Theologische ontwikkelingen in de twintigste eeuw (2)
2002-06-27
In het eerste artikel van dit reeksje heb ik de negentiende eeuw getypeerd als de eeuw van het generalisme en de twintigste als die van het specialisme. Beide -ismes hebben hun voor- en nadelen. Vandaar mijn pleidooi om het goede van beide eeuwen met elkaar te combineren en de schades te vermijden. Dat wil zeggen dat we de geweldige toename van de detailinformatie, zoals de twintigste eeuw die heeft opgeleverd, zouden moeten inpassen in grotere kaders. De neiging tot samenvatting die de negentiende eeuw kenmerkte is in de twintigste eeuw wat verloren gegaan. Daar zouden we niet in mogen berusten. In dit artikel willen we nog een paar andere verschillen tussen de negentiende en de twintigste eeuw signaleren.- Jaargang 46
- nummer 13
De overgang van objectief naar subjectief
Behalve dat het in de theologie van de negentiende en de twintigste eeuw van het geheel naar het detail is gegaan, zie ik nog een andere overgang: die van het objectieve naar het subjectieve, van het fides quae (het geloof dat geloofd wordt) naar het fides qua (het geloof waarmee geloofd wordt), van het goddelijk Woord naar het menselijk antwoord . En dat ondanks de verwoede strijd die Karl Barth hiertegen gevoerd heeft. Bij hem kwam het antwoord zelfs wel in gevaar, is niet alleen mijn indruk. Maar van zijn inspanningen om bij God en zijn Woord te beginnen, is vandaag niet veel meer te merken.
Wat Karl Barth in het algemeen betreft: er is geen theoloog aan wie zoveel lippendienst bewezen is. En tegelijk: er is geen theoloog die zo gauw vergeten is. De meeste waardering voor hem vind je tegenwoordig nog bij zijn vroegere orthodoxe bestrijders.
De menselijke subjectiviteit eist vandaag haar rechten op en dat tendeert zelfs naar gelijkberechtigdheid met de objectiviteit van de goddelijke openbaring. Ik vind dat symptomatisch aangeduid in het adagium van het project 'Nieuwe Bijbelvertaling' dat in 2004 zijn afsluiting hoopt te krijgen.
Daarin drukt zich namelijk heel duidelijk een theologische visie uit die voor de afgelopen eeuw kenmerkend is geweest. (Als deze visie zich op een gebied als van het bijbelvertalen niet zou manifesteren, waar dan wel? En daarom kom ik er hier ook mee.
Als voorbeeld dus, als symptoom.) Deze vertaling dan wil zijn: 'brontekstgetrouw en doeltaalgericht'. Ik leg deze spreuk zo uit (en word daarin door de verschenen proeven bevestigd) dat ook de ontvangende taal een volwaardige stem in het kapittel heeft. Een zin als 'Zo zeggen wij dat nu niet meer' kan dan ook voor de vertaling van een of andere uitdrukking uit de grondtekst beslissend zijn; de neerlandicus staat op gelijke voet met de hebraïcus of de graecist. Dat laatste is terecht, maar er zit een addertje onder het gras. Wij moeten ons namelijk realiseren dat dit duidt op een geweldige verandering ten opzichte van vroeger. Want in het pleit voor het eigen recht van de ontvangende taal is het eigenlijk niet die taal maar de ontvanger zelf van de boodschap die zijn rechten opeist.
De vroegere vertalingen zeiden Tegen de doeltaal ‘Mond houden!', maar dat was ingegeven door het besef dat de Geest van God dat evenzo tegen de brontaal gezegd had. Dat als Jesaja zich tegen de Geest van de inspiratie had teweer gesteld met: Zo zeggen wij dat niet, hij te horen zou hebben gekregen: Niks mee te maken, Ik zeg het zo! Het Hebreeuws en het Grieks hadden tegenover de Geest der openbaring even weinig te zeggen als het Nederlands. Ook de grondtalen waren ontvangende talen, ook daarin moesten dingen gezegd worden die het Hebreeuws en het Grieks vreemd in de oren klonken.
Wel, ik zeg te weinig als ik opmerk dat ik voor dit oude standpunt begrip heb.
Dit is me uit het hart gegrepen, met als gevolg dat ik me een vreemdeling voel ten opzichte van deze omslag. Ik vind het een monstrum dat de ontvanger van de openbaring tegen de Gever ervan zou zeggen: Ik ben er ook nog!
M.i. weet je dan niet meer wat religie en wat goddelijke openbaring is.
Alleen, en dat is iets waar ik zelf ook niet uit ben, hoe ver gaat dat? Gaat het over de kern van de openbaring dan vind ik inderdaad dat niet alleen het Nederlands, maar ook het Hebreeuws en het Grieks met Maria (heb-
ben) moeten zeggen: 'Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord' (Lucas 1:38). Maar wat is de kern van de openbaring? Waar begint die en waar houdt hij op? Het is vanwege dat naar voren treden van onze subjectiviteit dat ik het moeilijker vind geworden in de theologie.
We zullen moeten leren met goede onderscheidingen te werken, zowel wat de bijbel (middelpunt en omtrek) als wat onze subjectiviteit (hoofdzaken en bijzaken) betreft. Maar er moet, waar het om de openbaring gaat, besef zijn van en er moet plaats blijven voor wat we bij de profeet Habakuk lezen: ‘Zwijg voor Hem, gij ganse aarde!' (Habakuk 2:20). Ik voor mij trouwens ervaar de vele inspanningen voor nieuwere vertalingen van de bijbel wel eens als een luxe waarmee de kerk zichzelf verwent.
Buitenstaanders zie je onbekommerd naar de Statenvertaling (!) grijpen als ze de bijbel willen citeren.
De overgang van collectief naar individueel
Een ander verschijnsel in de wereld van de geest is in de afgelopen eeuw ook geweest het opkomen van het individualisme.
Het is wel terecht dat daar erg zorgelijk over gedaan wordt, maar dat ontslaat ons niet van de plicht te proberen dit verschijnsel te begrijpen.
Het individualiseringsproces dat eraan ten grondslag ligt is namelijk onvermijdelijk.
Zodat we zullen moeten onderscheiden tussen individualisering en individualisme. Het laatste is een door slaan van het eerste en zoals elk -isme een overdrijving. In het proces van individualisering treedt de enkele persoon, de individu, uit de collectiviteit naar voren. Dat is een proces dat je in de bijbel zelf al kunt waarnemen. Zo lagen er aan de terugkeer uit de Babylonische ballingschap meer individuele beslissingen en persoonlijke keuzes ten grond dan aan de uittocht uit Egypte.
Wat uit Egypte kwam was een bruto volk, wat uit Babel vertrok een netto Israël (vergelijk met elkaar: Exodus 12 : 38 en Ezra 1 : 5). Het gaat om een onomkeerbaar proces in elke samenleving.
Sociale verbanden hoeven daardoor niet te verdwijnen, maar worden wel losser en minder bepalend. De vrouw bijvoorbeeld is niet langer enkel maar vrouw van de man en het kind niet langer enkel lid van het gezin.
De homofiel en de gehandicapte maken niet langer enkel maar deel uit van een meerderheids-samenleving van heterofiele en valide mensen, waarnaar zij zich te schikken hebben. En de allochtoon is niet enkel de vertegenwoordiger van een ander volk.
Deze allen staan ook op zichzelf en eisen terecht hun persoonlijke rechten op. Het is waar, zij kunnen dat doen vanuit een veeleisendheid die te ver gaat. Een rolstoeler mag niet verlangen dat in elk gebouw liften in plaats van trappen zijn aangebracht (om maar iets te noemen), maar van de andere kant worden de eisen van deze mensen te snel als uitingen van lastigheid afgedaan. Die eisen kunnen namelijk ook voortvloeien uit een verandering van positie. Dat de betrokkenen meer in een nevenschikkend dan onderschikkend zinsverband van onze samenleving staan en dat de heerschappelijke ordening van vroeger is gekanteld tot de maatschappelijke ordening van thans.
In een tijd van sterker sociale verbanden was het van de homofiel niet teveel gevraagd dat hij zich aanpaste en van een beleving van zijn zo-zijn afzag.
Daar stond immers veel tegenover, omdat hij hoe ondergeschikt ook deel uit maakte van een gemeenschap. Dat is nu heel anders en dus veel moeilijker geworden, omdat voor iedereen het recht op beleving van de seksualiteit vast staat en het verbieden daarvan wel tot sociale vereenzaming moet leiden. Het zal voor de christelijke gemeente nog een hele toer worden om op deze ontwikkeling het juiste antwoord te vinden. De Heidelbergse Catechismus komt bij het geloofsartikel van de gemeenschap der heiligen met de bijbelse notie van 'allen en een iegelijk', waarmee een harmonie gesuggereerd wordt tussen de gemeenschap en de enkele persoon. Het is mijn overtuiging dat de Schrift ons inderdaad voldoende in handen geeft om de problemen die met deze ontwikkeling samenhangen het hoofd te bieden, juist vanwege de ontwikkeling die zij zelf op dit gebied al ten toon spreidt. Misschien dat de bedoelde harmonie meer kansen krijgt bij het kleiner worden van de kerken dan in de grotere gemeenten van voorheen.
Karl Barth voorspelde de groepen grotere overlevingskansen dan de kerken.
Heeft hij daarbij ook hieraan gedacht?
Hoe dat ook zij, we zullen ons moeten oefenen in binnengemeentelijke verdraagzaamheid om ook leden met een afwijkend gedrag een optimale geborgenheid te bieden en hen bij de te verdelen rechten en verantwoordelijkheden niet over het hoofd te zien.
De eeuw van de secularisatie
De vorige eeuw is ook de eeuw van de secularisatie geweest. Niet natuurlijk alsof er daarvóór niets aan de hand was, maar de doorbraak ervan was toch meer voor de twintigste eeuw kenmerkend. Onze voorbije eeuw heeft ook de poging gezien van deze nood een deugd te maken. Bonhoeffer en Miskotte voorzagen de religieloze mens die het zonder de hulplijn van de godsdienst kon stellen. Niet dat ze die 'vierde mens' idealiseerden, maar het zat gewoon in de loop der dingen dat die komen moest. De maatschappelijke evolutie dicteerde hem en zo was hij daar. En de bijbel had daar al mee gerekend. Religie was bijbels gezien zelfs verdacht. Met deze taxatie van onze tijd en met deze kenschetsing van de bijbel hebben zij geen gelijk gekregen. In het laatste deel van de eeuw is het tij weer gekeerd en is de religie terug van weg geweest. En dat de Schrift met het verwerpen van het kind van de valse godsdienst niet elk religieus badwater weggooit wordt ook weer ingezien. Maar, en dat is toch hun gelijk gebleken, de religie is niet terug op een wijze die ons echt blij kan maken. Kunnen wij wel van een terugkeer naar de godsdienst van de bijbel spreken? Boven het interview dat het weekblad Der Spiegel de filosoof Martin Heidegger aan het eind van diens leven afnam stond als titel 'Nur noch ein Gott kann uns retten'. Met dit woord gaf Heidegger blijk van zijn religieuze honger en tegelijk kon hij het voorbij zijn van de godsdienst zoals we die tot dusver gekend hebben niet duidelijker aangeven. Wat een wereld van verschil tussen 'Alleen God kan ons nog redden' en 'Alleen een God kan ons nog redden'! En wat knap om dit verschil in één enkel woordje (een) te stoppen!
De godsdienstige opleving gaat aan de kerken voorbij, dat is intussen wel duidelijk geworden. Met name de centrale plaats van Christus als de Zoon des Vaders is omstreden.
De tendens is waarneembaar om uit de brokstukken van de verschillende religieuze tradities iets nieuws te maken.
De New Age gedachte is daarvoor kenmerkend.
Voor welke godsdienst zetten wij ons in bij onze strijd tegen de secularisatie?
Schijngestalten van de godsdienst
Koortsachtig hebben de kerken in de eeuw van secularisatie naar wegen gezocht om aan hun eigen teloorgang te ontsnappen. Er zijn vanouds drie schijngestalten van de religie geweest en ze zijn alle drie in de afgelopen eeuw als redmiddel geprobeerd: de psychische opwinding, de politiek en de kunst.
Godsdienst heeft inderdaad een enthousiaste, een politieke en een artistieke kant en zo kan de kerk met een betrekkelijk recht en een zekere mate van succes door óf enthousiaste vormloosheid zoals bij de evangelischen, óf politieke prediking die in de zeventiger en tachtiger jaren in zwang is geweest, óf kunstzinnige liturgie waar de mode nu weer naar tendeert, een schijn van relevantie en zelfs bloei ophouden.
Maar in alle drie gevallen kan het gaan om een dansen rondom een leeg midden. Religieus enthousiasme, politiek en kunst zijn 'bij-producten' van de godsdienst, maar de godsdienst zelf is iets totaal anders. Ten aanzien van de politiek is het H.M. Kuitert geweest die dit het duidelijkst heeft ingezien.
'Alles is politiek, maar politiek is niet alles' (1985), inderdaad. Wordt het geen tijd dat zoiets van die andere twee schijngestalten ook eens gezegd wordt? 'Alles in de kerk vraagt om bezieling, maar bezieling is niet alles'?
'Alles in de kerk heeft met kunst te maken, maar kunst is niet alles'?
Opnieuw kom ik bij dit punt (en dan speciaal waar het het artistieke betreft) op het bijbelvertalen terug. Dr. B.
Wielenga schreef in de eerste helft van de vorige eeuw een lijvig werk 'De Bijbel als boek van schoonheid'. Later nam Okke Jager dat thema weer op.
En het is waar dat het esthetische ook een kant is die aan de bijbel zit. Maar wordt het niet overdreven? Zoals Dostojevsky overdreef toen hij zei dat wij door de schoonheid verlost moeten worden. Er zijn hele stukken in de Heilige Schrift die ik niet mooi vind.
Tot in de psalmen toe. Bijvoorbeeld de abcdaria (Psalm 119 e.a.) vind ik rederijkersgedoe. Tegelijk besef ik dat het een geschikt middel is tot memorisering, maar kun je dat een kunstuiting noemen? Zo door moderne psalmvertalingen heen bladerend kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze mooier zijn dan de Hebreeuwse bijbel zelf. Kan dat van vertalen de bedoeling zijn? Moet het artistiek onbeholpene verholpen worden? Het 'spraakgebrek' van de Schrift verbeterd?
Maar de bijbel moet, wil er nog aftrek zijn, als kunst verkocht worden, vandaar.
Natuurlijk geniet ook ik van een Rembrandt-
of een Chagall-bijbel en van een stukje klassieke muziek in de eredienst.
U moet mijn opmerkingen dan ook niet duiden als onhebbelijk gevit.
Waar het mij om gaat is dat we door hebben waar we mee bezig zijn. Dat kan ons behoeden voor doordraven.
En dat geldt natuurlijk ook voor de schijngestalten van religieus enthousiasme en politiek.