De culturele factor
2009-10-23
De publicatie van het principebesluit van de NGK Utrecht om samenlevende homoseksuelen niet te weren uit de ambten, heeft in de orthodox-christelijke media de stoot gegeven tot een nieuwe discussieronde. De kerk heeft wereldwijd grote moeite met het accepteren van de weg van de homoseksuele relatie. De belangrijkste reden daarvoor is de Bijbelse veroordeling van homoseksualiteit. - Jaargang 53
- nummer 21
De vrijgemaakte ethicus Prof. dr. Ad de Bruyne stelde onlangs in het Nederlands Dagblad dat de opvatting dat in de bijbel alleen de perverse homoseksualiteit veroordeeld wordt in het licht van zakelijke exegese geen stand kan houden. De veroordeling is intrinsiek en integraal. Ook de gedachte dat Paulus niet op de hoogte zou zijn van liefdevolle homoseksuele relaties is volgens hem niet houdbaar. Ad de Boer sluit zich in zijn recente artikelen hierbij aan. Volgens hem is er geen Bijbelse ruimte voor een homoseksuele relatie. Deze opmerkingen zijn een terechte waarschuwing tegen oppervlakkig en vooringenomen Bijbellezen. Maar ik mis in deze opmerkingen een essentieel element. En dat is de aandacht voor de ‘culturele factor’. Ik zelf zie wel een Bijbels verantwoorde ruimte voor de weg van de homoseksuele relatie, maar die is er alleen als we de ‘culturele factor’ in ons Bijbellezen meenemen. In twee artikelen leg ik uit wat ik ermee bedoel en geef ik aan waar de aandacht daarvoor ons kan brengen.
Waarneming en betekenis
Met de culturele factor bedoel ik dat wij in onze cultuur in de loop van de tijd anders tegen homoseksualiteit zijn gaan aankijken. We nemen homoseksualiteit anders waar en daarom reageren we er anders op. Om dat wat duidelijker te maken een klein beetje filosofie. Wat wij waarnemen heeft altijd te maken met de betekenis die wij aan dingen hechten. Als mijn vrouw op het toneel verschijnt neem ik haar waar als mijn geliefde en echtgenote. Ik geef haar dus de betekenis van geliefde. Mijn waarneming wordt gekleurd door de gevoelens die zij als zodanig bij oproept en mijn gedrag is daarmee in overeenstemming. Als mijn kinderen mijn vrouw zien, zien ze haar als hun moeder. Zij geven haar de betekenis ‘moeder’. Hun waarneming wordt gekleurd door de gevoelens die daarbij horen en hun gedrag is daarmee in overeenstemming. Een ander voorbeeld. In de 16e eeuw werd Sinterklaas onder protestanten gezien als een roomse heilige en een symbool van rooms bijgeloof. Deze betekenisgeving van de Sinterklaasfiguur leidde in gereformeerde kring tot veroordeling en afwijzing van het sinterklaasfeest. Vandaag zien wij de Sinterklaasfiguur heel nuchter als een aardige folkloristische traditie. Onze reactie is dan ook anders: we doen gewoon aan het sinterklaasfeest mee. Deze verschillende betekenissen kunnen overigens op elkaar betrokken worden als we elkaar informeren over de betekenissen die wij aan de dingen hechten. Om in het voorbeeld van mijn vrouw te blijven: als ik mijn kinderen iets vertel wat het betekent om mijn vrouw als geliefde en echtgenote te zien en zij vertellen mij iets over hoe het is om haar als moeder te zien, dan verrijken wij beiden onze kennis.
In de Bijbel
In de Bijbel is dit proces ook aanwijsbaar. Ik geef twee voorbeelden. In Deuteronomium 23 wordt gesteld dat een ‘ontmande’, een eunuch, in de gemeente (de vergaderde gemeente voor het heiligdom) niet mag komen. Hij heeft een gebrek en dat past niet in de sfeer van het heiligdom waar alles moet spreken van de volmaakte heiligheid van de Heer. Hier wordt de ontmande dus gezien in de betekenis van ‘gebrekkige’ en ‘vernielde’. In Jesaja 56 lezen we een profetie over de gemeente van de toekomst. Daarin heeft de ontmande (die de Here vreest) een volwaardige plaats. Hij heeft dan weliswaar geen kinderen, maar hij heeft in de tempel een gedenkteken béter dan zonen en dochters: een eeuwige naam. Hier wordt de ontmande niet gezien in zijn betekenis van gebrekkige en vernielde, maar individueel-persoonlijk als een lijdend mens. Hij heeft immers geen kinderen en vindt zichzelf maar ‘een dorre boom’. De reactie is hier tegenovergesteld: geen uitsluiting maar aanvaarding, Een voorbeeld uit het Nieuwe Testament: in 1 Kor. 8 is de vraag aan de orde: mogen wij offervlees eten dat uit de heidense slachterijen komt? (in Paulus’ dagen waren bijna alle slachterijen religieus). ‘Dat hangt ervan af’, zegt Paulus als het ware. ‘Het is maar welke betekenis je er aan hecht. Als je in geweten niet los bent van de afgoden en dit vlees verbindt met de kwade machten die achter die afgoden schuilgaan, moet je het niet eten. Maar als je vast gelooft dat Jezus Heer is over alle machten - en je dus in staat bent dit vlees te zien als gewoon vlees - eet het dan gerust.’ (vrij naar 1 Kor. 8:1-13).
De ‘huiver van Leviticus’
Hoe wordt homoseksualiteit in de bijbel waargenomen? De meest diepgaande en scherpe uitspraken over homoseksualiteit vinden we in de wetsteksten van Leviticus 18 en 20. Daar wordt homoseksualiteit in één adem genoemd met perversiteiten als bestialiteit, incest en kinderoffers. Het zijn ‘gruwelen’ waar de Heer een afschuw van heeft. De reden voor deze afschuw wordt niet vermeld maar laat zich wel reconstrueren. Het is een brute miskenning van de bedoelingen van God; een eigenwillige omkering van de door God ingestelde levensorde; een overschrijding van heilige grenzen, die slechts tot ontwrichting van het bestaan kunnen leiden; een verkrachting van de schepping. Er hangt de sfeer omheen van het taboe. Als het taboe doorbroken wordt zijn de gevolgen niet te overzien en is de toorn van God zeer te vrezen. Het land kan zulke dingen dan ook niet verdragen en zal zijn bewoners uitspuwen. (Lev. 18:28). Niet ten onrechte is in dit verband wel gesproken over de ‘huiver van Leviticus’. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze visie op homoseksualiteit is voorondersteld in de beschrijving van de gebeurtenissen in Sodom (Gen. 19) en Dan (Recht. 19). Ook in de nieuwtestamentische teksten horen we de echo van deze huiver. Paulus noemt homoseksualiteit ‘tegennatuurlijk’. Dat is weliswaar een grieks begrip, maar in de joodse gedachtewereld van Paulus ligt een verbinding met de teksten uit Leviticus voor de hand. Ook voor Paulus heeft homoseksualiteit te maken met de toorn van God. (‘Hij heeft hen aan de onreinheid overgegeven’, Rom. 1: 24.26). De ‘zachten’ en ‘zij die bij mannen liggen’, waarover 1 Korintiërs 6 en 1 Timoteüs 1 spreken, brengen ons weliswaar in de sfeer van de pederastie (relatie oudere man en jongere knaap) die in de oudheid wijd verbreid was, maar de algemeenheid van de formulering doet toch weer denken aan de integrale veroordeling in Leviticus.
Collectief en individueel
Homoseksualiteit komt in de bijbelse geschriften dus uitsluitend voor als expressie van goddeloosheid. Opmerkelijk is ook dat het ook alleen maar in collectieve verbanden ter sprake komt. Het gaat om Sodom (Gen. 19), de richterentijd (Recht. 19), de Kanaänitische cultuur (Lev. 18 en 20) en de decadente Romeinse samenleving (Rom. 1, 1 Kor. 6, 1 Tim. 1). Nergens is de blik gericht op de individuele homoseksueel en wat hij/zij doormaakt. Het verschil met onze waarneming springt direct in het oog. Als wij een homoseksueel ontmoeten, zien we niet een ‘teken van een goddeloze cultuur’, maar een individueel, mogelijk zeer gelovig mens, die een weg zoekt in het leven. We kijken daarbij niet slechts naar seksuele handelingen – wat het exclusieve perspectief is van de Bijbelteksten – maar leggen ook een verband met een (hoe dan ook) gegroeide innerlijke gerichtheid. Ook halen we er allerlei biologische psychologische en sociologische wetenswaardigheden bij. We zien homoseksualiteit dus blijkbaar niet alleen individueler, maar ook zakelijker en nuchterder. Wat moeten we aan met dit verschil? Daarover een volgende keer.
Job Smit is als predikant van de NGK Apeldoorn als geestelijk verzorger werkzaam in een verpleeghuis.