Een heuvelstructuur in het Lied van Mozes aan de Schelfzee
2001-01-19
Dit lied van Mozes is gecomponeerd naar aanleiding van de doortocht van Israël door de Schelfzee. Wij worden aan die doortocht nog vaak herinnerd bij de doop van onze kinderen en kleinkinderen. Dan wordt immers in het gebed voor de doopsbediening gesproken over het volk Israël dat droogvoets door de Rode Zee geleid werd, terwijl Farao met zijn gehele leger omkwam.- Jaargang 45
- nummer 2
Indeling
Over het algemeen wordt dit lied van Mozes, dat te vinden in Exodus 15, ingedeeld in een aantal strofen die ongeveer even lang zijn. Het lijkt mij, dat dit overwinningslied in grote lijnen eenzelfde constructie heeft als het lied van Debora in Richteren 5 . Daarover heb ik een enkel jaar geleden een artikel geschreven in dit blad ( zie Opbouw 27 juni 1997 ). Ook het lied van Mozes bestaat uit vijf onderdelen.
A. Inleiding
B. De eerste subtop met omgeving
C. De centrale top
D. De tweede subtop met omgeving
en
E. De afsluiting
Ook in het lied van Mozes heeft de inleiding direct verband met de afsluiting en bestaat er eenzelfde verband tussen de eerste subtop en de tweede subtop. De centrale top beheerst het geheel en vormt een soort keerpunt.
De inleiding
De inleiding bestaat uit de verzen 1 tot 5. Het signaal dat de inleiding ten einde is, is de overgang naar de tweede persoon in vers 6. Zowel in de inleiding als in de afsluiting in vers 18 wordt over de Here gesproken in de derde persoon, in de tussenliggende verzen wordt tot de Here gesproken in de tweede persoon. De inleiding zelf bestaat uit twee delen. Vers 1b : ‘Ik wil de Here zingen, want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen’, en de verzen 2 tot 5 die een uitwerking vormen van vers 1b. Dat vers 1b heeft verband met de tekst van de reidans van Mirjam, die genoemd wordt in vers 21. Het is de vraag wat eerder was: de reidans van Mirjam of het lied van Mozes. Mijn indruk is dat de reidans van Mirjam wellicht direct na de doortocht plaats vond en dat het zingen van het lied van Mozes plaats vond bij de dankdag enige tijd later. Zoals in 1945 het westen van Nederland bevrijd werd op 5 mei, maar de officiële dankdag een aantal dagen later plaats vond. Voor de compositie van het lied heeft Mozes in ieder geval enige tijd nodig gehad.
De eerste subtop
De eerste subtop bestaat uit de grootspraak van de Egyptenaren: ‘Ik achtervolg, haal in; deel de buit; ik koel mijn lust aan hen; trek mijn zwaard; mijn hand heerst over hen’. Het lijkt mij, dat ook deze subtop bestaat uit vijf onderdelen. De centrale gedachte in deze subtop bevindt zich in het midden ‘ik koel mijn lust aan hen’. Tegenover ‘ik deel de buit’ staat ‘ik trek mijn zwaard’ en tegenover ‘ik achtervolg, haal in’ staat ‘mijn hand heerst over hen’. Ik heb het laatste werkwoord anders vertaald dan gewoonlijk en meer in overeenstemming met de vertaling van de Septuaginta. De woorden ‘mijn hand heerst over hen’ slaat volgens mij op het terugbrengen van het volk Israël als slaven naar Egypte, het eigenlijke doel van de achtervolging. Die tocht terug zou ongetwijfeld ook gepaard gaan met veel bloedvergieten en het doden van allen die zwak waren en niet snel genoeg konden meekomen. De Egyptenaren denken zelfs niet aan enige strijd. In hun gedachten kan er niets verkeerd gaan met de achtervolging en het terugbrengen van het volk Israël.
De omgeving van de eerste subtop
Voor en na deze subtop wordt verhaald, hoe de Here de Egyptenaren vernietigd heeft. Vooral in vers 8 wordt spanning opgebouwd: ‘Door de adem van uw neus werden de wateren opgestuwd; als een dam stonden de stromen; de watervloeden stolden in het hart van de zee’. Daarna komt de hoogmoedige taal van de Egyptenaren. In vers 10 wordt het natuurgeweld door de Here losgelaten: ‘Gij bliest met uw adem, de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren’. Er is een overeenkomst tussen de eerste subtop en de omgeving ervan. Die overeenkomst bestaat in het afwezig zijn van gewapende strijd. Zoals de Egyptenaren dachten Israël zonder strijd te overmeesteren, werden zij door de Here verslagen zonder strijd met menselijk wapengeweld.
De centrale top
Deze wordt gevormd door vers 11 en vormt het keerpunt in het gehele lied. ‘Wie is als Gij onder de goden, Here, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid, vreselijk in roemrijke daden, wonderbaar in uw doen’. Deze centrale top hangt samen met de inleiding, de verzen 1 tot 5, en met de afsluiting in vers 18. In de verzen voor deze top gaat het over de doortocht door de Schelfzee en het omkomen van de Egyptenaren. Na de top gaat het over de verdere tocht naar Kanaän en de vrees van de bewoners van Kanaän. Ook vers 11 behoort volgens mij bij dit gedeelte.
De tweede subtop
De tweede subtop wordt gevormd door de verzen 14 en 15 : ‘Volkeren horen het, zij sidderen; beving grijpt de bewoners van Filistea aan. Dan verschrikken Edoms stamhoofden, huivering grijpt Moabs machtigen aan; alle bewoners van Kanaän sidderen’.
De overeenkomst met de eerste subtop is de houding tegenover het volk Israël. Het verschil is enorm. Zoals de Egyptenaren vol zelfvertrouwen waren, voordat de Here hen te gronde gericht had, zo zijn de bewoners van Kanaän daarentegen diep onder de indruk van de machtige daden van de Here. Ook hier is er een opbouw in vijf onderdelen. Het centrum is Edom, dat in eerste instantie het eindpunt van de tocht door de woestijn was (zie Numeri 20 : 14 etc. en Jozua 15 : 21). Edom wordt geflankeerd door de Filistijnen in het Westen en de Moabieten in het Oosten. En daarom heen staan weer de volkeren en alle bewoners van Kanaän.
De omgeving van de tweede subtop Deze bestaat uit de verzen 12 en 13 en de verzen 16 en 17. Zowel 12 en 13 als 16 en 17 bestaan uit drie onderdelen, die handelen over de inwoners van Kanaän, het volk Israël en het centrale heiligdom. Vers 12 loopt parallel met vers 16A: de Here strekt zijn rechterarm uit en de volkeren in Kanaän worden als stenen op het land; zij worden als het ware door de aarde verslonden. Vers 12 wordt over het algemeen uitgelegd als te behoren bij de Egyptenaren die omkwamen in het water. Er is echter veel voor te zeggen om de verzen 12 tot en met 17 alle te laten slaan op de verdere tocht naar Kanaän. En zo staat vers 12 niet parallel met vers 10, maar er tegenover, waarbij in vers 10 de Egyptenaren bedoeld worden en in vers 12 de inwoners van Kanaän. En de zee en het water (Egypte) staan tegenover het land (Kanaän). Stenen in het land Kanaän zijn niet zozeer dingen die in het water zinken als wel dingen die in het landschap liggen en al dan niet in beweging gebracht kunnen worden. Vers 13A Gij leidt in uw goedertierenheid het volk dat Gij verlost hebt’ vindt zijn herhaling in vers 16B ‘terwijl het volk...dat Gij U verworven hebt doortrekt’ en vers 13B ‘Gij leidt het door uw kracht naar uw heilige woonstede’ wordt verder uitgewerkt in vers 17. In de omgeving van de tweede subtop zijn de gebeurtenissen van de verzen 16 en 17 niet zozeer het tijdsvervolg van de verzen 12 en 13, zoals bij de omgeving van de eerste subtop, maar ze vormen een uitwerking van de verzen 12 en 13. In de omgeving van de eerste subtop is het gedeelte in vers 6 tot 8 uitgebreider dan het tweede gedeelte in vers 10. In de omgeving van de tweede subtop is deze volgorde gespiegeld: de verzen 12 en 13 zijn korter dan de verzen 16 en 17. Ook de tweede subtop en omgeving worden gekenmerkt door de afwezigheid van gewapende strijd. De nadruk ligt op het handelen van de Here.
Afsluiting
Uit deze heuvelstructuur blijkt wel, dat het lied van Mozes in Exodus 15 door één persoon gecomponeerd is en dat het niet langzamerhand door verschillende personen is uitgebouwd. Het leiden van vers 13 en het doortrekken van vers 16 slaat op de reis door de woestijn tot in het land Kanaän. Mozes ziet door de Heilige Geest vooruit naar de heilige woonstede van God (vers 13), de woning van God, het heiligdom door de hand van de Here gesticht. Dat ligt op de berg die Gods erfdeel is. Mozes ziet uit naar een centraal heiligdom, dat op een berg of in het gebergte ligt. Vers 18 is de afsluiting van het lied en richt zich op de toekomst: De Here regeert voor altoos en eeuwig.
| Een prullenbak met verrassingen Het is maandagmorgen. Alle kinderen zijn weer naar school. Door het hele huis liggen sporen van hen. Zuchtend start ik de keerzijde van mijn moedertaak. Eerst maar de kamer van onze één na jongste. Als ik de deur open doe bekruipt me de neiging om hem maar direkt weer te sluiten. Haar vloerbedekking is niet meer te zien. De kamer ligt bezaaid met alles wat ze vanmorgen geprobeerd heeft aan te trekken. Alle tekenmaterialen die ze in de hand heeft gehad liggen schots en scheef op of onder haar tafel. Ze is dit weekend met houtskool bezig geweest. De tafel ziet er grauw van. Er ligt ook een studieboek open. Zou ze het vergeten hebben mee te nemen naar school? Hoe kun je haar nou zo ver krijgen dat ze ordelijker werkt? Ze is zo vaak iets kwijt, ja, logisch als je zo chaotisch bezig bent. Zo, alle losse papiertjes even goed bekijken of het weg kan en hup in de prullenbak. Ze zou eigenlijk ook een veel grotere prullenbak moeten hebben. De helft ligt er naast. Er liggen ook allerlei houtskoolkladjes in. Es kijken, wat stelt dit voor? Een man, een ezel. Warempel, het is de barmhartige Samaritaan! Ik leeg een stoel en ga met het houtskoolschetsje zitten. 'Mijn gedachten krijgen een totaal andere wending. Wat heeft haar er toe gebracht om dit te tekenen? Terwijl de moeder zich over aardse zaken bekommert, zoals deze chaotische kamer, geeft de dochter per ongeluk blijk van háár denkwereld. Meisjes van dertien, wat kun je veel van ze leren! Toen ze thuis kwam, liet ik haar het kladje zien. Ik zei, dat ik het wilde vergroten, omdat het me raakte. ‘Nee, niet doen, hij is lelijk. Dit is niet goed en dat is niet goed.....’ Twee jaar later heb ik hem toch vergroot en ingelijst. Veel mensen bewonderen de tekening. En mijn dochter? Ze haalt verbaasd haar schouders op. Marijke Wesdijk-Algra, Barendrecht |