Onder de blije ogen van God

2002-06-27
  • Jaargang 46
  • nummer 13
‘Moeder was predikantsvrouw. Dat is iets anders dan vrouw van een predikant: moeder maakte het tot een eigen ambt in de gemeenten waar ze stond. Iedere verjaardag, ieder kind of kleinkind, alle wel en wee had ze in haar hoofd. Niet als een heleboel weetjes, maar om er iets mee te doen, om te zorgen, om mee te vieren en mee te dragen. En dat deed ze dan altijd vanuit een heel diep en fijngevoelig inzicht in het hart van mensen, in wat er onder de oppervlakte was.
Met wijsheid dus.
Gesprekjes met haar, ook bijvoorbeeld met de kleinkinderen, ze gingen altijd ergens over, over hoe je iets beleefde, hoe het echt voelde. En iedereen wist en voelde: zo geeft moeder handen en voeten aan de liefde van Christus voor mensen, vooral de kwetsbaren.
En toen haar eigen mobiliteit afnam, ook de laatste twee maanden in het ziekenhuis en daarna in de Halderhof, altijd ging haar adresboekje mee om dan maar via een kaartje of een belletje mee te leven of om vader ´bij de les´ te houden.’

Het is vrijdag 7 juni aan het begin van de dienst van Woord en gebed voorafgaande aan de begrafenis van Jo van den Brink. Zoon Wouter tekent zijn moeder uit - verdrietig, maar ook dankbaar. ‘Verdrietig om het verlies, dankbaar om wat moeder gewonnen heeft en om wat we in haar hebben gekregen’.

Predikantsvrouw, maar ook echtgenote, moeder en grootmoeder ....’ In ons gezin deed heel laat de TV zijn intrede.
Belachelijk laat vonden wij toen.
Maar nu herinner ik me toch vooral de tijd ervoor. Al die spelletjes, samen om de legpuzzels, al dat geknutsel, pitriet, borduurwerk. Moeder deed mee, deed voor, maakte enthousiast.
Zo heb zelfs ik nog een grote geborduurde driemaster op mijn naam staan.
Huis werd thuis. Borduren.
Wat heeft moeder veel kruissteken gemaakt in haar leven. Tot haar handen niet meer wilden. Toen ging ze schilderen, zolang dat nog kon.
Zondag zagen we haar handen. Ze waren niet meer verkrampt zoals de laatste tien jaar, ze kunnen weer borduren.’

De Van den Brinken lieten ons in de dienst de liederen zingen uit de top-tien van wat ze vroeger samen als gezin aan tafel altijd hadden gezongen. Eens komt de grote zomer (Gezang 288), Geest van hierboven (Gezang 477) en Psalm 90. En natuurlijk Psalm 23, waar ds. Dick Lagewaard zijn meditatie om heen had gebouwd: ‘De Here is mijn herder.
Toen Annemarie afgelopen zondag in het ziekenhuis was en meemaakte dat het einde zo plotseling kwam neuriede ze het als gebed zonder woorden maar met zoveel inhoud.
En Gert had diezelfde morgen gelezen uit psalm 23:6 over het wonen bij God. De dochter neuriede het vanuit het dal, de vader las het met het oog op de heerlijkheid die komen zou. Het is een psalm waar miljarden anderen naar gegrepen hebben.
Miljarden, omdat het zo dichtbij het leven staat en tegelijk uitzicht biedt op iets ongehoords ‘.

Uitzicht, waar Rachel en Mirjam, twee kleindochters over lazen uit Openbaring 21 en 22. De dienst eindigde met een dankwoord van ds. Gert van den Brink, even ontroerend-persoonlijk als boodschappelijk. Niet altijd komen zulke dankwoorden in Opbouw, maar soms is het goed. Ter nagedachtenis aan Jo van den Brink en andere (predikants)vrouwen, moeders en grootmoeders …

Lieve mensen,
Ik beperk me tot een paar flitsen uit de laatste twee maanden.
We zijn in het ziekenhuis, afd. neurologie, kamer 242.
Vier mensen, getroffen door een beroerte.
Na een paar weken is Jo de beste.
Ze denkt helder, spreekt duidelijk en heeft met de anderen te doen. Net alsof zij zelf niet ziek is. Als de kinderen van de overbuurvrouw en overbuurman komen, vertelt ze hoe de nacht was. Al gauw komt de familie eerst bij het bed van Jo langs om naar vader en moeder te informeren: is er nog wat gebeurd. Ik ben daar best een beetje trots op.

Een volgende flits.
Het is avond: De zieken worden klaar gemaakt voor de nacht. Eerst de drie ernstigsten. Tenslotte komt de zuster bij Jo. Die zegt: ‘Zuster…de manier waarop je (ze zei nooit U, maar altijd je)…de manier waarop je die zieken onderstopte… het was kostelijk. Het was mooier dan de mooiste T.V. uitzending.
Ik heb ervan genoten’. Een dag later was ze er nog vol van.

Volgende flits.
Ze is dan in De Halderhof. Het is 12 uur, middernacht. Ze kan niet slapen. De nachtzuster komt op haar bed zitten en fluisterend om de anderen niet wakker te maken, zetten die twee een heel gesprek op. Babbelen een eind aan elkaar. ‘Het was zó gezellig’, vertelde ze de volgende dag. ‘Zó gezellig’.
Toen ze zondag j.l. plotseling gestorven was, waren de zusters van de Halderhof ontdaan. Eén van hen zei: ‘Ze was zó dankbaar. Telkens zei ze: Dank je wel hoor! Dank je wel hoor! Ze had belangstelling voor ons. Hoe wij het hadden.
Hoe wij het maakten. Zulke bewoners hebben we zelden. We hadden haar zo graag gehouden’ Typerend voor Jo deze sociale betrokkenheid, haar aandacht en liefde voor mensen, vooral voor zwakken. Wat heb ik daar bij mijn dienst als pastor veel aan gehad.

Nog één flits. Zaterdag 1 juni.
We zijn in de onderzoekkamer van het ziekenhuis. Jo lijdt hevige pijnen.
De internist en de chirurg overwegen de dikke darm weg te nemen. En een stoma aan te brengen. De angst slaat me om het hart: ’O God, niet dát nog er bij. Neemt U haar dan maar weg’.
Binnen 24 uur is dat gebed verhoord.
Zondagmiddag is de pijn een beetje weggezakt. Ellen komt nog even langs.
Oma zwaait haar uit ‘Zul je op de verkeersregels letten?’. Als Annemarie even later binnenkomt en ik nog een paar minuten later, is alles voorbij.
Dan is ze in Christus aan alle ellende ontstorven. Stervend ontsnapt, zo snel dat de verpleging niets meer kon doen…

Een enorm verlies.
Ik weet wel dat ik dat gebed dapper vast moet houden.
Maar ik weet niet hoe ik en hoe wij verder moeten zonder haar.
Maar we zijn ook zo dankbaar dat verder lijden haar bespaard werd.
2 april werd ze opgenomen 2 juni is ze heengegaan Dit deel van haar lijden heeft ‘maar’ twee maanden geduurd.
Here God, dank U wel.

Kinderen, waar is Oma nu?
Ik denk dat de Heer Jezus hetzelfde tegen haar gezegd heeft als tegen de kruiseling naast Hem: ‘Heden zul je’ …semeron, staat er in het Grieks…dat betekent: vandaag nog. ‘Vandaag nog zul je bij Mij in het paradijs zijn’.
Ongelooflijk. Ik weet niet hoe dat kan.
Maar ik weet dat God geen God is van doden, maar van levenden.
En Oma's lichaam? We gaan dat zaaien in het graf. Wie weet hoeft ze daar maar kort te liggen. Dan verschijnt de Heer van de mensenoogst. Dan klinken de bazuinen luid, tot aan de verste kimmen.
Dan zullen alle doden uit, hun smalle graven klimmen.
Anders kunnen we het niet zeggen.
Wat zal 't dan gezellig worden met al die gezonde, levenslustige mensen, rond Christus, op een nieuwe aarde, onder de blije ogen van God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief