Huwelijksdienst?

2001-01-19
  • Jaargang 45
  • nummer 2
Dat het onze Gereformeerd Vrijgemaakte broeders (en zusters?) niet aan daadkracht ontbreekt, is recent weer overtuigend bewezen: voor de vierde keer in 25 jaar heeft men namelijk een nieuw huwelijksformulier opgesteld; door de Generale Synode van 1999 is het vrijgegeven voor gebruik in de kerken. In een aantal artikelen in De Reformatie heeft dr E.A. de Boer uiting gegeven aan zijn waardering voor deze meest recente versie. Maar bedenkingen heeft hij tegen het besluit om voortaan te spreken van een ‘huwelijksdienst’.
Hij pleit voor handhaving van de oude benaming: ‘kerkelijke huwelijksbevestiging’.
Ik neem een paar passages over uit zijn betoog. Eerst formuleert De Boer de argumentatie van hen die afwillen van de oude terminologie: De kritiek op de term 'huwelijksbevéstiging’ is van taalkundige aard. Het betekent vanouds: huwelijkssluiting. Als we er nú iets anders mee bedoelen, waarom zeggen we dan niet waar het in een eredienst, waarin twee pas getrouwde mensen aanwezig zijn, precies om gaat? Het bruidspaar komt in de kerk om in het midden van de gemeente Gods Woord over het huwelijk te horen en Gods zegen te vragen door middel van het gebed van de gemeente.
Dat lijkt me helder. Maar De Boer gaat er niet in mee. Volgens hem is er nauwelijks een taalkundig probleem: Geen mens denkt dat het huwelijk éigenlijk in de kerk gesloten wordt. In 'bevestigen' beluistert iedereen misschien wel het oude 'vastmaken', maar dan als: sterker maken van de belofte, zoals die voor de ambtenaar van de burgerlijke stand gegeven is. Sterker: door samen in de kerk over het gesloten huwelijk de naam van God aan te roepen. En daarvoor een extra belofte aan de getrouwden te vragen! ‘Geen mens’? ‘Iedereen misschien wel’? Eerlijk gezegd: mijn ervaring is anders.
Nu kan het natuurlijk zijn dat de mensen in de kerken die De Boer dient op dit punt meer kennis in huis hebben dan die waarmee ik in aanraking kom, maar het lijkt me waarschijnlijker dat De Boer ‘zijn mensen’ toch wat overschat.
Of het intussen voor hemzelf wel helemaal duidelijk is? Hij vraagt: Waarom vraagt de kerk aan getrouwden een extra belofte? Zij hebben toch al op het stadhuis ‘ja' gezegd, en dat net zo goed voor Gods aangezicht?
Dat de kerk in eigen woorden een belofte van het bruidspaar vraagt is eigenlijk merkwaardig sinds de overheid de sluiting van huwelijken van de kerk heeft afgenomen. Je zou kunnen zeggen: we hebben de scheiding van kerk en staat op het punt van de huwelijkssluiting sinds 1809 niet geaccepteerd.
De extra belofte in de kerk geeft aan: getrouwden zijn niet alleen geroepen de Nederlandse wet op het huwelijk na te leven, maar vooral ook Gods geboden. Is dat werkelijk waar het om gaat?Maar dan is het wel heel algemeen geworden; wij zijn immers allen, zonder enige uitzondering, geroepen om niet alleen de Nederlandse wet, maar ook Gods geboden na te leven, en dat op elk terrein van het leven. Daarin het specifieke te zoeken van een kerkelijke huwelijksbevestiging lijkt mij een hachelijke onderneming. Ook De Boer zelf lijkt dat aan te voelen. Hij gaat verder: Er gebeurt in de kerkdienst dus méér dan dat de naam van God over het huwelijk in gebed en zegen wordt aangeroepen. Onder getuigen leggen bruidegom en bruid elk een gelofte af, ten over-staan van de dienaar van het Woord. Een gelofte die bindend is voor hun hele huwelijksleven. Dat feit mag rustig uitgedrukt worden in een term als ‘bevestiging'. Een ander, glashelder woord is natuurlijk beter. Ik stel voor de aanduiding 'inzegening' te kiezen.
Nee, dat betoog wil mij vooralsnog niet echt overtuigen. Datzelfde geldt in nog sterkere mate voor een passage waarin De Boer de ‘huwelijksdienst’ vergelijkt met de ‘rouwdienst’. In de Vrijgemaakte kerkorde staat de merkwaardige bepaling dat er geen rouwdiensten mogen worden gehouden. Dat vraagt natuurlijk om verantwoording waarom ‘trouwdiensten’ dan wél mogen. De Boer maakt er een taalkundige kwestie van. Volgens hem is het de term ‘huwelijksdienst’ of ‘trouwdienst’, die de vragen oproept; en ook daarom kun je beter blijven bij ‘kerkelijke huwelijksbevestiging’.
De Boer: Waarom geen rouwdiensten? Omdat niet de overleden geliefde in het middelpunt staat. Hoe belangrijk het gedenken van de overledene ook is, het is geen reden om de gemeente in openbare eredienst samen te roepen.
Waarom dan wel een trouwdienst (of huwelijksdienst, maar dat is hetzelfde)?
We hebben er altijd nadruk op gelegd dat de eredienst waarin een huwelijk ingezegend wordt principieel een samenkomst van de geméénte is. Ik weet wel dat de praktijk weerbarstig is: lang niet elk gemeentelid voelt zich geroepen zo'n dienst te bezoeken. Maar mijn bezwaar tegen de term huwelijksdienst is: het voedt de gedachte dat (niet de samenkomst van de gemeente voor God, maar) het bruidspaar het middelpunt is.
Eerlijk gezegd snap ik hier niet veel van. In de lijn van De Boer doordenkend lijkt me het ‘probleem’ van de rouwdienst eenvoudig op te lossen door voortaan, ook in Vrijgemaakte kring, te spreken van (bijvoorbeeld) een ‘dienst van Woord en gebed’, in plaats van dat malle woord ‘(de) samenkomst’, dat daar nu meestal wordt gebruikt. Waarom zou in een ‘samenkomst’ blijkbaar wél de mens in het middelpunt mogen staan, en in een kerkdienst niet? Als het maar gaat om die mens in zijn of haar relatie met God. Anders gezegd - zo heb ik lang geleden op de TSB geleerd van ds H. de Jong: in zo’n dienst valt het licht van Gods genade door het prisma van deze unieke mens. Waarom zouden we zo bang zijn om de zegen van God mee te geven aan mensen? Of die nu aan het begin staan van hun huwelijk, of dat ze op het punt staan naar een open graf te gaan? Voor beide heb je als mens waarlijk de steun van God wel nodig!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief