Persschouw
2002-08-23
- Jaargang 46
- nummer 16
Verkwistende twisten
Waar rommelt het eigenlijk níét? Ga op zoek in een willekeurig lokaal van gelovig Nederland, en overal vind je wel wat. ‘t Is niet om vrolijk van te worden.
‘Verkwistende twisten’, zet dr G.W. Marchal boven zijn artikel over deze dingen in Confessioneel (27 juni). Ik neem het hier in z’n geheel over.
Ik citeer enkele regels uit het Reformatorisch Dagblad van dinsdag 11 juni. Onder de kop ‘Homo niet doodgezwegen’ lees ik ter introductie van een vraaggesprek met de directeur van de Evangelische Omroep dat de EO ‘het onderwerp homoseksualiteit niet meer uit de weg (zal) gaan. Na het hete hangijzer decennia lang te hebben gemeden, is het terug in de ether. Maar het zal er anders aan toegaan dan toen.
Vooropstaat dat de homoseksuele mens er zijn mag en dat er naar hem wordt geluisterd. ‘Laten we daarmee beginnen.
Daar hebben we nog een leven lang werk aan,’ zegt directeur Ad de Boer’.
Ik heb de gave van de voorspelling niet, maar er is weinig verbeeldingskracht voor nodig, wel enige kennis van zaken over wat hieromtrent in kerkelijke kringen is gezegd, geschreven, bevochten, besloten, om aan te geven wat de EO te wachten staat.
Het draaiboek ligt eigenlijk al klaar: commissies, rapporten, commotie, eindeloos veel energie, maar het traject zal niet wezenlijk anders verlopen. Ik veronderstel ook niet dat er ‘een leven lang werk’ zal zijn, zoals De Boer verwacht.
De ontwikkelingen gaan uitermate snel. Mij dunkt: binnen vijf jaar zal de EO op het punt, in de kluwen van punten staan, waar de SoW-kerken zich thans bevinden. Ik beweer geenszins dat we achter de laatste mode moeten aanrennen in de kerken.
Iemand schreef ooit - het wordt aan prof. Berkhof toegeschreven, maar hij ontleende het aan een Engelse voorganger -: ‘Wie met de tijdgeest huwt, is spoedig alleen’. Wèl pleit ik ervoor om de feiten onder ogen te zien en ermee om te gaan op een integere en dus ook bescheiden wijze. Ik word soms moe en moedeloos van de twisten die in het (recente) verleden zoveel energie gevergd hebben, zoveel mensen - over en weer - hebben bezeerd en beschadigd.
De partijen dreven hun mening op de spits, maakten zelfs de Hoog- Heilige, God, tot hun partijganger. In gebeden, gesprekken, geschriften is uitvoerig uit de doeken gedaan hoe God over deze springende kwesties dacht en Zijn gedachten sloten vrijwel naadloos aan bij de onze. Het zou een zegen zijn als we onze stellige opvattingen open houden naar God en naar elkaar. Bij voorbeeld door naar eer en geweten te zeggen: voor zover ik de Heilige Schrift versta, is mijn overtuiging...
Er is onderweg al zoveel stuk gegaan, er zijn zoveel mensen afgebrand als je na verloop van tijd op je schreden moet terugkeren.
Ik noem nog twee kwesties die in kerde kelijke kring breuken en littekens hebben veroorzaakt. Met enige Godskennis en dus ook met enige zelfkennis hadden die vermeden kunnen worden, waren ze althans met minder pijn gepaard gegaan.
‘De vrouw in het ambt’ - om deze ongelukkige formulering te gebruiken - is in bepaalde kringen een heet hangijzer.
Ik heb respect voor hen die er oprecht moeite mee hebben op grond van hun verstaan van de Schriften.
Maar laten we dan ook zó oprecht zijn te erkennen dat geestverwanten, geloofsgenoten in de eigen kring, hierover anders denken. Het getuigt tenminste van edele omgang dat ook deze ‘lastige’ stemmen serieus genomen worden. Ook hier veronderstel ik dat deze kwestie op termijn is opgelost of dat de kwestie ons heeft opgelost.
Laten we onze kostbare energie aan andere, meer wezenlijke zaken besteden.
Wie er een aantal wil horen, neme kerde tijd om aandachtig naar zijn, haar kinderen te luisteren.
Het andere, laatste voorbeeld betreft de vraag naar het verstaan van de Bijbel, met name de eerste hoofdstukken van Genesis. In een boek van gereformeerd vrijgemaakte auteurs over het gezag van de Bijbel - Woord op schrift (uitgeverij Kok in Kampen)lees ik onder meer: ‘Heel de schepping is zo fijn op elkaar afgestemd dat het lijkt alsof de ‘dagen’ van Genesis eerder bedoelen een classificatie te geven die voor mensen van toen duidelijk was, dan een letterlijk verslag van een gebeuren’. Ik slaak de verzuchting en denk met pijn: arme Geelkerken, Buskes, Smelik..., wat hebben jullie onnodig veel pijn geleden. Wie de geschiedenis niet kent, is gedoemd haar te herhalen.
M.H.T. Biewenga, Enschede