meisje van 16
2002-06-27
Ze doet me denken aan een liedje van Boudewijn de Groot.- Jaargang 46
- nummer 13
Ze is zonder meer een mooi meisje, heeft een symmetrisch gezicht en een leuk figuur.
De blik in haar ogen is wat onpeilbaar, maar ze is vriendelijk en behulpzaam.
Ze woont in een stad verderop, maar wilde dolgraag bij ons op school de opleiding volgen.
‘Jullie zijn gewoon goed,’ had ze gezegd.
‘We horen het graag’, had ik tijdens de intake geantwoord.
Op dinsdag komt ze bij me voor het verplichte voortganggesprek over haar resultaten.
Ze sluipt mijn lokaal in en heeft een verdrietige oogopslag. Vochtige ogen.
Niet rood van een recente huilbui, maar meer een teken van een overvol gemoed.
Ik zeg er eerst niets van. Dit soort meiden zijn Sturm und Drang meisjes, had mijn Duitse docent mij ooit wijsmaakt.
En die gaan qua stemmingen nou eenmaal von Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt… Als ik haar cijferlijst doorneem lijkt ze afwezig en geeft ze afgemeten sociaal wenselijke antwoorden.
Ik besluit haar te vertellen wat ik zie.
‘Je ziet er vandaag niet erg gelukkig uit, meid.’
Ze kijkt me nauwelijks aan en zegt: ‘Dat ben ik ook niet.’ Ik bedenk even of ik erop door zal gaan en als ik wil zeggen: ‘Wil je er over praten? ‘, dan zegt ze tegelijkertijd: ‘Het gaat om mijn vriend.’
Ze vertelt een fraai verhaal.
Hij is 25 jaar en woont in haar stad.
Haar ouders kennen hem wel, ze zitten op dezelfde tennisclub.
Ze vinden hem zelfs aardig.
Ik snap het, denk ik. Als je 16 bent is 9 jaar leeftijdsverschil een hele hoop.
Het is tegelijkertijd spannend, maar ook lastig.
Ze vertelt verder. Met af en toe een kleine aanmoediging ratelt ze door.
‘Hij is depressief,’ zegt ze, ‘hij belt me steeds vaker... want dan heeft hij me nodig zegt hij.’ Mijn vraagteken gezicht wordt beantwoord met: ‘Ja ook onder lestijd, dan ga ik even lokaal uit en doe ik alsof ik ga plassen. Hij is dan helemaal in paniek, hij belt me dan vanuit de auto en wordt weer rustig als hij mij hoort.’ ‘Weten je ouders nou eigenlijk dat jullie , eh, verkering hebben?’ Ze kijkt me verschrikt aan. ‘Natuurlijk niet. Hij is getrouwd.’ Daarna zegt ze, ‘Ik heb helemaal geen verkering met hem. Hij is gewoon een vriend. Hij heeft toch een beetje hulp nodig, ik volg er zelfs een opleiding voor…’
Ik luister met verbazing. Haar lichaamstaal is onzeker geworden, haar oogopslag onduidelijk.
‘We wandelen ook veel de laatste tijd. Op de begraafplaats. Daar komt hij het meest tot rust, zegt hij. En als hij me huisbrengt wil hij graag praten.’ ‘Thuisbrengt?’ ‘Ja als we gewandeld hebben of als ik bij hun thuis ben geweest. Ik kom er best wel veel hoor, zijn vrouw is ook aardig, maar die snapt hem niet altijd, zegt hij…’
Ik zoek een opening. Probeer tussen haar gedachten en gevoelens in te komen. Dan zegt ze. ‘Hij gaat zaterdag een ring voor me kopen. Die wil hij me geven omdat hij zoveel steun aan me heeft…’ ‘Een ring?…’
Ik besluit tegen mijn gewoonte in mijn mening te geven en een grens aan te geven.
Ze luistert zwijgend. Pijnlijke woorden.
Pijnlijke instructies.
Ogen die open gaan voor datgene wat ze misschien wel wist…
Ze lijkt mijn woorden tot zich te nemen als een medicijn.
Het glijdt haar hart in als een bitter, maar noodzakelijk drankje.
Als ze weg gaat denk ik aan de vagebond die haar om zijn vinger wond.