Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf

2002-08-02
  • Jaargang 46
  • nummer 15
Het fenomeen ‘tongentaal’ of ‘glossolalie’ komen we tegen in twee bijbelboeken.
In de Handelingen van de apostelen en in de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs.
Wij horen hen in onze eigen taal, zeggen de mensen in Handelingen 2. En Paulus citeert Jesaja: Door lieden van een andere taal zal Ik tot dit volk spreken (Grieks: lalein). Het gaat om een taal, die de Joden niet kennen, maar waarvan andere volken zeggen: ‘Hé, dat is onze taal!’.
Niet dat er rechtstreeks tot die volken gesproken wordt. Tongentaal richt zich op God. Het is een spreken (lalein) tot God, bidden, God grootmaken (1 Korinthe 14:2,14, Handelingen 10:46).

Door tongentaal wordt God groot gemaakt in de taal van een ander volk.
En wat is daar nu de betekenis van? Ik heb me dat vaak afgevraagd. Heeft God het nodig dat wij Hem in andere talen toespreken? Verstaat Hij ons niet als wij tot Hem spreken in onze eigen taal?
Of hebben wij ménsen deze andere taal misschien nodig? Hebben wij het nodig dat wij God in andere talen kunnen aanbidden? Bijvoorbeeld omdat onze eigen taal niet toereikend is. Je bent zo vervuld van de heilige Geest, dat woorden tekort schieten, althans de woorden uit je eigen taal.

Ik heb zelf een tijdlang gedacht, dat het misschien zo was. En ik dacht dat het aan mijn geremdheid lag, dat deze gave er bij mij niet uit kwam. Ik twijfelde eraan of ik wel vol genoeg was van de heilige Geest. O God, het spatte er niet vanaf!
Ja, ik hield wel veel van zingen. Dus ik klampte me maar vast aan wat Paulus ergens anders schrijft: Wordt vervuld met de heilige Geest en spreekt (weer het griekse lalein) onder elkaar in psalmen en lofzangen en geestelijke liederen en zingt en jubelt de Here van harte (Efeze 5:18,19). Stefanus was vol van de heilige Geest en hij zag Jezus (Handelingen 7:55). Ja, zo wil ik christen zijn.
Jezus zien!
Maar ik sprak niet in tongen. Ik las bij Pinkstervoorgangers, dat ‘het spreken in tongen van beslissende waarde is voor iemands voortdurende wandel in de Geest. Zonder er moeite voor te doen, worden uw gedachten meer en meer vervuld met Christus.’ Ik las: ‘Spreken in tongen bracht een geestelijke doorbraak bij mij teweeg.’ Ik heb ontroerende verhalen gelezen van gelovigen, die wel twee jaar hadden gewacht voordat ze in tongen spraken.
Jaren van bidden, vasten, worstelen, schreeuwen tot God.

En ik las bij Paulus: Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf (1 Korinthe14:4).
Dat staat er toch ook? En wat bedoelde Paulus daarmee?
Je zou eens voor jezelf moeten controleren, hoe je dit vers leest. Op welk woord leg je de nadruk? Let er maar eens op dat je de neiging hebt om de nadruk te leggen op het werkwoord ‘stichten’. Tongentaal werkt stichtend!
Zo zou je het kunnen lezen.
Tongentaal geeft je een geestelijke doorbraak.
Zie je nu wel, wat je God en jezelf onthoudt?

Nog eens lezen, 1 Korinthe 14. En 12 en 13 erbij. En nog eens. Waar staat dat nog meer: dat ik gesticht wordt, of dat ik mezelf sticht?
Je leest in hoofdstuk 12, dat aan een ieder de openbaring van de Geest gegeven wordt tot welzijn van állen (7).
Opdat de leden gelijkelijk voor elkáár zouden zorgen (25). Alle gaven die daar genoemd worden, krijg je niet voor jezélf, maar met het oog op elkaar.
En je gaat je realiseren, dat dit een rode draad is in de brief. Paulus begint al in hoofdstuk 1 over partijschap. In hoofdstuk 3 heeft hij het over tweedracht.
De Korintiërs zijn blijkbaar veel te weinig betrokken op elkáár. Paulus gaf zelf een ander voorbeeld. Ik heb mij aan állen dienstbaar gemaakt (9:19); állen ben ik in alles terwille, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen (10:33). Niemand zoeke het zijne, maar wat van de ánder is (10:24).
En dan komt dat prachtige dertiende hoofdstuk over de liefde, waarin Paulus zegt: De liefde zoekt zichzelf niet.

De liefde zoekt zichzelf niet. En dáár komt dan achteraan: Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf.
De nadruk moet in 14:4 niet gelegd worden op ‘stichten’, maar op ‘zichzélf’!
Persóónlijke stichting staat hier tegenover de stichting van de gemeente.
Dat blijkt uit het hele verband, ook uit het verband van hoofdstuk 14. De geméénte moet gesticht worden (4,5, 12), de ánder (17), ánderen (19), állen (31). Mag iemand met de gave van profetie zichzelf daarmee stichten in plaats van de gemeente? Iemand met de gave van genezing of van onderscheiding, iemand met de gave van wijsheid of van kennis? Is er één gave, waarmee ik mijzelf mag stichten in plaats van de anderen? Is er één nuttige gave, die uit de kring van de gemeente geïsoleerd wordt (14:28)?
Ik stuitte ook op een opmerking die Paulus maakt in zijn brief aan de gemeente in Rome: Wij moeten niet onszelf behagen. Ieder van ons trachte zijn naaste te behagen, tot stichting, want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd (Romeinen15:4).
Toen ik zag dat ik 1 Korinthe14:4 anders moest lezen, verdween mijn moeite wat betreft dit stichten-van-mijzelf. Ik was wel erg op mijn eigen geestelijke ontwikkeling gefixeerd geweest. Een andere taal, gesproken tot God, hoefde ik niet te claimen. Niet voor mijzelf.
En voor mijn functioneren binnen de gemeente zou het geen nut hebben.
Als tongentaal nu niet bedoeld is tot stichting van mijzelf, wat is dan wel de bedoeling geweest? Dat God groot gemaakt wordt in een andere taal, dat moet toch een betekenis hebben?
Paulus zegt daar iets over in 22.
Tongentaal betekent niets voor de gelovigen.
Dat was een tekst die altijd al mijn aandacht had getrokken.
Tongentaal heeft betekenis voor de ongelovigen. Voor dit volk. Dat zijn de Joden (die in de dagen van Jesaja al eens getracteerd werden op een andere taal, namelijk van de Assyriërs – daar verwijst Paulus naar in vers 21).
De Joden waren er telkens bij, bevestigt Lukas, als er in andere talen gesproken werd (Handelingen 2,10,19). Waarom?
Omdat de Joden er moeite mee hadden, dat God in een andere taal groot gemaakt werd! Jona stond niet alleen in zijn wangunst. Van Joodse kant heeft Paulus onnoemelijk veel tegenwerking gekregen. Nu is het genoeg geweest, zegt hij bij verschillende gelegenheden, nu gaan we naar de heidenen (Handelingen13,18,19).
In dit spanningsveld heeft God zelf, door het teken van de tongentaal, die beweging naar de heidenen bevestigd. Zou Paulus als apostel van de heidenen (Romeinen1: 5, 11:13) dáárom niet meer in tongen hebben gesproken dan ieder ander (1 Korinthe14:18)?

Daarom zijn de tongen een teken.
Ik heb er vrede mee, dat dit teken er bij mij nooit is uitgekomen.

Vragen:
1. Hoe is het met jouw verlangen naar volheid van de heilige Geest? Op welke manier probeer je die volheid te uiten? En op welke manier probeer je die volheid te innen?
2. Waarop is jouw voorstelling van tongentaal gebaseerd?
3. Denk je dat Jezus in tongen heeft gebeden? Waarom denk je wat je denkt?
4. Mag je nooit jezelf stichten?
5. Het Hebreeuws is een ‘dode taal’ geweest, maar opgewekt als Iwriet (Romeinen11:15). Verwacht je dat Jezus ooit door het volk van deze taal zal worden groot gemaakt?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief