Zevenduizend Nederlands Gereformeerden werden buitenkerkelijk
2009-10-09
De rekenmeesters van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) vertellen het ons al jaren. Steeds meer mensen verlaten de kerk. Twee op de drie Nederlanders noemen zich buitenkerkelijk. Bij de jongeren is dat al bijna driekwart. Het zijn schokkende cijfers, zeker als je inzoomt: elke maand verlaten zo'n 400 jongeren tussen twaalf en achttien jaar de kerk. Per jaar zijn dat er bijna 5000. Als Nederlands Gereformeerde Kerken zagen we sinds ons ontstaan veertig jaar geleden het ledental licht groeien. Maar de cijfers over het aantal Nederlands Gereformeerde kerkverlaters doen in heftigheid niet onder voor die van CBS en SCP.- Jaargang 53
- nummer 20
Regelmatig publiceren CBS en SCP doorwrochte rapporten over de geestelijke stand van het land. Het meest recente SCP-onderzoek (Godsdienstige veranderingen in Nederland, 2006) maakt duidelijk dat de halverwege de vorige eeuw begonnen ontkerkelijking gestaag doorzet, al lopen de kerken nu wat minder snel leeg dan voor de eeuwwisseling. Noemde in 1960 zo’n veertig procent van de Nederlanders zich buitenkerkelijk, in 2004 was dat gestegen tot 64 procent: bijna twee op de drie Nederlanders. Onder de jongere generatie beschouwt 72 procent zich als buitenkerkelijk: rond 2020 zal dat percentage naar verwachting voor de hele bevolking gelden.
De ontkerkelijking is het meest zichtbaar bij de kerken die in 2004 in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) opgingen: de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk. Sinds 1960 halveerde het totaal aantal leden. Jaarlijks verliest de PKN circa 60.000 leden: ruim een Feyenoordstadion vol.
In de kleinere gereformeerde kerken is het beeld minder somber. De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt kenden jarenlang - vooral dankzij een hoog geboortecijfer - een flinke groei; sinds een paar jaar is sprake van lichte daling. Die daling is bij de Christelijke Gereformeerde Kerken al langer aan de gang: sinds de jaren negentig daalt het aantal leden met een paar honderd per jaar. Evenals de Gereformeerde Gemeenten (ook met een hoog geboortecijfer) laten de Nederlands Gereformeerde kerken een lichte, maar gestage groei zien: van circa 28.700 in 1974 naar circa 32.700 leden op 1 januari 2009. Maar, zoals verderop zal blijken, dat betekent bepaald niet dat onze achterdeur dicht zit.
Aantal kerkleden
In 1974, een paar jaar na het ontstaan van de NGK, toen het kerkelijke leven zich consolideerde, telden de NGK 28.717 leden. Anno 2009 zijn dat er 32.688: een groei van 3971 leden, ofwel veertien procent in 35 jaar. Het aantal belijdende leden nam toe van 15.884 op 1 januari 1974 tot 20.836 op 1 januari 2009: 4952 ofwel 31 procent meer. Het aantal doopleden daarentegen nam af van 12.833 op 1 januari 1974 tot 11.852 op 1 januari 2009: een daling van 981, ofwel acht procent. Terwijl het aantal kerkleden met bijna 4000 toenam, daalde het aantal doopleden in de NGK dus met een kleine 1000. Die daling ging gestaag door tot in 1998 het dieptepunt werd bereikt; vanaf dat moment neemt het aantal doopleden weer licht toe.
Daling doopleden
Die uiteenlopende ontwikkeling in aantal belijdende en doopleden doet zich ook in andere kerken voor. In de GKV groeide in de periode 1974-2008 het aantal belijdende leden met 61 procent, terwijl het aantal doopleden met negen procent steeg. Ook bij de CGK is dit het geval: het aantal belijdende leden nam tussen 1974 en 2008 toe met achttien procent, terwijl het aantal doopleden in diezelfde periode met zestien procent daalde.
In alle drie kerken lijkt de daling van het geboortecijfer een rol te spelen - de gerapporteerde doopcijfers zijn lager dan voorheen - maar kan ook de verhoudingsgewijs grotere kerkverlating onder doopleden (zie verder in dit artikel) een factor van betekenis zijn.
Verlies- en winstrekening
Zowel bij de doop- als bij de belijdende leden zijn toename en afname het saldo van geboorte en sterven, van mensen die lid worden van een gemeente en mensen die vertrekken. Onder die vertrekkers zijn er die lid worden van een andere kerk, maar er zijn er ook veel die dat niet doen. Die trekken de kerkdeur achter zich dicht - soms met een klap, maar vaker op kousenvoeten - omdat ze het wel gehad hebben met de kerk. En meestal ook, omdat God uit hun leven is verdwenen of op zijn minst naar de rand ervan is verschoven.
Sinds 1985 maakt het landelijke Informatieboekje voor de NGK jaarlijks de verlies- en winstrekening op, zich baserend op de opgaven van de plaatselijke gemeenten over het jaar daarvoor: zoveel geboortes, zoveel overlijdens, zoveel doopleden die belijdenis van hun geloof deden, zoveel kerkleden die naar kerk A, B of C vertrokken, zoveel mensen die vanuit kerk X, IJ of Z naar een NGK overkwamen en - helaas tamelijk zelden - zoveel mensen die ‘vanuit de wereld’ tot geloof in Christus kwamen.
Ook wordt jaarlijks geregistreerd hoeveel leden uit de NGK vertrokken zonder lid te worden van een andere kerk. Dat gebeurt in de Informatieboekjes steeds in twee kolommen: onttrokken of afgevoerd/afgesneden. In het eerste geval is sprake van een daad van het kerklid: ik onttrek me aan deze gemeente, ik wil hier geen lid meer zijn. In het tweede geval is het de kerkenraad die, vaak na een lang proces, iemands kerklidmaatschap beëindigt: hem of haar uitschrijft als lid of (zeldzaam) via de weg van de kerkelijke tucht afsnijdt als lid van gemeente.
Op basis van deze cijfers valt het aantal Nederlands Gereformeerden te berekenen, dat zich in de periode 1984-2008 heeft onttrokken en dat is afgesneden of afgevoerd. Een enkele maal bevat het cijfermateriaal aanwijzingen, dat in de onttrekkingscijfers in beperkte mate ook mensen zijn meegenomen die zich aan een gemeente hebben onttrokken (bijvoorbeeld vanwege een conflictsituatie in de gemeente), vervolgens niet buitenkerkelijk werden en zich pas na verloop van tijd bij een andere kerk hebben aangesloten. Maar dat is slechts zelden het geval.
Kerkverlating in de NGK
In onderstaande tabel is per jaar het aantal onttrekkingen/afsnijdingen/afvoeringen vermeld, afzonderlijk voor doopleden, belijdende leden en het totaal aantal leden. Circa negentig procent betreft onttrekkingen en de rest is afsnijdingen/afvoeringen; die percentages zijn over de onderzochte 25 jaar tamelijk constant. De cijfers zijn steeds ontleend aan het Informatieboekje van het jaar erna; zo zijn de cijfers over 1984 ontleend aan het Informatieboekje 1985.
Aantal onttrekkingen/afsnijdingen/afvoeringen in de NGK 1984–2008
| Doopleden | Belijdende leden | Totaal | |
| 1984 | 75 | 91 | 166 |
| 1985 | 108 | 90 | 198 |
| 1986 | 92 | 90 | 182 |
| 1987 | 80 | 71 | 151 |
| 1988 | 98 | 102 | 200 |
| 1989 | 96 | 91 | 187 |
| 1990 | 96 | 76 | 172 |
| 1991 | 97 | 87 | 184 |
| 1992 | 90 | 74 | 164 |
| 1993 | 72 | 70 | 142 |
| 1994 | 84 | 110 | 194 |
| 1995 | 105 | 113 | 218 |
| 1996 | 75 | 84 | 159 |
| 1997 | 106 | 92 | 198 |
| 1998 | 102 | 130 | 232 |
| 1999 | 86 | 90 | 176 |
| 2000 | 132 | 78 | 210 |
| 2001 | 131 | 113 | 244 |
| 2002 | 104 | 125 | 229 |
| 2003 | 117 | 110 | 227 |
| 2004 | 147 | 138 | 285 |
| 2005 | 145 | 120 | 265 |
| 2006 | 168 | 152 | 320 |
| 2007 | 152 | 155 | 307 |
| 2008 | 151 | 146 | 297 |
| ------- + | ------- + | ------- + | |
| Totaal | 2709 | 2598 | 5307 |
Bovenstaand overzicht laat zien dat de afgelopen kwart eeuw ruim 5300 leden de NGK hebben verlaten via onttrekking, afsnijding of afvoering zonder - voor zover bekend - lid te worden van een andere kerk. Afgezet tegen het totale NGK-ledenaantal in die 25 jaar (het huidige aantal kerkleden, met daarbij opgeteld degenen die in die 25 jaar zijn overleden, de NGK hebben verlaten richting andere kerken of geen kerk, of die naar het buitenland zijn vertrokken) is dat 9,5 procent. Afgerond: één op de tien kerkleden is sinds 1984 dus buitenkerkelijk geworden.
Voor de periode 1970-1983 ontbreken in de Informatieboekjes in- en uitstroomcijfers. Ook het aantal onttrekkingen en dergelijke is in die jaren niet geregistreerd. Extrapolatie van de cijfers over de periode 1984-2008 - waarbij de in die periode zichtbare ontwikkelingslijn wordt doorgetrokken naar de jaren daarvoor - leidt tot een uitkomst van (voorzichtig geschat) 1800 onttrekkingen/afsnijdingen/afvoeringen in 1970-1983. Opgeteld bij het aantal van 5300 voor de periode 1984-2008 leidt dat tot de conclusie dat de NGK sinds hun ontstaan circa 7100 leden hebben verloren, die buitenkerkelijk zijn geworden: afgerond zo’n 7000 kerkverlaters.
Kerkverlating neemt toe
Uit het overzicht (en nog beter uit onderstaande grafiek) blijkt dat het aantal kerkverlaters in de NGK de laatste jaren stijgt. Tot 2000 blijft het aantal redelijk constant onder de 200 per jaar (circa 0,6 procent van het aantal kerkleden), sindsdien is het toegenomen tot zo’n 300 per jaar (bijna één procent van het aantal kerkleden). De stijging doet zich zowel bij doop- als bij belijdende leden voor.
Vergelijkingsmateriaal
5300 Kerkverlaters in de laatste 25 jaar; 7100 sinds het ontstaan van de NGK: het zijn schrikbarende cijfers. Maar hoe verhouden ze zich tot het aantal kerkverlaters in andere kerken?
Een vergelijking met GKV en CGK ligt het meest voor de hand. Vanwege de afwijkende manier van registreren in de GKV-statistiek (die behalve vertrek naar Geen kerk ook een grote rubriek Vertrokken met onbekende bestemming hanteert), lenen die cijfers zich niet zo goed voor een vergelijking. De CGK-statistiek is echter goed vergelijkbaar met die van de NGK.
Onderstaande tabel geeft het aantal leden weer dat in de periode 1984-2008 de CGK verliet zonder zich bij een andere kerk aan te sluiten. De cijfers geven het totaal weer van de cijfers in de kolommen ‘vertrokken naar geen kerk’ dan wel ‘afgevoerd/uitgeschreven’ in de Jaarboekjes van de CGK van 1985 tot en met 2009.
Aantal onttrekkingen/afsnijdingen/afvoeringen in de CGK 1984–2008
| Doopleden | Belijdende leden | Totaal | |
| 1984 | 319 | 174 | 493 |
| 1985 | 392 | 201 | 593 |
| 1986 | 332 | 137 | 469 |
| 1987 | 277 | 141 | 418 |
| 1988 | 349 | 167 | 516 |
| 1989 | 354 | 154 | 508 |
| 1990 | 338 | 157 | 495 |
| 1991 | 319 | 153 | 472 |
| 1992 | 308 | 165 | 473 |
| 1993 | 337 | 167 | 504 |
| 1994 | 336 | 122 | 458 |
| 1995 | 298 | 132 | 430 |
| 1996 | 349 | 143 | 492 |
| 1997 | 332 | 145 | 477 |
| 1998 | 295 | 150 | 445 |
| 1999 | 364 | 166 | 530 |
| 2000 | 372 | 228 | 600 |
| 2001 | 312 | 228 | 540 |
| 2002 | 368 | 218 | 586 |
| 2003 | 428 | 247 | 675 |
| 2004 | 416 | 277 | 693 |
| 2005 | 407 | 224 | 631 |
| 2006 | 365 | 301 | 666 |
| 2007 | 404 | 255 | 659 |
| 2008 | 385 | 246 | 631 |
| -------- + | -------- + | -------- + | |
| Totaal | 8756 | 4698 | 13.454 |
De kerkverlating in de CGK vertoont dus grosso modo hetzelfde beeld als in de NGK. Het aantal kerkverlaters bedraagt tot 2000 zo’n 450 per jaar ofwel 0,6 procent van het gemiddeld aantal kerkleden in die periode. Vanaf 2000 stijgt dat tot gemiddeld 630 per jaar, zo’n 0,8 procent.
Ook de NGK-cijfers gaan kort na eeuwwisseling omhoog, zelfs nog wat sterker dan bij de CGK. Het totaal van 13.454 kerkverlaters in de CGK in 25 jaar bedraagt 9,8 procent van het totaal aantal kerkleden over die periode (net als bij de NGK-cijfers berekend door bij het huidige aantal CGK-leden alle overledenen en allen die in die 25 jaar de CGK verlieten naar andere kerken, geen kerk of het buitenland, op te tellen): vrijwel identiek aan het cijfer in de NGK. Ook hier heeft dus één op de tien leden sinds 1984 de kerk verlaten. Deze ontwikkeling is in bovenstaande grafiek zichtbaar gemaakt.
Doopleden en belijdende leden
Deze cijfers maken ook nieuwsgierig naar de verhouding tussen het aantal kerkverlaters onder doop- dan wel belijdende leden. De absolute cijfers kennen we:
| NGK | CGK | |
| Kerkverlaters onder doopleden | 2709 | 8756 |
| Kerkverlaters onder belijdende leden | 2598 | 4698 |
Deze cijfers laten een opvallend verschil tussen NGK en CGK zien. In de NGK is het aantal doopleden-kerkverlaters vrijwel gelijk aan het aantal belijdende leden dat de kerk heeft verlaten. In de CGK verlieten bijna tweemaal zoveel doopleden als belijdende leden de kerk.
Het berekenen van percentages (hoeveel procent van de doopleden dan wel belijdende leden verliet de afgelopen 25 jaar de kerk?) is hier echter veel lastiger dan bij het totaal aantal leden. Via de openbare geloofsbelijdenis is er immers een jaarlijkse doorstroom van doopleden naar belijdende leden, die het berekenen van verhoudingscijfers tot een hachelijke exercitie maakt. Meer dan een indicatie valt op dit gebied dan ook niet te geven. De NGK tellen (en telden de afgelopen jaren) bijnatweemaal zoveel belijdende als doopleden. Een gelijk aantal kerkverlaters onder doop- en belijdende leden betekent dus dat verhoudingsgewijs meer doopleden dan belijdende leden de kerk hebben verlaten. Dat geldt nog sterker voor de CGK: het aantal kerkverlaters onder doopleden is er bijna tweemaal zo groot als onder belijdende leden, terwijl de CGK de afgelopen decennia veel minder doopleden dan belijdende leden telden. Op zich geen verbazende cijfers, want veel doopleden hebben nog geen nadrukkelijke keus gemaakt om met God te leven, terwijl veel belijdende leden dat wel hebben gedaan.
Regionale verschillen
Zijn er in de NGK regionale verschillen in kerkverlating? Anders gezegd: is in sommige regio’s de kerkverlating groter dan in andere regio’s? Dankzij de in- en uitstroomcijfers per regio in de Informatieboekjes 1984-2008 is die vraag te beantwoorden. In absolute aantallen is het aantal onttrekkingen, afvoeringen en afsnijdingen in deze periode het hoogst in de regio’s Kampen (949) en Utrecht (852) en het laagst in de regio Zuid-Nederland (205). Maar Kampen en Utrecht zijn ook de regio’s met het grootste aantal kerkleden en Zuid-Nederland is de kleinste regio.
Zetten we het aantal kerkverlatingen per regio af tegen het aantal kerkleden per regio in de afgelopen 25 jaar, dan verandert het beeld. De kerkverlating (landelijk zo’n tien procent) is met twaalf à dertien procent verhoudingsgewijs het hoogst in de regio’s Alkmaar-Zaandam en Amsterdam-Haarlem. De regio Harderwijk heeft met vijf procent verhoudingsgewijs de geringste kerkverlating.
Wellicht blijkt uit deze cijfers iets van het verschil tussen de Randstad en de Veluwe: in de Randstad worden ook op geloofsgebied de keuzes sneller en radicaler gemaakt dan op de Veluwe, waar de dingen langzamer gaan en later gebeuren. Dat roept de vraag op, of de Veluwe (lees: het niet-randstedelijke deel van de NGK) op dit gebied een inhaalslag gaat maken en of de nu nog sluimerende kerkverlating daar op enig moment zal overgaan in daadwerkelijke kerkverlating.
Lot of God
Dit artikel is vooral beschrijvend van karakter. Het geeft feiten en cijfers en zoekt niet naar een verklaring van de ontwikkelingen en verschillen. Daarvoor is meer en vooral andersoortig onderzoek nodig.
Een artikel als dit met zijn schokkende cijfers kan een mens somber, zwaarmoedig en zelfs fatalistisch maken. Kijkend naar de kinderen in je eigen kerk, kun je denken: ook van hen zal straks één op de tien of één op de drie onontkoombaar de kerk verlaten en breken met God. Dan is er deze troost: God doet niet aan statistiek. Statistische uitkomsten en wetten zijn voor Hem net als de natuurwetten. Hij staat er boven en kan ze doorbreken. Bij Hem is niets onontkoombaar. Hij is God, niet het lot.
Dit artikel gaat over aantallen, grote aantallen vaak. Het is belangrijk te bedenken dat God, ook in zijn verbond met de mensen, niet in grote getallen of collectiviteiten denkt, maar de enkeling op het oog heeft en het hart van die ene zoekt. Ook de grote groep kerkverlaters in de NGK bestaat uit individuele mensen: 7000 mannen en vrouwen, jongens en meiden, die hoofd voor hoofd gedoopt zijn in de naam van de drie-enige God. Zolang ze leven, blijft de Goede Herder hen zoeken. Blijft de Vader naar ieder van zijn verloren zonen en dochters uitkijken. En wil Hij niets liever dan ieder van hen in de armen sluiten.
Ad de Boer is redacteur van Opbouw.
| Mijn eigen gemeente: één op de drie in de kwetsbare levensfase In dit artikel ging ik van de macrocijfers van SCP en CBS naar de cijfers van onze eigen kerken. Nog een stapje dieper en ik kom bij mijn eigen gemeente: de groeiende en bloeiende NGK Voorthuizen/Barneveld. Een groeiende gemeente: eerst heel langzaam (1974 214 leden, 1984 303 leden, 1994 354 leden), maar daarna ging het hard: in 2000 waren er 487 leden, in 2004 616, waarna eind 2006 de grens van 700 leden werd doorbroken. Sindsdien stabiliseert het ledental zich net boven de 700. De NGK Voorthuizen/Barneveld is ook een bloeiende gemeente. Het bruist er van de activiteiten, vooral voor kinderen en jongeren. Een derde deel van de gemeenteleden (235 om precies te zijn) is jonger dan twintig jaar en maar één op de dertien (54 leden) is 65 jaar of ouder. Maar die groei en bloei maskeren, dat ook in onze gemeente mensen de band met God verbreken of langzaam bij God vandaan glijden. De groeicijfers verhullen, dat ook bij ons ouderen en jongeren na kortere of langere tijd de band met de gemeente en met de kerk in het algemeen doorknippen. Of misschien nog wel een tijd in het ledenregister blijven staan, maar van binnen al afscheid hebben genomen. In mijn tijd als ouderling heb ik dat zelf ervaren. En ook afkondigingen in de kerk en berichten in het kerkblad getuigden er van: al die 36 jaar dat we lid van deze gemeente zijn. Ik vroeg me af: Hoeveel zijn er van God los geraakt en daarmee kerkverlaters of kerkverlaters in spe geworden? Generaties 1959-1984 Ik gebruikte voor mijn onderzoek de jaarboekjes 1974-2009 van de NGK Voorthuizen/Barneveld. Aan de hand van de namen in die boekjes en van de jongens en meiden en de mannen en vrouwen achter die namen heb ik geprobeerd de kerkverlating in onze gemeente in kaart te brengen. Bij deze blik op mijn eigen gemeente heb ik niet ingezoomd op het totale ledenbestand, zoals bij de NGK landelijk, maar op een deel ervan, de generaties 1959-1984: degenen die de afgelopen jaren in de voor kerkverlating meest kwetsbare levensfase van vijftien tot 25 jaar zijn doorgegaan. En ik heb me - anders dan bij de landelijke cijfers - nu ook niet beperkt tot degenen die daadwerkelijk de kerk verlieten en uit de kerkelijke stand zijn uitgeschreven. Daarnaast heb ik ook gekeken naar hen die nog staan ingeschreven, maar geen enkele betrokkenheid bij de gemeente tonen en in wier leven, voorzover wij kunnen zien, God geen plaats meer heeft. In het jaarboekje 1974 - het oudste dat ik heb – ben ik begonnen in het geboortejaar 1959. Die generatie was in 1974 vijftien jaar oud; de leeftijd waarop in die tijd vaak het afhaakproces begon. Deze generatie 1959 is nu vijftig jaar oud. In het jaarboekje 2009 van onze gemeente heb ik de leeftijd van 25 jaar als ondergrens aangehouden, omdat op die leeftijd de geloofsontwikkeling - wil ik met God leven, ja of nee? - vaak is uitgekristalliseerd. Dat is dus de generatie 1984. Ik focus daardoor op de levensfase, waarin verreweg de meeste kerkverlatingsbeslissingen worden genomen: kerkverlaters van onder de vijftien en van boven de vijftig zijn er niet veel. Eén op de drie De betreffende generaties tellen 217 namen. Vijf van hen zijn overleden, vijf zijn al lang geleden verhuisd en waren niet te achterhalen. Van de overige 207 zijn er nog 141 kerkelijk meelevend: 112 in een NGK, 29 in een andere kerk. Van 66 (oud)gemeenteleden uit deze generaties moet helaas gezegd worden dat in hun leven God, voor zover voor mensen waarneembaar, geen plaats meer heeft. Voor het overgrote deel hebben ze geen enkele band met de kerk meer: soms door de keus van hun ouders in hun kindertijd, maar meestal door eigen keus. 66 van de 207, dat is één op de drie. |
| Is kerkverlating ook Godverlating? Het voorgaande artikel bevat cijfers over ontkerkelijking en kerkverlating, terwijl deze special gaat over kerkleden die hun geloof kwijtraken. Daarom is de vraag relevant: wat zeggen die ontkerkelijkingscijfers over geloof of ongeloof? Zijn de kerkverlaters allemaal ongelovig geworden? Betekent hun vertrek uit de kerk per definitie dat ze, vroeger of later, ook God zijn kwijtgeraakt? Zijn alle buitenkerkelijken atheïsten, blinde heidenen? Nee, dat zijn ze niet, blijkt uit het SCP-onderzoek. Onder degenen die zich buitenkerkelijk noemen, zijn er heel wat die wel degelijk in God (inclusief de twijfelaars 38%), een hogere macht (29%), een leven na dit leven (37%), de hemel (25%) of in het bestaan van wonderen (31%) geloven: zelfs in grotere aantallen dan in het verleden. Dat beeld geldt voor buitenkerkelijken van de tweede generatie (geboren en getogen buiten de kerk: in het verre land van Lucas 15 zogezegd) en er is geen reden aan te nemen dat het voor de degenen die zelf de kerk hebben verlaten of uit de kerk zijn uitgeschreven - buitenkerkelijken van de eerste generatie - anders ligt. Juist die verloren zonen en dochters hebben nog herinneringen aan het huis van de Vader. Religie light Kerkverlating staat dus blijkens onderzoek niet gelijk aan ongelovig worden. Maar dat onderzoek laat ook zien dat buitenkerkelijken, voorzover ze in iets bovennatuurlijks geloven, er een geheel eigen invulling aan geven. Het zijn vooral de zachte kanten van het geloof waarmee ze nog iets hebben: de hemel, wonderen, een leven na dit leven: ‘religie light’ noemt godsdienstsocioloog Hijme Stoffels dat. De invulling is er vaak één van eigen maaksel: de hemel is het bruine café van waaruit André Hazes naar zijn fans kijkt, wonderen worden paranormaal ingekleurd en voortbestaan na de dood doe je gereïncarneerd in een volgend leven. Veel buitenkerkelijke gelovigen knippen en plakken in hun spirituele zoektocht hun eigen geloof bij elkaar. Niet voor niets betitelt het SCP-rapport uit 2006 de religieus gestemde buitenkerkelijke als een ‘levensbeschouwelijke omnivoor’: een religieuze alleseter. Maar in zijn of haar geloof is voor God als de Schepper van hemel en aarde, onze Vader, zelden plaats. En evenmin voor zijn Zoon, Jezus Christus die stierf voor onze zonden, die de enige weg naar God is en die het als Heer in ons leven te zeggen wil hebben. Net zo min als voor de Bijbel, Gods Woord als bron en norm voor het leven en voor Gods Geest, die ons tot geloof brengt en ons leven vernieuwt. Zo bezien staat kerkverlating vaak wel degelijk voor Godverlating: voor het kwijtraken of loslaten van de God van de Bijbel. Dat beeld uit onderzoeken en uit de media sluit aan bij de ervaringen in plaatselijke gemeenten. Aan de kerken zijn slechts kale cijfers gevraagd - zoveel onttrokken, zoveel afgesneden of afgevoerd - niet de verhalen en motieven erachter. Maar wie als predikant of ouderling of anderszins betrokken is geweest bij onttrekkingen van kerkleden of bij het uitschrijven uit de kerkelijke registers, weet dat in veel gevallen kerkverlating en Godverlating samenvallen of in elk geval samenhangen. En dat het daarbij meestal gaat om mensen die de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, in wiens naam ze zijn gedoopt, naar of over de rand van hun leven hebben geschoven. |