De brief van Douma

2002-04-19
  • Jaargang 46
  • nummer 8
Een paar maanden geleden (Opbouw 3, 8 februari) heb ik in deze rubriek een aantal passages overgenomen uit de brief die professor Douma heeft geschreven aan de Generale Synode van de GKV in Zuidhorn, en waarin hij vraagt om een schuldbelijdenis van de Vrijgemaakte kerken over de fouten die er gemaakt zijn in de zestiger jaren, de tijd waarin de Nederlands Gereformeerde kerken zijn ontstaan.
Natuurlijk moesten er reacties komen op de brief van Douma. In de Vrijgemaakte pers tekent zich een drietal lijnen af:
1. De formeel-kerkrechtelijke benadering: is deze brief wel ontvankelijk?
Wie dat punt ter tafel brengt, pleegt zelf die vraag ontkennend te beantwoorden.
2. Een meer inhoudelijke benadering, maar dan beperkt tot het verleden: de Open Brief was in zichzelf wél duidelijk, en de synodes van Amersfoort-West (1967) en Hoogeveen (1970) valt niets te verwijten toen zij hún interpretatie van de Open Brief uitgaven voor de enig mogelijke; hoor en wederhoor was helemaal niet nodig.
3. Tenslotte een ook inhoudelijke benadering, maar dan één die z’n insteek vooral lijkt te kiezen in het heden: wat is het de GKV waard om in de tijd waarin we nú leven te komen tot herstel van kerkelijke eenheid met de NGK?
Het maandblad Nader Bekeken (maart) heeft professor C. Trimp gevraagd naar zijn visie; hij vat die zelf samen in een drietal kwalificaties: Het voorstel-Douma is goedbedoeld, verkeerd gepresenteerd en daaromjammer genoeg - niet doeltreffend.
In hetzelfde blad trekt eindredacteur H.J.C.C.J. Wilschut zich terug op het kerkrechtelijke aspect: omdat Douma een nieuwe zaak aan de orde stelt, is zijn brief niet ontvankelijk. En daarmee is het, ondanks de naam van dit blad, wel bekeken.
De Reformatie pakt stevig uit. Het nummer van 30 maart is een themanummer geworden over De Open Brief, in relatie uiteraard met de brief van Douma.
Niet minder dan vijf redacteuren geven hun oordeel. Na een drietal bijdragen waarin de auteurs (B. Luiten, B. Kamphuis en G.J. van Middelkoop) het opnemen voor de besluiten van de synodes van 1967-1970, volgen nog twee artikelen waarin voor mijn gevoel de meest interessante dingen naar voren worden gebracht (toegegeven: ik ben misschien niet helemaal onbevooroordeeld).
Onder de charmante titel ‘Mag ik deze dans van u?’ brengt vakbondsman J. Westert inzichten uit de conflicthantering ter sprake. Het herstel van een met zoveel emoties omgeven kerkelijke breuk vraagt om een periode van pacificatie. Een periode om te gebruiken voor wederzijdse groei in vertrouwen om geschilpunten op te lossen en door te praten op inhoudsniveau.
Het komt mij voor dat de gevraagde bezinning van Douma daarbij van wezenlijke betekenis kan zijn. Zijn pleidooi: laten we alles wat in ons vermogen ligt doen om de ander echt ten dans te vragen! En hoewel ik niet kan dansen, zou ik deze keer graag mee doen.
Verrassend is Westerts verwijzing naar datgene wat zich in NG Zwolle heeft voltrokken, als model voor hoe het ook zou kunnen gaan tussen GKV en NGK: Bij conflicten tussen christenen in mijn werkomgeving kwam het gesprek de afgelopen tijd een aantal keren op het conflict tussen Paulus en Barnabas over Johannes Markus (Handelingen 15,36-40). () In het dichten van de breuk tussen twee Nederlands Gereformeerde Kerken te Zwolle gebruikte dominee Van der Linde eveneens deze tekst in het proces van herstel. Het conflict van Paulus en Markus kan ons ten voorbeeld strekken in het werken aan het herstel van verhoudingen. Als we niet los komen van het verleden, worden we er een gevangene van. De Bijbel geeft een voorbeeld van de ruimte, die weer kan komen in verhoudingen. In Christus kunnen we leren een goed getuigenis te geven van de ander. Ja, juist daarom zou ik graag die dans willen meemaken.
Tenslotte drs. A.L.Th. de Bruijne (Douma’s opvolger in Kampen). Hij is het eigenlijk eens met Douma, maar ziet toch een behoorlijk gevaar; niet in de brief op zichzelf, maar wel in de mogelijke gevolgen van een kerkelijke behandeling ervan op de synode. De Bruijne: Het lijkt me een groot risico dat nu () een kerkrechtelijke discussie op gang komt, die geen winnaars zal hebben.
Want als de Generale Synode besluit om Douma's verzoek niet ontvankelijk te verklaren, ontstaat er waarschijnlijk grote onrust bij dat deel van de kerkleden dat het hartgrondig met Douma eens is. Ook zullen Nederlands Gereformeerden en andere betrokkenen het als een formalistische ontsnappingsweg ervaren. Maar als de Generale Synode het verzoek wel in behandeling neemt en er wellicht aan gaat voldoen, dan zullen zij die zich door dit verzoek toch al in het nauw gedrukt voelen, waarschijnlijk grijpen naar het kerkrechtelijke argument van de onontvankelijkheid en komt het in de komende jaren niet tot een gesprek over de zaak zelf maar tot een formalistisch debat rond dat punt.
Deze zorg brengt De Bruijne tot de volgende suggestie: Misschien kan 'Zuidhorn' maar beter niet op dit moment al aan Douma's verzoek voldoen. Tegelijk is het belangrijk dat zij een proces van bezinning op gang brengt en niet frustreert.
Misschien kan de Generale Synode maar het beste zelf eerlijk de kwetsbaarheid van haar positie bij dit verzoek verwoorden.
() Laat zij vervolgens eerlijk aangeven waarom een eenduidige beslissing van haar over deze kwestie naar twee kanten toe riskant is. () Tegelijk lijkt het mij mogelijk om in het kader van de bespreking van de contacten met andere kerken als synode in te brengen dat er twijfels gerezen zijn over de behandeling van de Open Brief in de jaren '60.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief