Punters
2002-09-06
Het is woensdagochtend.- Jaargang 46
- nummer 17
Half zeven.
Ik word wakker uit een soort van nachtmerrie.
Ik bevind me op een groot meer, nabij Giethoorn. Opgesloten in een punter, samen met zes meisjes van zestien jaar. Ze houden allemaal hun mond en kijken wat schaapachtig naar de horizon.
Er is er geen een die ik leuk vind, die iets zegt of die een gesprek op gang helpt.
We zitten op het meer. De broodjes zijn allang op. De cola ook. Het is tien uur ‘s ochtends en we moeten nog tot vijf uur. Ik verlang naar koffie. Het begint zacht te regenen… De introductie dag van de nieuwe eerstejaars vindt dit jaar plaats op het water en de dag is er voor mij al in gevallen voor het begon.
Mijn vrouw vraagt wat ik heb.
‘Niets lieverd. Ik droom van leerlingen.’
Twee dagen later blijk ik niet de enige te zijn en we besluiten als docenten dat we een eigen punter nemen. Dat verandert de zaak en er gloort licht aan het einde van de tunnel.
Met vier collega’s in een bootje, een goed humeur en acht boten met leerlingen om ons heen. Dat geeft de burger moed.
Het zijn stuk voor stuk leuke collega’s.
Dus wat wil ik nog meer. (Oké goed weer, en geen Europese regen perikelen.)
Dan is het vrijdag.
De laatste dag van de introductieweek.
59 eerste jaars worden ontgroend en ingewijd door 12 tweede jaars leergrotendeels lingen.
De laatste hebben er echt zin in. Vol goede bedoelingen bestellen zij twee maal een fluister-motorboot, om overal snel te kunnen zijn en orde en overzicht te houden. Een grote watermeloen ligt in hun boot te glimmen.
Als de bus bij school moet vertrekken blijkt er toch een klein probleem.
Er blijken van de nieuwe eerste jaars al negen leerlingen te spijbelen.
Gniffelend vertelt iemand dat ze alle negen uit mijn nieuwe mentorklas komen.
Ik grom. Het nieuwe jaar begint fraai.
Ik besluit vanaf het water naar alle ouders te bellen en de spijbelactie gelijk confronterend aan te pakken.
Twee uur later dobberen we punterend in het water en zijn we zogenaamd allemaal druk met een speurtocht.
Meiden in bootjes worden door snellere motorboten voortgesleept, bruggen blijken te laag voor onze masten.
Druk mobiel telefoonverkeer van boot naar boot. Twee leerlingen raken stoeiend te water en een meisje plast van het lachen in haar broek.
Een wedstrijd ‘rondje eiland’ ontaardt in een wilde tobbedans.
Een meegebrachte watermeloen blijkt een doorgeef-piraten-kogel te zijn en als de meloen met luide knap op het eiland splijt, lijkt het ijs definitief tussen de leerlingen gebroken. (introductie geslaagd) De enigen die er als dissonanten tussen staan zijn de organiserende tweedejaars.
Door een opmerking in de trant van ‘die kinderen luisteren niet eens’ steigeren de een jaar jongere eerste- jaars.
Deze besluiten van de weeromstuit leergrotendeels hun eigen programma te willen draaien. Vooral op de onderdelen die ze zelf niet leuk vinden en ‘te belachelijk voor woorden’ vinden.
Wij vinden alles best. De docentenboot is gevuld met broodjes en koffie en de zon lijkt door te breken.
Eigenlijk hebben we wel lol en zijn we trots op de eerstejaars.
Assertieve meiden die zich niet laten koeioneren door de juffies uit de tweede.
We bezien de bootjes en de meiden en stellen tevreden vast dat we dit jaar, ondanks de spijbelaars, een goede oogst aan boord hebben.
De meloen blijft alleen gesplasht achter op het eiland.
In de docenten boot kibbelen we lang na wie dat ding had moeten opruimen… De docenten, de organiserende tweedejaars of de gooiende eerstejaars.
Wij vertrokken als laatste van het eiland.
Als we als docenten veel te laat de bus in hobbelen, hebben we een goede smoes.
De meloen bagger…