Theologische ontwikkelingen in de twintigste eeuw (1)

2002-06-14
  • Jaargang 46
  • nummer 12
Het besef een mens van de dag te zijn komt bij mij wel extra sterk naar boven bij de poging iets over een hele eeuw te zeggen en wel over de ontwikkeling van de theologie in de twintigste eeuw. Eeuw heeft met eeuwig te maken, dat wil zeggen dat in het woord eeuw een benul aanwezig is van uit te stijgen boven de tijdelijkheid waarmee wij mensen meer vertrouwd zijn. Daar komt nog bij dat het over de twintigste eeuw gaat.
Zou er wel een eeuw te noemen zijn waarin zoveel nieuwe ontwikkelingen begonnen zijn en waarin daarop zo sterk en veelvuldig in geesteswetenschappelijke en dus ook theologische zin is gereageerd? Veelheid en veelsoortigheid zijn daarvoor wel de sleutelwoorden.

Het universele van de negentiende eeuw
Om een vergelijking met de negentiende eeuw te maken (met een behoorlijke overloop trouwens tot in de twintigste eeuw toe): Was dat niet de eeuw waarin de rust gevonden werd voor de grote, samenvattende standaardwerken op theologisch gebied, zoals het Lehrbuch der Dogmengeschichte van Adolf von Harnack (drie delen; eerste druk 1886ev) of de Gereformeerde Dogmatiek van Herman Bavinck (vier delen; eerste druk 1895ev) of de Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid van Abraham Kuyper (drie delen; eerste druk 1893ev). Veel theologische werken van encyclopedische allure zagen in de negentiende eeuw het licht, geschreven door enkelingen die daarnaast nog een menigte boeken meer produceerden. Je staat er versteld van dat ze dit allemaal hebben gekund!
Zij zorgden voor een theologisch raamwerk waarbinnen de geleerden van de twintigste eeuw hun bijstellingen en nuances beproefden. Zij waren universeel, hetgeen ook wel hierin tot uitdrukking kwam dat ze zich bij voorkeur op dogmatisch gebied bewogen, het terrein waarop immers niet alleen de verschillende lijnen van de theologische wetenschap samenkomen maar waar ook de confrontatie met de filosofie als de 'dogmatiek' der andere wetenschappen plaats vindt.

Twintigste eeuw: tijdperk van detailonderzoek
Daartegenover vertoont de theologie van de twintigste eeuw een meer fragmentarisch karakter. Het is de eeuw waarin de vakdisciplines in een brede uitwaaiering naar voren zijn gekomen.
Grote concepties zijn zeldzaam geworden.
Natuurlijk is daar als grote uitzondering Karl Barth bij te noemen, met zijn Kirchliche Dogmatik (vier delen, dertien banden; eerste druk 1940ev), en voor wat ons taalgebied betreft zouden de namen van de denktheologen Oepke Noordmans, Heiko Miskotte, Klaas Schilder en Hendrik Berkhof te vermelden zijn, maar in het algemeen overwegen toch, vooral in de tweede helft van de vorige eeuw, de detailstudies.
De theologie is ook meer beschrijvend geworden, meer leeswerk dan denkwerk, meer voorzichtig dan stellig, meer descriptief dan prescriptief.
Veel academische proefschriften beschrijven hoe een bepaalde coryfee over een bepaalde idee of item heeft gedacht. Historische nauwkeurigheid is daarbij het voornaamste criterium.
Vrijblijvendheid ligt op de loer. Er zijn voor dit detaillisme wel verschillende verklaringen te geven. In de eerste plaats is onze tijd jachtiger geworden, waardoor voor een wat afstandelijker kamergeleerdheid minder tijd en plaats is. En in de tweede plaats is het veld van onderzoek, vooral op bijbelgebied, enorm gegroeid. De geweldige stroom van informatie leidt bepaald niet automatisch tot een ontwikkelen van eigen gedachten. En dan is er natuurlijk ook de toenemende ingewikkeldheid van het moderne leven, waarin voor eenduidige oplossingen steeds minder plaats is. Om enigszins aan het euvel van de versnippering te ontkomen die van het detaillisme het gevolg is, werken daarom de geleerden tegenwoordig meer dan vroeger in teamverband.
Maar hoe te verontschuldigen deze voorzichtigheid en deze verkruimeling ook zijn, het blijft een groot bezwaar tegen de twintigste-eeuwse theologie dat daarin de dogmatiek in de engere zin van het woord onvoldoende tot haar recht komt. De samenvatting ontbreekt teveel, daarvoor leunt men eigenlijk nog tegen de grote denkers van de negentiende eeuw aan. Want als men volstaat met het bestrijden van hun conclusies stelt men zijn afhankelijkheid van hen ten toon.

Naast nadeel ook voordeel in het detaillisme
Dat trouwens de tijd van de grote concepties ook wel z'n nadelen had bewijzen de theorieën van Darwin, Marx en Freud op het gebied van de algemene wetenschap, en in het voetspoor daarvan die van (bijvoorbeeld) Julius Wellhausen op theologisch gebied.
Deze bijbelgeleerde zette in zijn Prolegomena zur Geschichte Israels (1883) het hele Oude Testament op z'n kop doordat hij de volgorde van Wet en Profeten omkeerde. Naar de profeten ging vanwege hun oorspron kelijkheid zijn voorkeur uit, terwijl hij in de wetgevende delen van de bijbel de latere verstarring proefde. Deze Hegeliaanse benadering van hem hield gedurende de hele twintigste eeuw de bijbelwetenschap in een ijzeren greep, maar in diezelfde tijd zijn daar door de voortschrijdende godsdiensthistorische studies toch veel bressen in geslagen en is daar heel wat op af te dingen gebleken. Daarin bewees zich het voordeel van de detailstudies die veel nadere kennis boven water brachten.
Want dat is toch wel voor de twintigste eeuw met name noemenswaard, dat wij door de wetenschap van de spade en de verwerking van de opgravingresultaten een geweldig toegenomen kennis van de bijbelse Umwelt hebben gekregen. En dat gaat nog steeds door. De Heilige Schrift blijkt te passen in de wereld waarin zij is ontstaan, zozeer zelfs dat het moeilijk is geworden het eigene van Gods Woord te onderscheiden. De tendens bestaat zelfs om het bijzondere van de bijbel in het algemene van de omliggende religies te laten op- en ondergaan. Zoals wanneer je in China komt je in de eerste tijd alle Chinezen wat hun uiterlijk betreft over één kam scheert. Pas na langduriger verblijf aldaar gaan de verschillen meer opvallen en krijg je daar ook oog voor.
En dat lijkt mij dan ook een opgave voor de bijbelwetenschap van onze pas begonnen eeuw om temidden van al het overeenkomstige van de bijbel en z’n Umwelt dat eigene van de Heilige Schrift er duidelijker dan tot dusver uit te laten komen. Het treft mij in de bijbelcommentaren dat de tekst vaak zo wordt uitgelegd dat hij naar de algemeenheid wordt toegebogen. En het is waar: voor elke tekstsoort uit de bijbel vind je in Babel of Egypte wel parallellen. Of het nu vertellingen zijn, of wetten, of profetieën, of gebeden, of psalmen, of wijsheidsspreuken, of raadsels of memoires of liefdespoëzie of kroniekmatige geschiedenisbeschrijvingen, het is er allemaal.
En waarin precies onderscheidt zich dan de bijbel nog van die gelijkende litteratuur?

Verzoening wenselijk tussen generalisme en specialisme
Nu, misschien toch wel in de samenhang van al die tekstsoorten. Dat ze in de bijbel, zoals dat bij de Prediker gezegd wordt, 'gegeven zijn door één herder' (Prediker 12:11). De samenhang dus, het recht om behalve van ta biblia (meervoud: boeken, de bijbel als bibliotheek), te spreken van de bijbel als enkelvoud en boek van één boodschap.
Ik denk hier aan wat de Heer gezegd heeft in de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters over het conflict met de landheer: 'Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de een, doodden de ander en stenigden een derde. Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem' (Matteüs 21:34-39). Hier is de werkelijkheid tot uitdrukking gebracht dat het in al die successieve gebeurtenissen en toestanden die de hele oudtestamentische tijd vullen (en waarvoor ook een veelheid van literaire vormen nodig is geweest om er recht aan te doen) om éénzelfde zaak gaat tussen dezelfde heer en in wezen hetzelfde personeel, om een en hetzelfde geding tussen God en mens. En dat besef van eenheid vind je noch in Babel, noch in Egypte, noch in Kanaän. Van deze eenheid getuigt ook het begin van de brief aan de Hebreeën: 'Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon...' (Hebreeën 1:1). Ik zou willen dat men, ingaande op de grote verscheidenheid die we in de Schrift aantreffen en die met behulp van de godsdienstige litteratuur van de omliggende volken prachtig opgehelderd kan worden, weer wat meer naar die eenheid zou gaan toewerken. Dat, met andere woorden, het vak Openbaringsgeschiedenis of Historia Revelationis, dat tegenwoordig 'veracht'lijk wordt een plaats ontzegd', weer in ere werd hersteld. En dat op deze wijze de voordelen van de negentiende met die van de twintigste eeuw gecombineerd zouden worden en het generalisme van toen met het specialisme van tegenwoordig tot meer vrede zou komen. Want met het enkel ten toon spreiden van de grote verscheidenheid: 'Wühle und wähle, es ist alles darin', - houdt de bijbel op duidelijk te boodschappen.
Dat wat de bijbelwetenschap betreftnog altijd veruit het belangrijkste onderdeel van de theologie.

Noot Deze bijdrage bevat de tekst van een lezing, door de auteur gehouden voor de Interkerkelijke Commissie Toerusting te Baarn op 20 februari 2001

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief