderwerpen in de Reformatie, Opbouw, Dienst etc.! We moeten hier helaas eindigen. Er zou nog heel veel te schrijven zijn over het werk van deze begaafde broeder in Christus. Het contact met hem heeft mij persoonlijk verkwikt en zijn prediking en onderwijs hebben mij gestempeld. Het getuigt van grove ondankbaarheid jegens onze Schepper-Vader wanneer wij de nalatenschap van Cornelis Veenhof ongebruikt laten liggen! Tolle lege, neem en lees!

Er is gebruikgemaakt van verschillende artikelen en geschriften van C. Veenhof en daaruit soms letterlijk geciteerd. We geven daarvan de volgende opsomming al is het niet in chronologische volgorde:
OPBOUW, 7e Jrg, no 32.
OPBOUW, 7e Jrg, no.35.
Het Woord Gods in den brief aan de Hebreeën.
De volkomenheid der sacramenten.
Prediking en Uitverkiezing.
Om kerk te blijven.
Kerkgemeenschap en Kerkorde.
Ambt en kerkregering bij Sikkel.
Christelijke diaconie en ABW.
Om wel te doen.
Het goddelijk wonder der Prediking.
Verder raadpleegden wij:
Levend en krachtig -Professor C. Veenhof over het Woord en de preek.
Doctoraalscriptie diakoniologie van Martin van der Klis.
W.Smit: ‘Kleine Utrechtse Kerkgeschiedenis’.
D.W.L. Milo: Opbouw, 26e Jrg, no 8.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief