Theologische ontwikkelingen in de twintigste eeuw (3, slot)

2002-07-12
  • Jaargang 46
  • nummer 14
Hebben we in het eerste artikel meer in algemene zin het verschil tussen de negentiende en de twintigste eeuw onder ogen gezien, en zijn we in het tweede artikel meer in bijzonderheden op dat verschil ingegaan, in het derde en laatste artikel sluit ik mijn verhaal af met iets te zeggen over de oecumenische beweging, de nieuwe kijk op Israël en op het weg-karakter van de Heilige Schrift dat ons in staat stelt op goede wijze om te gaan met de grote ontwikkelingen en veranderingen van de afgelopen eeuw.

De oecumenische beweging
De twintigste eeuw was ook de eeuw van de oecumenische beweging. In 1948 werd in Amsterdam de Wereldraad van Kerken opgericht. Het was toch niet helemaal toevallig dat deze start in ons land gemaakt werd en dat de eerste secretaris-generaal die deze functie dertig jaar lang heeft vervuld, dr WA Visser 'tHooft, een Nederlandse calvinist was. Zoals het ook wel kenmerkend is dat Genève, de stad van Calvijn, het centrum van de oecumenische activiteiten geworden is. Het is eigenaardig: de calvinistische traditie die het meest van scherp afgebakende duidelijkheid houdt is toch de meest oecumenische gebleken. Ik schrijf dat toe aan het feit dat de gereformeerde tak van de Reformatie minder last van verering van het eigene gehad heeft omdat zij haar identiteit consequenter dan anderen buiten zichzelf in het Sola Scriptura zocht. Even ter vergelijking: Het stempel dat Luther met zijn persoon op de Lutherse kerken gedrukt heeft is veel sterker geweest dan dat van de persoon van Calvijn op de kerken die in zijn spoor zijn gegaan. De naam van Calvijn is (bij mijn weten) in geen kerknaam terecht gekomen.
Gelukkig maar! Zodoende kon men goede aandacht geven aan wat andere kerken dachten en geloofden. Men behoefde dat alleen maar te toetsen aan de bijbel waarvan men geloofde dat die van en voor allen was. Dit zo zijnde laat zich de vraag niet onderdrukken hoe het komt dat de kleinere kerken van de gereformeerde familie van dit oecumenisch elan zo weinig te zien hebben gegeven (om me niet scherper uit te drukken). Zou het kunnen zijn dat wij het licht van onze waarheid teveel onder de korenmaat van onze afscheidingen hebben gezet? Verder zouden wij kleinere kerken de oecumenische ruimte van het calvinisme wellicht nader komen wanneer we leerden op de dwaalleer meer met judiciële dan met justitionele leertucht te reageren, dat wil zeggen dat we meer de verkeerde opvattingen afwijzen dan dat we de aanhangers ervan bestraffen.
Omdat het kerkelijk leven in de wereld (het zendingsveld uitgezonderd!) te lang verkokerd en in zichzelf opgesloten was geweest, beleefde de oecumenische beweging in het begin van haar start gouden tijden. De veelzijdige of multilaterale kennismaking was boeiend en verrijkend. Vandaag evenwel maakt zij een crisis door. Juist door intensieve kennismaking met het geloofsgoed van de andere kerken is men het eigene weer meer gaan waarderen.
Dat levert de neiging op zich op dat eigene opnieuw weer terug te trekken: oost west, thuis best. Ik denk dat we ook hier iets aan de polariteit van het 'allen en een iegelijk' zouden kunnen hebben. Dat er dus gestreefd moet worden naar een recht doen zowel aan het gezamenlijke als aan het eigene. Liever een federatief verband van kerken waarin men het eigene op een verantwoorde wijze kan cultiveren dan een organisatorische eenheid die ons (uit vrees voor een nieuw uiteenvallen) zou verplichten over dat eigene te zwijgen. We kunnen uit angst voor de leegloop wel de volledige eenwording van kerken propageren, maar de wijsgeer Spinoza zei al dat eenheid uit vrees niet te vertrouwen is. Het moeizame eenwordingsproces van de SOW-kerken leert ons dat wij rondom organisatorische samensmelting zo druk in de weer kunnen zijn dat wij als kerk te sterk op onszelf en te weinig op de wereld betrokken zijn. Laten de kleinere kerken deze les ter harte nemen!
Behoort trouwens tot de eerbied die we aan het voorgeslacht verschuldigd zijn ook niet het besef dat wij niet alle steken die zij hebben laten vallen kunnen ‘ophalen’? Kerkelijk uiteengaan is even ingrijpend als het ontbinden van de echtvereniging. Daar moet je dan vanwege het irreparabele maar in berusten. De bijbel verbiedt zelfs huwelijksherstel na echtscheiding en trouwen met een ander (Deuteronomium 24: 1-4; Jeremia 3:1-5).
Op het ‘wederherstel aller dingen’ kunnen we ook in het kerkelijke niet vooruit lopen. Bezint eer ge begintdat is veel meer de les uit de geschiedenis van de scheidingen.

De nieuwe houding van de kerk tegenover Isra.l
Een punt dat bij ons onderwerp zeker ter sprake moet komen is de nieuwe houding van de kerk ten opzichte van Israël. Ik spreek liever niet van de verhouding tussen de kerk en Israël, omdat ik in het geheel van die relatie iets eenzijdigs proef. Niet zozeer de synagoge als wel de kerk heeft er behoefte aan.
De holocaust of de shoa van Nazi-Duitsland en de terugkeer van de Joden naar Palestina (eigenlijk was die al in de voor-vorige eeuw begonnen, nog voordat Theodor Herzl in 1897 in Basel het eerste Zionistische Wereldcongres bijeenriep) hebben de stoot gegeven tot een herwaardering van het jodendom.
De hoofdstukken 9 -11 van de brief aan de Romeinen, waarin Paulus de onvergetelijkheid van Israël voor de gemeente uitspreekt (9 : 2 - 5) en de onberouwelijkheid van Gods belofte aan dit volk belijdt (11 : 29), behoren tot de meest becommentarieerde schriftgedeeltes uit de laatste helft van de vorige eeuw. Behalve liefde tot en een begaan zijn met Israël speelde hierbij ook een verlegenheid omtrent het eigene een rol. Schaamte ook voor wat het joodse volk in ons Europa was aangedaan. Dat zal de reden zijn dat ook hier de overdrijving heeft toegeslagen.
Bij theologie-beoefening vanuit een slecht geweten kan dat ook haast niet anders. Gangbaar is de voorstelling geworden dat tussen het Oude Testament en het jodendom een isgelijkteken geplaatst moet worden en dat derhalve de christelijke kerk uit de wortel van het jodendom is ontstaan.
Alsof niet jodendom en christendom in ongeveer dezelfde tijd zijn ontstaan, als twee leesmanieren van Wet en Profeten, de eerste lettend op het gebod, de tweede op de belofte zoals die in Christus vervuld is. Zelfs is de schriftelijke vorm van het Farizeese jodendom jonger dan de christelijke kerk en pas in de tijd na de verwoesting van Jeruzalem tot ontwikkeling gekomen. Ik ga niet zover te beweren dat het jodendom dus een reactiebeweging op de christelijke gemeente is geweest (daarvoor gaan de wortels ervan te ver terug), maar het is wel zo dat er in later tijd een stuk reactie in binnengeslopen is, in die zin dat elementen die al in ontwikkeling waren in die reactie versterkt te voorschijn zijn gekomen. Om daarvan een saillant voorbeeld te geven: In het vroege jodendom vind je nog een Messiaanse uitleg van Jesaja 53, terwijl daar in later tijd in alle talen over gezwegen wordt. Met de lijdende Messias van Jesaja 53 kwam men te dicht in de buurt van het evangelie. Geestelijk noch historisch is de kerk een kind van het jodendom. Wel van Israël maar niet van het jodendom. En de aansluiting van de christelijke gemeente bij het Oude Testament heeft niet via het gedachtegoed van de rabbijnen plaats gevonden. Die aansluiting was een directe, er liep een rechte lijn van de wereld van het Troostboek van Jesaja, over de onopvallende minderheid van godvrezenden uit de dagen van Maleachi, over de kring van mensen die we aan het begin van het Nieuwe Testament tegenkomen (van hen namelijk 'die voor Israël vertroosting' en 'voor Jeruzalem verlossing verwachtten' en ‘die het koninkrijk Gods verwachtten’, Lucas 2 : 25 en 38; Lucas 23 : 51), naar Johannes de Doper en Jezus en zijn discipelen.
Daartegenover wijkt het jodendom met zijn in het centrum stellen van de thora van de bijbelse lijn af. Paulus die in de brief aan de Galaten met de gouden greep van de belofte aan Abraham als het fundament van onze religie komt, kan met recht en reden zeggen dat de wet 'erbij gekomen' is, en wel vierhonderd en dertig jaar later (Galaten 3:17). Dat maakt een centrale plaats voor de geboden onmogelijk. Deze apostel typeert de christenen dan ook als 'kinderen der belofte' (Romeinen 9 : 8; Galaten. 4 : 28), terwijl de Jood bij zijn bar mitswa een 'zoon van het gebod' wordt. Dat is een kenmerkend verschil. Jodendom en christendom zijn twee verschillende religies. Het zal dan ook duidelijk zijn dat de toenadering van de kerk naar de synagoge toe in mijn ogen geen genade kan vinden. Ik voor mij zie veel meer gelijkenis tussen de synagoge en de moskee dan tussen de synagoge en de kerk.
Allebei zijn die wettisch en de kerk is van die twee hemelsbreed gescheiden, wat ik in de passage van Galaten 4 : 21-31 al aangeduid vind: Ismaël en Israël als slaven tegenover het geestelijk-vrije nageslacht van Abraham in de lijn van Isaäk. Wel zie ik in de secularisatie van ons Westen een kans om als kerk-zonder-
macht met de synagoge in gesprek te komen en van gedachte te wisselen.
Het verlies van de macht kan de kerk aan het respect helpen dat aan het jodendom toekomt. De hele geschiedenis door immers heeft de christelijke kerk van joodse schriftgeleerdheid geprofiteerd. Die is derhalve onze achting waard. Ook kunnen wij voor minderheidsstrategieën, die wij zelf nodig zullen gaan krijgen, bij de Joden in de leer gaan. In het algemeen trouwens zijn zij om hun wijsheid te bewon-
deren. En wat de dingen betreft die we samen zouden kunnen doen, in ethisch opzicht zie ik ook wel perspectief in een gezamenlijk beraad tussen meer religies (dan alleen het jodendom) die zich tegenwoordig onder ons bevinden. Kerk, moskee, synagoge en boeddhisme, ze denken op tal van punten van de moraal min of meer gelijk. Daar moet iets mee gedaan worden tegen de verheidensing van de samenleving. Maar geestelijke toenadering tussen kerk en synagoge of moskee?
Wie dat bepleit heeft geen benul van de plaats van Christus. Joden en islamieten trouwens zien dat beter in dan menig christen.

De bijbel als weg tegenover de bijbel als huis
Tenslotte: Wij hebben in de achter ons liggende eeuw naar mijn inschatting de overgang meegemaakt van de bijbel als huis om in te wonen naar de bijbel als weg om op te gaan, hoewel het daarbij meer om een verschuiving van accenten dan om een wezenlijke verandering gaat. Toch is die accentverschuiving ingrijpend en ik bedoel er twee dingen mee. In de eerste plaats dat we ons veel meer dan vroeger bewust zijn van het historisch karakter van de openbaring (dat wil zeggen dat de bijbel zelf, anders dan de Koran en de Talmoed, een eigen inwendige ontwikkeling kent) en dan vervolgens dat wij het historische verschil tussen de bijbel en ons veel duidelijker dan voorheen zien. Woonden wij vroeger met Abraham, Isaäk en Jakob om zo te zeggen in eenzelfde huis of tent met nagenoeg dezelfde huisregels, tegenwoordig voelen wij ons door een lange tijdsafstand van hen verwijderd. Het toen en daar van de bijbel dringt veel scherper tot ons door, ook wel doordat het hier en nu van onze wereld zich in rap tempo van het bijbelse wereldbeeld wegontwikkeld heeft. Een gevoel van vervreemding kan ons zo bij het lezen van de Schriften overvallen: Wat ligt er een lange weg tussen toen en nu, tussen daar en hier! Maar nu heeft het dynamische weg-karakter van de bijbel waar we in de loop van de vorige eeuw meer vertrouwd mee geraakt zijn een niet te onder schatten voordeel boven het statische huis-karakter van de Schrift waar vorige generaties bij geleefd hebben.
De bijbel neemt ons meer dan vroeger mee in een geschiedenis, in een ontwikkeling. Het is nu in de gevarieerdheid en de afwisseling van het geestelijke landschap waar we als bijbellezers doorheen trekken (Wat een verschil bijvoorbeeld tussen het volk Israel waarvoor de overheid een wijaangelegenheid was en de eerste christelijke gemeente die de Romeinse overheid als een zij ervoer!) een geweldige ontdekking dat de Here God in zijn trouw en liefde, in wat Hij met ons wil en in wat Hij van ons wil, dezelfde gebleven is. Dat over de tijden heen springen van de Geest, dat kent dus de bijbel zelf al. Dat geeft ons de garantie dat Gods Geest in diezelfde gelijkblijvendheid ook onze tijd die zoveel van die van vroeger verschilt met de voorgaande eeuwen zal weten te verbinden. En dat ook het wisselvallige van de toekomst Hem niet voor onoverkomelijke problemen stelt.
Toen Israël de overgang meemaakte van de Davidische era naar de eeuw der secularisatie, van de geordende verhoudingen naar de wanorde van de ballingschap, zong het: 'Gij evenwel, Gij blijft dezelfd', o Heer' (Psalm 74 vers12, oude berijming). Dat is ook nu nog waar. Bij alle verschillen die we tussen de negentiende en de twintigste eeuw hebben opgemerkt en die zich ongetwijfeld ook weer tussen de twintigste en de eenentwintigste eeuw zullen voordoen, is dit voor ons het rustpunt: 'Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid' (Hebreeën 13:8). Of, om het met een psalmwoord te zeggen: 'Gij hebt voormaals de aarde gegrondvest en de hemel is het werk van uw handen; die zullen vergaan, maar Gij houdt stand; zij zullen verslijten als een kleed, Gij verwisselt ze als een gewaad, en zij verdwijnen; maar Gij blijft dezelfde, aan uw jaren komt geen einde' (Psalm 102:26-28).

Correctie
In het 2e artikel uit de reeks ‘Theologische ontwikkelingen’ zijn abusievelijk de laatste twee woorden weggevallen, wat het artikel een onaf karakter gaf. De slotzin luidde: En dat geldt natuurlijk ook voor de schijngestalten van religieus enthousiasme en politiek.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief