Geloven na je achttiende is niet vanzelfsprekend

2009-10-09
  • Jaargang 53
  • nummer 20
Kinderen zijn er in de meeste kerken wel, in tieners wordt gelukkig steeds meer geïnvesteerd, maar daarna valt er vaak een gat. En dat terwijl de jongvolwassenheid een turbulente periode is, waarin van alles gebeurt in het leven van jonge mensen, zeker ook op geloofsgebied. Op je achttiende geloven en kerkelijk betrokken zijn, betekent niet dat je op je 25ste nog steeds gelooft. Welke factoren hebben hier invloed op en kunnen we daar als kerk ook iets aan doen?

‘De’ jongere bestaat niet, er zijn veel verschillen, met even zoveel redenen om af te haken. We beginnen met te kijken naar hoe jongeren tegenover het geloof staan, daarna kijken we naar de invloed van de vele veranderingen die in deze levensfase plaatshebben.

Nieuwe opvattingen
Marieke komt uit een gezin waarin geloven vanzelfsprekend is. Ze heeft op een gereformeerde basisschool en een gereformeerde middelbare school gezeten. Al haar vriendinnen zijn christelijk. Ze heeft dan ook altijd in God geloofd en het is voor haar vanzelfsprekend dat ze op haar achttiende belijdenis doet. De vanzelfsprekendheid van haar geloof begint echter te wankelen wanneer ze in een andere stad psychologie gaat studeren. Via haar studie en haar nieuwe studievrienden komt ze in aanraking met allerlei opvattingen, waarover ze nog nooit heeft nagedacht. Aanvankelijk houdt ze stevig vast aan alles wat ze thuis heeft geleerd, maar dat wordt steeds lastiger. In haar oude omgeving zijn geen mensen die die nieuwe vragen kunnen beantwoorden en in haar nieuwe leefwereld zijn niet of nauwelijks mensen die haar achtergrond kennen en haar worstelingen begrijpen. Haar studie en haar sociale leven zijn druk en haar geloof begint te verwateren.

Voor de vrienden
Jasper heeft altijd meegedraaid in het jeugdwerk van de kerk en was bijna elke zondag op de achterste banken te vinden, waar hij met zijn vrienden zat te kaarten of te sms’en. Zo op het eerste gezicht lijkt hij kerkelijk betrokken. Wie iets beter kijkt, ziet dat hij er vooral is vanwege zijn vrienden, maar dat de inhoud van het geloof hem niet zo interesseert. Hij experimenteert liever met andere levensstijlen waarin drank, meisjes en geld een belangrijke rol spelen. Solidair met zijn vrienden doet hij belijdenis, opgelucht dat daarna het traject van verplichte kerkelijke activiteiten is afgelopen. Jasper zie je daarna alleen nog met Kerst in de kerk.

Stil wegglijden
Stefanie was altijd al een stil meisje. Op school werd ze gepest. Op de jeugdgroep van de kerk niet, maar om nou te zeggen dat ze er écht bijhoorde, nee. Toen Stefanies ouders op haar zestiende scheidden en haar vader verhuisde, ging ze sowieso in de weekenden bij haar vader niet meer naar de kerk. Haar moeder zakte weg in een depressie en ging zelf bijna nooit meer naar de kerk, Stefanie dus ook niet. De jeugdouderling kwam te praten over hoe het met haar ging. Best een goed gesprek, maar toen kwam er een nieuwe jeugdouderling die Stefanie niet kende en had eigenlijk niemand meer door dat zij er niet meer was. Stefanie is teleurgesteld in haar leeftijdgenoten en haar ouders en natuurlijk ook in God, die niks gedaan heeft om al die ellende te voorkomen.

Geen kerkgeloof
Pieter is opgegroeid in een gezin waar altijd veel werd gediscussieerd. Zijn vader is actief in de politiek en zijn moeder in de kerk. Het gezin is bewust christelijk en Pieter gaat naar een protestantse school en naar catechisatie, waar hij de traditie van thuis leert voortzetten en overal over discussieert. De dominee wordt soms gek van hem, want Pieter acceptert nooit zomaar dat iets ‘is zoals het is omdat het zo is’. Na zijn middelbare school gaat Pieter een jaartje naar het buitenland, daarna gaat hij studeren en wordt natuurlijk lid van een studentenvereniging. Halverwege z’n studie doet hij belijdenis: hij heeft alles goed onderzocht en doordacht en kiest bewust voor het christelijk geloof. Maar in de kerk komt hij niet zoveel meer, want ‘daar hoor je toch elke week hetzelfde verhaaltje, je wordt er echt niet uitgedaagd om te groeien in je geloof.’ En: ‘Je wordt pas echt serieus genomen als je boven de veertig bent.’

Deze vier jongeren staan voor vier veel voorkomende manieren waarop jong volwassenen uit de kerk kunnen verdwijnen.
Jongeren als Marieke zijn opgegroeid in een (te) klein christelijk wereldje. Het lijkt alsof ze hun christelijke identiteitsvorming hebben afgesloten, maar als ze met andere denkbeelden te maken krijgen, blijkt hun keuze onrijp en geen stand te houden.
Jongeren als zij moeten door ouders en kerk meer uitgedaagd worden om zélf na te denken. In hun studietijd hebben ze een goede christelijke studentenvereniging nodig om vanuit christelijk perspectief na te denken over vragen die de studie opwerpt en om een netwerk van christelijke vrienden te houden.
Jongeren als Jasper zijn vooral ‘sociale gelovigen’. Voor Jasper was het goed geweest als mensen daar doorheen hadden geprikt en met hem in gesprek waren gegaan over hoe het geloof relevant kon worden voor zijn leven en hem hadden uitgedaagd tot een levende relatie met God. De vraag is overigens wel of Jasper daar gevoelig voor was geweest.
Jongeren als Stefanie verdwijnen uit de kerk vanwege pastorale problemen waar onvoldoende aandacht voor is. Ze komen niet meer uit zichzelf en zijn bovendien teleurgesteld in anderen en hebben vaak een negatief zelfbeeld. Voor dit soort jongeren is een goede pastorale structuur heel belangrijk.
Jongeren als Pieter ontwikkelen duidelijk een eigen identiteit, omdat ze goed omgaan met informatie én in een positief christelijke omgeving zitten. Dat ze voor God kiezen, is geen garantie dat ze ook in de kerk blijven: de kerk moet hun wel voldoende uitdaging bieden en hun talenten en motivatie benutten. Deze jongeren hebben veel potentie, maar je moet wel investeren om die potentie eruit te laten komen.

Het leven verandert
In het turbulente leven van jongvolwassenen maken diverse factoren het lastig om te blijven geloven en de kerk te blijven bezoeken. Bijvoorbeeld:

- Verhuizen
Veel jongeren studeren of vinden een baan in een andere plaats. Vroeger was het vanzelfsprekend dat je in een nieuwe plaats je eigen kerkgenootschap opzocht. Maar die tijd is lang voorbij. Je kiest de kerk die bij je past, waar je je thuis voelt. Maar welke kerk is dat in je nieuwe woonplaats? Het vraagt de nodige motivatie om die zoektocht te beginnen en tot een goed einde te brengen. Lang niet iedere jongere is zo gemotiveerd. Een nieuwe woonplaats is voor velen dé aanleiding om maar niet meer naar de kerk te gaan. ‘Ik kan in mijn eentje toch ook wel geloven’, denken ze. Een tijd lang lukt dat ook wel, maar geloof dat niet wordt gevoed, verwatert.

- Verkering
Naar mate er minder christelijke jongeren zijn, is het lastiger verkering te krijgen met iemand die ook in God gelooft. Bovendien denken in deze tijd veel mensen dat verliefdheid een emotie is, die altijd moet worden gevolgd. Je wordt verliefd en krijgt een relatie en als de ander niet gelooft… nou ja, het belangrijkste is toch dat je elkaar respecteert? Dat klinkt mooi, maar in de praktijk blijkt een niet-gelovige partner toch vaak te leiden tot verwatering van je eigen geloof. Als je toch al niet zo’n zin hebt naar de kerk te gaan, dan is het heel verleidelijk samen met je vriend(in) uit te slapen. En zo zijn er vele andere grotere en kleinere dingen waardoor het geloof een steeds kleinere rol in je leven gaat spelen. Het hoeft natuurlijk niet per se zo te gaan. De ander kan door jou in het geloof geïnteresseerd raken, maar gegarandeerd is dat zeker niet. ‘Never ever date a non-christian’, zei één van mijn studenten, die blij was dat ze dat al jong had geleerd.

- Identiteitsproblemen
De zoektocht naar ‘wie ben ik?’ is na de puberteit nog niet afgelopen. Ook boven de achttien is er veel onzekerheid. Sommige studies of werkomgevingen confronteren je erg met jezelf en vervelende dingen die je in je verleden hebt meegemaakt (zoals pesten, tekort aan liefde en slechte seksuele ervaringen). Hoe kom je daaruit? De markt van zingeving en hulpverlening kent vele aanbieders die geen christen zijn. Wie niet leert zijn identiteit in Christus te vinden, kan zomaar heel ergens anders uitkomen.

- Je eigen leven vormgeven
Zodra je op jezelf gaat wonen, moet je je eigen gewoontes gaan vormen. Welke gewoontes van thuis neem je mee en welke laat je los? Bijbellezen, bidden, stille tijd houden? Best lastig als je een studentenhuis deelt met mensen die deze gewoontes niet hebben. Maar ook als je alleen woont, is het moeilijk als je geen vast dagritme hebt, maar het onrustige leven van een student leidt: elke dag sta je op een andere tijd op en kom je op een andere tijd thuis. Periodes van grote drukte en relatieve rust wisselen elkaar af. Soms moet je heel vroeg op om ver te reizen. Gewoontes van thuis raak je dan snel weer kwijt. In het begin heeft dat niet zoveel invloed op je geloof, maar op de lange duur merk je dat je de brandstof gaat missen. Het kan dan goed zijn als je christelijke vrienden hebt, met wie je hierover kunt praten en wellicht samen kunt bidden en Bijbellezen.
Hoewel jongeren boven de achttien steeds meer hun eigen keuzes maken, blijft de invloed van vrienden wel degelijk aanwezig. Maar vriendengroepen vallen uit elkaar doordat mensen verhuizen, verkering krijgen en andere interesses ontstaan. Als de mensen met wie je over geloof praatte wegvallen, heb je daar niet zo snel nieuwe mensen voor terug. En voor je het weet stopt het delen van, en daardoor groeien in je geloof ook.

- Uitstel van keuzes
Onze samenleving wordt steeds ingewikkelder, het aantal keuzemogelijkheden blijft zich eindeloos uitbreiden. Daardoor stellen jongeren het maken van grote levenskeuzes (beroep, huwelijk, geloof) uit. Ze vinden het lastig zich ergens op vast te leggen, want als je dat doet, sluit je ook heel veel mogelijkheden uit. Het uitstellen van de keus voor God en/of een kerk kan ook tot afstel leiden. Hoe begeleiden we jongeren in het maken van keuzes en stimuleren we hen om voor God te kiezen? Want belijdenis doen is al lang niet meer vanzelfsprekend.

Wat doe je als kerk?
Er zijn dus vele factoren die het geloof van jonge mensen bedreigen. Kan en wil je daar als kerk en als ouders nog invloed op hebben? Eenvoudig is dat niet, want de jongeren onttrekken zich makkelijk aan het zicht: de vaste jeugdgroep bestaat niet meer, ze verhuizen, etc. Maar wat dan wel?
De basis voor de keuzes die de 18-plusser gaat maken, wordt in de periode daarvoor gelegd. Het is dus belangrijk in het tienerwerk veel aandacht te besteden aan ontwikkeling van een persoonlijk geloof, een eigen relatie met God. Dat geloof is niet afhankelijk van vrienden, ouders, uiterlijke gewoontes en een specifieke gemeente. Er is een goede balans nodig tussen kennis en ervaring. Want als de jongere alleen kennis leert, maar niet de persoonlijke geloofservaring heeft, is de basis te smal. Maar andersom geldt dat ook: ervaring zonder een basis van kennis kan makkelijk worden ingeruild voor andere ervaringen.

Mentorgroepjes
Voor een groep die zo gemêleerd is in de houding tegenover het geloof, moet je ook een gevarieerd aanbod hebben. Dat is natuurlijk lastig als er niet zo heel veel 18-plussers in de kerk zitten. Kleine mentorgroepjes kunnen dan wellicht uitkomst bieden. In zo’n groepje trekt één wat ouder iemand op met twee of drie jongeren, zodat het mogelijk is aan te sluiten bij de persoonlijke behoeften en er veel persoonlijke aandacht is1. In zo’n op de persoon gerichte omgeving kan persoonlijk geloof ontstaan of opbloeien.

Kerkdiensten
Het is voor jongeren (net als voor tieners) ook belangrijk dat de kerkdiensten hen aanspreken. Eigentijdse muziek, heldere preken die relevant zijn voor het eigen leven, een warme sfeer en na de dienst gelegenheid voor onderling contact zijn enkele belangrijke ingrediënten. Ook het tijdstip is van belang: de meeste studenten zijn zondagochtend vroeg niet op hun scherpst.
De kerk kan niet altijd bieden wat 18-plussers nodig hebben. Studentenverenigingen leggen zich daar specifiek op toe. Stimuleer ze daarom lid te worden van een goede christelijke studentenvereniging en daar actief in te zijn.

Theologische verschuivingen
Is meer aandacht voor geloofsopvoeding, jeugdwerk en eigentijdse kerkdiensten genoeg om 18-plussers bij het geloof en de kerk te houden? Ik denk eerlijk gezegd dat meer nodig is. Steeds meer lezen we (op papier, maar vooral via internet) over twintigers en dertigers, die zoeken naar nieuwe vormen van kerk zijn met andere accenten in de theologie2. De vormen van kerk zijn en geloven uit de twintigste eeuw lijken niet meer te passen bij jongeren van deze eeuw. Wat dat betekent voor ons kerk zijn, vraagt om enkele aparte artikelen.

Sabine van der Heijden is docente aan de academie voor Theologie aan de CHE en is jeugdouderling in de NGK Houten.

1 Zie bijvoorbeeld Greg Ogden, discipelschap met impact.
2Zie o.a. Ton Sine’s De nieuwe samenzweerders en Daniel de Wolf’s De ontdekking van het Koninkrijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief