Kracht en kwetsbaarheid van de Apologetiek (3)

2002-08-23
  • Jaargang 46
  • nummer 16
Je hebt van die mensen, die kunnen blijven doorvragen. Waarom …?
Waarom …? Waarom …? vragen ze, na elk antwoord dat op hun soms onbenullige vragen gegeven wordt.
Het is een spelletje dat mensen met elkaar kunnen spelen. Degene die de antwoorden moet geven wordt er uiteindelijk gestoord van. Zo zijn er ook in het gesprek over het geloof mensen die maar blijven doorvragen, net zo lang tot het punt bereikt wordt dat je geen antwoord meer geven kunt. Op een gegeven moment rijst een heel andere vraag. Namelijk, wat bezielt de vragensteller? In dit laatste artikel dat ik aan de hand van Lukas 11 vers 14 - 23 over apologetiek schrijf wil ik met name hierop ingaan.

De vorige keer hebben we gezien dat Jezus de interpretaties, die omstanders van zijn wonderdaad geven, stuk voor stuk kritisch bespreekt. Nu wil ik er de vinger bij leggen dat Jezus niet alleen betoogt, maar zelf ook enkele vragen stelt. Indien ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn koninkrijk kunnen standhouden? En: Indien Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen jullie zonen het dan?

Ontmaskering
Het is met deze vragen als met de spreuk die momenteel op het reclamebord bij ons in de buurt staat: Eén vraag kan meer kruit bevatten, dan duizend antwoorden tegelijk! Ze hebben dezelfde functie als het ‘spiegelen’ waarvan Wim Rietkerk sprak.1) Jezus dwingt zijn critici door deze vragen na te denken over de motieven, de verborgen drijfveren van waaruit zij zich over Jezus uitgesproken hebben. Hij laat zien - zo evident redelijk is zijn betoog!
- dat hun tegenwerpingen schijnbewegingen zijn, rookgordijnen die de ware aard van die tegenwerpingen verhullen.
Je mag zelfs stellen dat Jezus de critici ontmaskert. Hij betrapt degenen die Hem in een kwaad daglicht stellen op kwaadwillendheid en uiteindelijk zelfs op verzet tegen God! Vandaar dat Hij zo streng kan stellen: ‘Uw zonen zullen rechters over uw zijn.’ Ook hiervan kunnen we leren, al lijkt een grote portie voorzichtigheid bij het toepassen van dit punt wel op zijn plaats. Jezus reageert hier immers op mensen, die opgegroeid zijn met de bestudering van de Tenach en die vertrouwd zijn met Gods beloften. Hun integriteit stelt Hij ter discussie. Nu, de integriteit is bij mensen die in deze tijd kritische kanttekeningen plaatsten bij de Bijbel lang niet altijd in het geding.
Vandaar die voorzichtigheid. Dat wil niet zeggen dat de wijze waarop Jezus zijn tegenstanders hier ontmaskert niet geactualiseerd kan worden! Soms proef je in iemands reactie op geloof en kerk een dusdanig grote onbillijkheid, dat je er haast wel aan kwaadwillendheid moet denken.

Een collectieve psychose?
Laat me daarvan een voorbeeld geven.
Het is afkomstig uit de interviews die al enige jaren in Trouw gehouden worden n.a.v. de tien geboden. Anna Enquist, die in het dagelijkse leven psychiater is, stelt daarin: ‘Geloof is een collectieve psychose’.2) Nu hoef ik Anna Enquist niet uit te leggen wat een psychose is, maar voor wie dat niet weet, een psychose is een ernstig en niet ongevaarlijk ziekteverschijnsel.
De psychotische mens leeft in verschillende werelden, heeft waanvoorstellingen en lijdt aan contactstoornissen.
Het gevolg hiervan is dat zijn maatschappelijk functioneren vrijwel onmogelijk is. Nu beweert Anna Enquist dat 95% van de mensheid aan een collectieve psychose lijdt. Me dunkt, de situatie waarin de mensheid zich bevindt is nog veel rampzaliger dan we al dachten! Beperken we ons echter tot ons geliefde vaderland, dan wijzen studies en statistieken uit, dat christenen niet meer maatschappelijke problemen veroorzaken dan andere mensen. Integendeel zelfs. Alleen al deze uit balans geslagen terminologie verraadt daarom een dusdanig negatieve en onwelwillende houding tegenover godsdienst en gelovigen, dat er alle reden is om hier door te vragen en even aan het zieltje van Anna Enquist zelf te peuteren. Waarom stel jij dit zo? Wat zegt dit over jouw insteek?

Karl Barth over de ‘Lessing-Frage’
In dit verband wil ik ook wijzen op een prachtige en scherpzinnige bijdrage die Karl Barth heeft geleverd aan de bezinning op de zogenaamde ‘Lessing-
Frage’.3) Lessing(1729-1781) was een filosoof die, hoezeer hij daarvoor ook zijn best deed, niet kon inzien dat de historische Jezus enige relevantie voor hem zou kunnen hebben. Hij kon geen brug slaan tussen de toevallige historische waarheid van het leven en sterven van Jezus van Nazareth en de eeuwige, onontkoombare, met het verstand gegrepen zekerheden waarnaar hij op zoek was. Zijn beroemde woorden in dit verband luiden: ‘Dat, dat is de walgelijke, brede sloot, waarover ik maar niet komen kan, hoe vaak en serieus ook ik de sprong geprobeerd heb.’ Barth echter betwijfelt of de historische afstand tussen ons en Jezus wel het eigenlijke probleem is. Hij ziet in de hele probleemstelling vooral een vluchtbeweging. Dezelfde vluchtbeweging die Adam en Eva in de hof van Eden voor God maakten na hun zondeval! Een vlucht voor het eigenlijke en veel grotere probleem, namelijk wat wij moeten als Jezus Christus ons inderdaad ‘gelijktijdig’ is geworden!
Zolang wij nog technische denkvragen à la Lessing kunnen stellen, stellen we de ontmoeting met God uit, behoeden we onszelf voor die catastrofe, die plaatsvindt als wij een onmiddellijke ontmoeting met Jezus Christus hebben!
Is dit geen prachtig voorbeeld van een Christusgetuigenis dat de bolwerken slecht die tegen de kennis van God worden opgeworpen en doorstoot naar de gronden van het hart?
En het is niet eens afkomstig uit de Angelsaksische wereld …

Van ‘verdediging’ naar ‘aanval’
Terug naar Lukas 11. Jezus heeft in een ter zake betoog allerlei misinterpretaties die over Hem de ronde doen ontmanteld en ontmaskerd. Maar daarmee is het verhaal niet uit. Hij neemt opnieuw het woord: Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid, Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit. Wie niet met Mij is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeen brengt, die verstrooit.
Jezus komt terug op feit dat in vers 14 beschreven wordt en geeft daarvan de enig juiste interpretatie. Hij plaatst zijn hoorders en ons(!) in een situatie van diepe duisternis, de situatie waarin onze wereld zich bevindt.
Een sterke, goed bewapende man bewaakt zijn hof. De duivel, de wereldbeheerser dezer duisternis, legt beslag op tallozen. Vervolgens brengt Jezus ons in een sfeer van strijd en wapengekletter.
De enige manier om de kostbaarheden van de satan te ontroven is hem aan te vallen en te overwinnen, hem te ontwapenen en zijn buit te verdelen. En zo - zegt Jezus - zo ben Ik bezig een oorlog te voeren tegen een tiran die mensen in wanhoop stort.
Een macht die mensen vervreemdt van zichzelf en van God. En zo is het, amen, halleluja!

Tot een keuze dwingen
Wat Jezus hier doet laat zich met wat een judoka op de mat kan doen. Zijn tegenstander zet een heupworp in (:15-16). Hij neemt die heupworp over (: 17-20), moeiteloos, soeverein. En vervolgens neemt Hij zijn tegenstander in een houdgreep (:21-23) zodat er nog maar één woordje gesproken worden ‘Genade’. Hiermee bedoel ik dat Jezus zijn gehoor uiteindelijk voor een beslissing plaatst: Wie niet met Mij is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeen brengt, die verstrooit.
Voor onze samenleving die, ondanks het optreden van Pim Fortuyn, gewoon doorpoldert, blijft dit een verschrikkelijk, een aanstootgevend woord. Wie niet met Mij is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeen brengt, die verstrooit.
Jezus stelt het heel zwartwit, want het ligt zwart - wit. Er is een strijd gaande tussen licht en duisternis en Jezus wil alle krachten mobiliseren tegen de macht der duisternis.
En iedereen die achterblijft, versterkt de positie van de boze.

Apologetiek is geen theekransje
Ook dit aspect van Jezus’ betoog moeten we meenemen in onze bezinning op apologetiek. Rond apologetiek, of die nu plaatsvindt buiten of binnen de kerk, op een verjaardag of in de business class van een Boeiing 747, in je eigen hart, de preek of het catechisatielokaal, rond het getuigenis van Christus hangt altijd ook rook en kruitdamp. Hoe geduldig en voorzichtig we het evangelie ook brengen, er zit een offensief element in.4) Ik bedoel dat in geestelijke zin. Ook in de apologetiek gaat het niet om een worsteling tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis. En uiteindelijk reikt de bedoeling altijd verder dan alleen het voren van een aardig gesprek waarin je de positie van het geloof hebt kunnen verdedigen. Het doel blijft jezelf en je kinderen en anderen niet alleen te winnen voor Christus, maar ook te rekruteren voor Christus. Er is een bikkelharde strijd te voeren!

De kern van de zaak
Maar ja, wat levert het op? Voor ons ligt, in Lukas 11, een stuk apologetiek van Jezus Christus zelf. Zijn betoog is redelijk en trefzeker, zijn boodschap brengt licht en bevrijding. Dit is een apologetiek met gezag! Maar uit niets valt op te maken dat degenen die Jezus’ werk op één lijn met dat van de satan hebben gesteld tot inkeer komen. Uit niets valt op te maken dat degenen die een teken uit de hemel wensten, zich Jezus’ woorden aangetrokken hebben.
Integendeel, Jezus vervolgt in Luk. 10:29 zijn toespraak met de woorden: ‘Dit geslacht is een boos geslacht.
Het begeert een teken …’ Alleen klinkt uit de schare een vrouwenstem (:27) die Jezus’ moeder zalig prijst.
That’s all.
Dit zet nogmaals aan het denken over de kracht en de kwetsbaarheid van de apologetiek. Zelfs de grootste apologeet, de Zoon van God, weet al vragende en argumenterende het menselijke hart niet te bereiken. Hoe kan dat toch?
Misschien is het wel waar wat een bekende Nederlandse apologeet uit de vorige eeuw heeft gezegd: ‘De rede verzet zich niet tegen de religie, integendeel, zij handhaaft haar, daarom kan het slechts de wil des menschen zijn, die haar vijand is. "Denn was das Herz nich will, das lässt der Kopf nicht ein."’5) Dit zou wel eens een diepe waarheid kunnen zijn. De mens is geen redelijk, zedelijk wezen dat te allen tijde bereid is zich door goede argumenten te laten overtuigen.
De mens leeft, ik leef in een krachtenveld waarin hij schijnbaar rationele rookgordijnen opwerpt rond zijn grootste moeite: zijn hoogmoed af te leggen en zich te onderwerpen aan God.
Maar zelfs hiermee is volgens mij de diepste waarheid niet aangeduid. Die is, denk ik, te vinden in het woord dat de Here Jezus sprak in Lukas 10:21.
Nadat zijn leerlingen stad en land hebben afgelopen en overal in woord en daad het evangelie hebben gebracht, zegt Jezus: ‘Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, doch aan kinderkens geopenbaard.’ Uiteindelijk blijft geloven een geheim, waarvan God alleen het fijne weet. Geloven kan er niet in gepraat, niet in gebeden, niet in gediscussieerd worden. Geloven is een wonder en ongeloof een raadsel.
Beslissingen vallen uiteindelijk niet in het verstand, maar in het hart van de mens. Hetgeen ons er niet van weerhouden mag om ons ook voortdurend op de (redelijke) verantwoording van het geloof te bezinnen.

Noten
1. Opbouw 46e jrg. No. 11, p. 224
2. Zie Arjan Visser, De Tien Geboden, 1999, p. 50vv
3. Deze bijdrage is te vinden in zijn KD IV, 1, p. 311-394. De passages waarheen in dit verband gewezen worden zijn te vinden op p. 315-323. Zeer lezenswaardig overigens is ook zijn betoog waarin hij de historiciteit en de realiteit van Jezus’ opstanding uit de dood met grote kracht verdedigt, p. 368-378.
4. Opbouw 46e jrg. No. 11, p. 224
5. A. H. de Hartog, De redelijkheid der religie, Amersfoort 1907, p. 219

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief