Psalm 105 (2)
2001-01-05
‘Hij voerde hen uit met zilver en goud’- Jaargang 45
- nummer 1
En Israël, daar in Egypte, zonder land? In de geschiedenis van de plagen, zoals het boek Exodus die vertelt, hoor je steeds opmerkingen als: 'Maar in de huizen der Israëlieten was licht'.
Dat wil zeggen: Israël zelf ontkwam steeds aan de plagen. Zij waren dan wel vreemdelingen, maar zij deelden niet in de rampen die over het land Egypte kwamen. Integendeel, zij gedijden, zij breidden zich uit. En aan het einde van dit gedeelte lees je dan het volgende: 'Hij voerde hen uit met zilver en goud, en er was in hun stammen niemand die struikelde'. De kinderen Israëls kwamen ongehinderd en als rijkaards daarvandaan. Dat is toch wat je met de Joden in de verstrooiing ook ziet gebeuren, telkens weer? Ze worden verdrukt, pogrom volgt op pogrom, ze moeten vluchten, maar ze naaien de diamanten in hun schoenen vast om ergens anders met de verworven rijkdom weer een nieuwe start te maken. God voert ook in de verstrooiing uit met zilver en goud. Zo positief als hier over de vlucht van Israël uit Egypte gesproken wordt, zo mag je dat ook doen over bijvoorbeeld de vlucht van de Hugenoten (weer een andere groep van Gods volk) die uit Frankrijk verdreven werden: God voerde ook hen uit met zilver en goud. En ja, dan heeft er toch ook zo iets plaats als: 'Want vrees voor hen was op hen gevallen' (vs 38). Heeft men niet vaak respect voor verdreven volken of bevolkings-groepen? Om de zegen die toch zonder land over hen gekomen is? Een land maakt een volk rijk en geëerd, maar God maakte Israël in Egypte als volk zonder land rijk en gerespecteerd.
Ubi bene ibi patria
En dan de periode van de woestijntocht waaraan de psalm ook enige verzen wijdt. Dat was de tijd van de wonderen: De wolk om voor het volk de zonnehitte af te schermen, de vuurkolom om 's nachts Israël bij te lichten (vs 39), de kwakkels om afwisseling te brengen in het eenzijdige voedselpakket van de woestijn en het manna dat als brood uit de hemel neerdaalde (vs 40), en tenslotte de rots waaruit het water te voorschijn golfde, welk water de Israëlieten begeleidde als een stroom in het dorre land (vs 41). Dit ziet alles op de ongedachte voorzieningen die de Here God gaf (en geeft!) in een tijd en op een plaats die net als de woestijn weinig of niets te bieden hebben. Dus, samengevat die periodes uit Isarels geschiedenis waar we het nu over gehad hebben: Bescherming, welvaart, onverdiend geluk en ongedachte zegen, dit alles heeft God zijn volk geschonken in de tijd dat ze nog niet in het bezit waren van het land.
En de boodschap: God is voor deze dingen ook niet afhankelijk van zo'n land! Hij kan ook in den vreemde daarvoor zorgen. Goed, zegt u, maar dat eigen land, dat is er nadien toch gekomen?! U hebt gelijk. Maar dat landbezit, let op, dat was een pand of een teken of een sacrament van iets anders en het wees heen naar iets groters. Het Nieuwe Testament zegt dat God Abraham tot een erfgenaam van de wereld gemaakt heeft (Rom. 4 : 13). Dat lees je zo nergens in het Oude Testament, maar dat is nu de belofte aan Abraham gelezen door het oog van deze honderdenvijfde psalm. Dan is dus de beperking tot dat ene land opgeheven. Dat wil zeggen: Overal waarheen maar dat nageslacht van Abraham zich begeeft in de wereld (het letterlijke en het geestelijke nageslacht!), steeds treedt het deze landerfenis binnen. Niet om zo een wereldrijk te stichten - daarvoor is wat God in zulke gevallen doet te brokkelig, te fragmentarisch, te incidenteel - maar om overal de waarheid van Gods belofte te ondervinden. Zodat het volk van God in een geestelijke zin kan zeggen: Ubi bene, ibi patria, 'Waar het goed is daar is het vaderland'; 'waar de Here God mij bescherming, welvaart en wonderlijke zegen schenkt, daar is mijn vaderland, daar gaat de landbelofte in
vervulling!'
Vergeestelijking
Vandaar nu ook dat het voorlaatste vers van de psalm toch iets anders , of, beter gezegd: iets meer zegt dan wij dachten. Ik zou op dat vierenveertigste vers nog even terugkomen en doe dat nu. Wij denken dat het op het eind van de psalm alsnog even gaat over de intocht in Kanaän en het in bezit komen van het beloofde land.
En dat is ook wel het geval, we behoeven dat niet te ontkennen. Zo kan de psalm ook gebruikt worden door David bij de overbrenging van de ark naar Jeruzalem, waarmee de intocht eigelijk voltooid was (I Kron. 16 : 822). Maar die inbezitneming van het land wordt dan in onze psalm toch zo onder woorden gebracht dat men er zich in de verstrooiing óók in herkennen kon: 'Hij gaf hun de landen der volken, zodat zij de arbeid der natiën beërfden'. Hoort u dat meervoud: landen der volken en arbeid der natiën? Het gaat om meer dan Kanaän. Eigenlijk is deze voorlaatste zin, behalve een herinnering aan het reële gebeuren van de intocht in Kanaän, ook een samenvatting van alles wat in de psalm voorafgaat. Een geestelijk oordeel over wat God in die verstrooiing voor Israël bewerkt had en nog bewerkte.
Hij gaf hun ook toen al en daar nog de landen der volken. Bezat bijvoorbeeld Israël in Egypte het land soms niet meer dan de Egyptenaren zelf? De Egyptenaren waren arm en berooid na de tien plagen, maar Israël verliet het land beladen met zilver en goud. Dat was toch een beërven van de arbeid der natiën? Waar de Egyptenaren voor geploeterd hadden, viel de Israëlieten als een rijpe vrucht in de schoot. Merkt u dus wel dat heel de geschiedenis van uittocht en intocht in deze psalm een soort van vergeestelijking ondergaat? Vergeestelijking, het is een woord waar wij niet van houden. Wij horen er een verdamping, een vervaging en een vervluchtiging in. Terecht dat u die kant niet op wilt. Maar in de bijbel betekent vergeestelijking iets totaal anders. Het wil zeggen dat God met zijn beloften ter zake komt en er zijn uiteindelijke bedoeling mee bereikt. Want met de belofte van het land bedoelde de Here dat Hij, toen Hij Abraham een nageslacht gaf, niet zei: En dan moet je later zelf maar zien hoe je dat nageslacht in leven houdt. Nee, God deed de toezegging dat zijn volk een bestaansbodem onder de voeten zou krijgen. En die belofte heeft Hij waargemaakt, in Kanaän eerst en vervolgens daarbuiten.
Land verwijdt zich tot de wereld
Het gaat vandaag vaak over de landbelofte van God aan Abraham. Geldt die belofte vandaag nog, is de vraag, zodat Israël zich tegenover de Palestijnen daarop beroepen kan? U kent wel het vaak hete gesprek over deze dingen. Ik ga dat gesprek hier niet voeren. Ik zeg alleen: Stel dat je moest zeggen: Nee, die belofte geldt nu niet meer, dan zouden we in deze psalm zien langs welke weg dat gegaan is. Dat reeds onder het oude verbond de belofte van het land zich allengs is gaan losmaken van dat ene landje aan de Middellandse Zee en dat reeds sinds de dagen van de verstrooiing 'land' zich verwijd heeft tot 'wereld'.
En dat dat er van meet aan al ingezeten heeft. En dat dus in de oude landbelofte niets minder maar ook niets meer dan deze garantie ligt voor Gods volk dat het overal op aarde een plek krijgt om te leven en te werken. Het hoeft van die plek de eigenaar niet eens te zijn, God maakt deze belofte ook waar als we de status van vreemdeling moeten aannemen en een opgejaagd bestaan moeten leiden. We weten maar al te goed hoe dit vandaag voor velen werkelijkheid is.
Het is dan nuttig er juist in deze tijd aan te herinneren dat er met het land, met de bodem afgoderij gepleegd kan worden. Ook ons volk is aan een grove overwaardering van het vaderland niet altijd ontkomen. De ras-, bloed- en bodemideologie is niet alleen voor de Duitsers een verleiding geweest, getuige het negentiendeeeuwse lied: 'Alle man van Neêrlands stam / voelen zich der vad'ren zonen, / willen vrij op 't plekje wonen / dat hun tot een erfdeel kwam.' Wat?
Nederland als erfdeel, zoals Kanaän dat destijds voor Israël was? Je schaamt je toch voor dit lied met al die asielzoekers in ons midden? Dit is een weinig nieuwtestamentisch geluid. En het is aan Psalm 105 voorbijgezongen. Echte christenen zijn kosmopolieten omdat zij het vaderland niet in deze wereld maar in het Jeruzalem van boven zoeken. Van daaruit kunnen zij het eigen vaderland relativeren (waarderen, ja zeker, en tegelijk relativeren). Zij bezitten het als niet bezittend. En zo kunnen zij ook solidair zijn met vluchtelingen en vreemdelingen.
Als Stefanus
Echt, wij hebben Psalm 105 vandaag broodnodig en we zullen hem, vermoed ik, steeds meer nodig krijgen.
De psalm stelt de landbelofte aan de orde, - een belofte waar elk volk van nature op afvliegt! - , en leert ons dan over de grenzen van het land naar de gehele aarde zien. Zoals de apostel dat ook doet met de belofte die aan het vijfde gebod is toegevoegd. Die belofte betrof in de Mozaïsche versie het land (‘...opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HERE uw God u geven zal’). Maar Paulus schrijft: ‘...opdat het u welga en gij lang leeft op de aarde’ (Ef. 6 : 3). Op de aarde, dáár maakt God nu waar wat Hij zijn volk heeft toegezegd! 'Hij meet ons tijd en ruimte toe, genoeg om Hem te vinden' (Gez. 86 : 4) en te dienen. Eigenlijk gebeurt in Psalm 105 hetzelfde als in de rede van Stefanus in Handelingen 7. Stefanus was ervan beschuldigd dat hij tegen 'deze heilige plaats' (men bedoelde Jeruzalem en omgeving, met de tempel in het midden) lasterlijke woorden sprak. De werkelijk godgeleerde man heeft toen een verdedigingsrede gehouden waarin hij heeft laten zien wat God allemaal voor zijn volk gedaan heeft buiten die heilige plaats om: bij de aartsvaders als vreemdelingen, bij Jozef in Egypte, bij Israël in de woestijn (je herkent de thema's van onze psalm) en als hij dan in zijn vertoog bij de tempel aangekomen is, dan relativeert hij ook die plaats nog met het woord van Jesaja dat niet Jeruzalem maar de hemel Gods troon is. En zo stelt Stefanus Gods volk dan in de ruimte van de wereld onder de wijde hemel.
Hetzelfde doet Psalm 105. En je begrijpt nu ook beter de eerste zin ervan: 'Maakt onder de volken Gods daden bekend' (vs 1), want inderdaad, 'de oordelen van de HERE gaan over de ganse aarde' (vs 7)! Van het volk Israël gaat het hier naar de volken en van het land Kanaän naar de ganse aarde. Ik eindig en vat al het gezegde samen in een variant op een inmiddels bekend en geliefd gezang uit het Liedboek: 'Gods goedheid is te groot / voor Kanaän alleen, / zij gaat in alle nood / door héél de wereld heen' (vrij naar Gezang 223 : 2).