Onze kinderen zijn à Dieu
2009-10-09
Twee pubers. Beiden hebben een bende van gemaakt van hun kamer. De ene puber begrijpt niet waar zijn ouders zich druk over maken. ‘Ik ben niets kwijt en ik voel me er prima bij.’ De ander is het met zijn ouders eens dat het een bende is. Hij vindt het ook een probleem. Maar opruimen doet hij niet. Daar heb je moeders voor…- Jaargang 53
- nummer 20
Hetzelfde gedrag en toch een heel verschillende kijk. Zo verschillen ook de motieven waarom mensen de kerk de rug toekeren sterk.
Peter vraagt zich af waar de ouderling, de dominee of zijn ouders zich druk over maken. Hij gaat niet naar de kerk, maar voelt zich prima. Wat is het probleem?
Bij Peter lijkt elke motivatie verdwenen. Hoe ga je dan nog in gesprek? Op een passend moment zou je kunnen vragen of met de kerk ook God uit het zicht verdwenen is. Of je kunt de ‘wondervraag’ stellen: ‘Hoe zou een kerk er uitzien waar je toch nog nieuwsgierig naar zou kunnen worden?’
Marieke is het met haar ouders eens, dat het jammer is dat ze niet meer naar de kerk gaat. Ze begrijpt de zorgen. Maar ze vindt dat de kerk eerst maar eens moet veranderen: de dominee moet beter preken en de gemeenteleden moeten beter bij haar ‘passen’. Met andere woorden: het is niet haar taak het op te lossen; de kerk moet veranderen en dan komt ze weer terug.
Bij Marieke kan het helpen te vragen naar uitzonderingen. ‘Kun je je kerkdiensten herinneren die jou wél aanspraken? Zijn er mensen in de kerk met wie je wél goed contact kunt hebben?’
Solochristenen
Niet naar de kerk gaan betekent gelukkig niet altijd dat het geloof verdwenen is. Een groeiend aantal jongeren gaat niet naar de kerk, maar gelooft toch op de één of andere manier.
Al in 2001 besteedde in Opbouw aandacht aan deze ontwikkeling. Adriaan vertelt daar dat hij geen kerkgebouw nodig heeft om te geloven en geen anderen die hem vertellen hoe hij moet geloven. Geconstateerd werd, dat deze ‘solochristenen’ elkaar via de chatgroep opzoeken en dat er een verlangen is naar meer gemeenschap.
Onlangs sprak ik Judith. Ze heeft een aantal jaren samengewoond. Nu gaat ze trouwen. Het huwelijk wordt kerkelijk bevestigd. Ik vroeg haar of ze naar de kerk gaat. ‘Nooit meer’, vertelt ze. ‘Tot mijn dertigste zat ik wel in een gespreksgroep voor jongeren. Maar dan ben je geen jongere meer en houdt het dus op. Maar ik kan mijn leven niet los zien van geloven. Alleen de kerk, dat zegt me niets.’ Opmerkelijk is, dat Judith zegt dat haar aanstaande man helaas (!) niets meer met de kerk heeft. Judith zet zich niet af tegen kerkdiensten. Ze kan alleen de zin van die diensten niet vatten. Ze was blij dat ik het onderwerp ‘kerk’ noemde. Eigenlijk was haar onderliggende vraag: ‘Kun je mij vertellen waarom jij wél de zin van kerkdiensten inziet?’
Wel naar de kerk, niet betrokken….
Ook een grote groep veertigers keert de kerk de rug toe. Soms zijn ze zeer actief geweest, maar is het vroegere vuur gedoofd. Deze ‘verlate kerkverlating’ zou een apart artikel verdienen.
Er zijn ook veertigers die nooit echt een eigen keuze hebben gemaakt. Herman (40) vertelt: ‘Voor mijn ouders gaan we nog naar de kerk. Ik wil ze geen verdriet doen. Aan mijn broer heb ik gezien hoeveel pijn het hen deed dat hij niet meer naar de kerk ging. Maar mij zegt de kerk niet veel meer.’
Hermans heeft zijn uiterlijke gedrag aangepast, omdat hij zijn ouders geen pijn wil doen. Maar uiteindelijk zal hij de kerk de rug toekeren. Tenzij er een wonder gebeurt….
Verbinding verbroken (?)
Maarten (35) zegt wat hem op het hart ligt. Hij ergert zich verschrikkelijk aan christelijke mensen op de televisie. ‘De kerk krijg je mij nooit meer in. Al keert Elvis Presley uit de hemel terug op aarde en zingt hij de sterren van de hemel met gospels in de Grote Kerk, al komt er een heupwiegend Black Gospelkoor: ik zet nooit van mijn leven meer een stap binnen. Als mijn ouders overlijden en er komt een dominee, ik stop mijn oren dicht.’
Verbinding verbroken, zou je zeggen. Heeft het nog zin met Maarten in gesprek te gaan? Kom je er nog achter waar zijn verzet op gebaseerd is? De allergie voor alles wat met de kerk te maken heeft is zó groot, dat de boodschap op geen enkele manier binnenkomt. Dat geldt niet alleen de kerkdiensten, maar ook de christelijke boodschap. Voor Maarten dus ook geen gespreksgroep of vrijwilligerswerk in een aanloophuis.
Schuld of pijn?
‘Wat ligt dát gevoelig, als je kinderen niet meer naar de kerk gaan. “Het” is altijd bij je. De grote “schat” die ikzelf ervaar in mijn leven, wil ik graag doorgeven aan mijn kinderen. Maar soms lijkt het alsof je een andere taal spreekt”.’ Aldus Margriet, moeder van vier kinderen.
Als kinderen een andere weg gaan dan wat ouders als de kern van hun leven zien, dan doet dat emotioneel pijn. Het roept dus altijd emotionele reacties op. Alleen wie het onverschillig laat of kinderen naar de kerk gaan zal niet emotioneel reageren.
Peter: ‘Twee van mijn kinderen gaan naar de kerk en laten ook zien dat ze geloven. Twee kinderen gaan niet meer. Het is niet mijn prestatie dat ze naar de kerk gaan; het is ook niet mijn schuld dat ze niet meer naar de kerk gaan. En toch vraag ik me wel vaak af: wat ik had ik anders moeten doen?’
We kunnen onderscheid maken tussen ouderschuld en ouderpijn. Schuldgevoel en verdriet liggen emotioneel dicht tegen elkaar aan. Bij verdriet komt vaak een schuldgevoel. Had ik niet, wat had ik….? Zelfs als géén sprake is van schuld, dan zal deze vraag toch vaak worden gesteld (‘Als ik langs een andere weg was gereden, had ik geen ongeluk gekregen’). Schuld en verdriet zijn echter niet hetzelfde. In de opvoeding is altijd sprake van gebrokenheid, maar van ouderschuld spreken we in dit verband als de doopbelofte bewust werd genegeerd.
Gerard, vader van vijf kinderen: ‘Het verdriet dat ik had doordat Steven niet meer naar de kerk gaat, was voor een groot deel zelfmedelijden. Ik vond dat ik als opvoeder had gefaald. Wat hebben we fout gedaan? Wat hadden we anders kunnen doen? Wat had de kerk anders kunnen doen? Eerlijk gezegd heb ik nu dat zelfverwijt niet meer en ook geen verwijten aan de kerk.’
Belemmerende emoties
Kinderen zijn niet maakbaar. Toch wordt vaak gedacht dat bij een goede inzet van de kant van de ouders er een goede uitkomst volgt. Als je als ouder maar doelbewust aandacht besteedt aan de geloofsopvoeding, zullen de kinderen vanzelf in jouw spoor verder gaan. Maar in de Bijbel lezen we talloze voorbeelden van kinderen van zeer gelovige ouders, die tóch een andere weg gingen. En als het ‘resultaat’ een ‘product’ is van de opvoeding, hoe valt dan te verklaren dat kinderen uit één gezin verschillende wegen gaan? Dat besef kan de ogen openen voor het feit dat ouders wel een taak hebben om te zaaien, maar dat de oogst het werk van God is. We ontkomen immers ook in christelijke gezinnen niet aan de gebrokenheid in deze wereld.
Wie denkt dat goede inzet wordt gevolgd door een goede uitkomst, legt een loodzware hypotheek op de opvoeding. Met als keerzijde dat naast het verdriet andere emoties (zoals schuld en schaamte) een rol gaan spelen in de gesprekken. Ze kunnen een echt gesprek ernstig belemmeren.
‘Zou je niet weer eens in de kerk komen?’ vraagt de vader. ‘Want zó hebben we je niet opgevoed.’
In de hulpverlening wordt gesproken over expressed emotion: de mate waarin de communicatie wordt bepaald door emoties. Hoe meer emotie, des te complexer het contact. Het alternatief is niet: kil reageren, maar: liefdevolle afstand. Betrokken blijven, maar de verantwoordelijkheid bij het kind laten.
Esther: ‘De aan mij toevertrouwde kinderen zijn niet mijn bezit. Graag wil ik dat ze doen wat ik goed voor ze vind, zoals geloven in God, Jezus Christus en de Heilige Geest. Maar volwassen kinderen zijn zelf verantwoordelijk voor hun keuzes.’
Wat belangrijk voor jou is
Uit angst iets verkeerds te zeggen, zijn ouders soms geneigd te zwijgen en zich aan te passen. Ook dat is een doodlopende weg in de communicatie. Wel is het belangrijk goed te luisteren naar de beweegredenen van kinderen. Dat betekent niet dat je het eens bent met de keuze, maar wél dat je de verantwoordelijkheid legt waar hij hoort: bij het kind. Bij een gelijkwaardige relatie past, dat je als ouder mag zeggen wat jouw mening is. Je blijft doen wat je belangrijk vindt in je leven. Lezen en bidden aan tafel en naar de kerk gaan horen daar als goede gewoonten bij.
Gerard geeft daar in zijn brief enkele voorbeelden van. ‘Onze uitgangspunten zijn zó verschillend, dat een gesprek over het geloof niet echt mogelijk is. Maar over andere onderwerpen kunnen we prima in gesprek. Wat ik belangrijk vind is, dat we onze gewoontes niet aanpassen wanneer Steven op bezoek is. We gaan gewoon twee keer naar de kerk, ook als we op zondag bij hen zijn. Ook bidden en lezen we aan tafel. Dat is wel eens lastig. We lezen volgens rooster. Dat kan wel eens vervelend uitkomen, als je middenin een gedeelte met allerlei veroordelingen terechtkomt. Alleen vraag ik me (er over nadenkend door deze brief) wel af, waarom we dan niet napraten. Als ze bij ons op bezoek zijn en ze gaan weer terug, dan bid ik tijdens de maaltijd voor een behouden thuiskomst. Dat is een voorbeeld hoe je moet blijven doen wat je zelf belangrijk vindt.’
Marjan vult als moeder in een ander gezin aan: ‘Ga als ouders het gesprek niet uit de weg. Blijf voor hen bidden en zeg dat ook. Dat geldt ook voor mensen uit de kerk. Het aparte is dat jongeren daar vaak toch op zitten te wachten. Wij zijn vaak banger voor het gesprek dan zij! Maar zegt nooit: “Jammer dat je niet meer gelooft!”’
Ieder kind een eigen verhaal
In het gezin van Gerard gaat één zoon niet meer naar de kerk. Maar in veel gezinnen geldt dat voor meer kinderen. Dan ontdek je als ouders dat ieder kind zijn eigen verhaal heeft. Het betekent ook dat ieder kind iets anders vraagt van zijn ouders.
Marieke vertelt dat ze – toen haar oudste zoon Johan niet meer naar de kerk ging – elke gelegenheid te baat nam om hem daar op aan te spreken. Maar daar is ze van teruggekomen. Ze ontdekte dat het thuiskomen van haar zoon daardoor te veel werd belast. Johan vond het vervelend dat zijn moeder er steeds wéér over begon. En Marieke was elke keer weer teleurgesteld dat er geen opening leek te zijn bij Johan.
Het gesprek met de jongste dochter Sanne verloopt daarentegen heel anders. Hoewel ze niet naar de kerk gaat en vertelt dat de kerk haar weinig zegt, begint ze vaak zélf over het geloof. Ze wil van haar ouders weten hoe zij denken over bepaalde geloofsvragen. Hoewel ze aan de praktijk van hun leven heeft gezien wat het geloof betekent, bevraagt ze haar ouders regelmatig. Net als bij Judith (eerder in deze bijdrage) lijkt ook Sanne op zoek naar een overtuigend argument ‘om het toch weer een keertje te proberen’.
Daar waar Marieke zich bij Johan terughoudend opstelt in gesprekken over de kerk en het geloof, lijkt het bij Sanne zelfs een wens te zijn dat haar ouders niet zwijgen over de betekenis van het christelijke geloof.
Verbinding hersteld
Soms heeft een gesprek geen enkele zin. Is er dan geen enkele ingang meer?
Een vader was het contact met zijn zoon bijna helemaal kwijt. Op een dag reisde hij naar de stad waar zijn zoon in een kraakpand woonde. De zoon liet hem binnen. Maar de ‘heavy metal’ bleef gewoon aan staan, hoewel de zoon wist dat zijn vader dat verschrikkelijke muziek vond. Op een gegeven ogenblik vroeg de vader zijn zoon wat meer te vertellen over de muziekteksten. Dat werd het begin van een hernieuwd contact. De vader stond op de uitkijk en toonde belangstelling voor de leefwereld van zijn zoon. Toen dat contact er eenmaal was, ging de zoon ook zijn vader vragen stellen. Toen was ook het geloof geen taboe meer dat zwijgend tussen vader en zoon in stond. Het gesprek begon niet met een oordeel, maar met het tonen van oprechte belangstelling voor de leefwereld van de ander.
Blijven bidden
Een kind voor wie zoveel gebeden wordt, kan niet verloren gaan, schijnt de moeder van Augustinus gezegd te hebben. Durven we dat nog te geloven?
Uit alle brieven die ik van ouders heb ontvangen, spreekt die hoop. Er worden ook onverwachtse momenten van openheid genoemd. Kinderen die op open momenten vertellen oprecht met het geloof bezig te zijn. Het zaad dat ooit gezaaid werd is dus toch nog werkzaam. God doet de rest. Het is à Dieu: aan God!
Henk Algra is orthopedagoog en lid van de NGK/CGK Alkmaar. Hij baseerde dit artikel mede op de inhoud van vijf brieven die ouders van volwassen kinderen hem hebben geschreven.
| Als je kind niet meer naar de kerk gaat Vijf Do’s - Blijf bidden voor je kind en laat je kind dat ook merken. - Hou vast aan je eigen goede gewoonten zoals lezen, bidden en kerkgang. - Stel vragen. Toon oprechte belangstelling voor de leefwereld van je kind. - Zorg dat ze op de hoogte blijven van gebeurtenissen in de gemeente. - Zoek als gemeente naar buddy’s die een andere vorm van contact hebben. Vijf Don’ts - Een gesprek over het geloof uit de weg gaan: je hoeft niet op geloofseieren te lopen! - Vermijd het oordeel (‘Zo hebben we je niet opgevoed’). - Ga niet ‘preken’ (‘Als je zo door gaat….’). - Zeg niet: ‘Jammer dat je niet meer gelooft.’ - Ga niet in de verdediging. |