Hemelverlangen
2002-09-20
Regelmatig kom ik bij een oude dame, die een lichte vorm van dementie heeft. Als ik aan het eind van mijn bezoek voor haar een stukje uit de bijbel lees, dan kan ik er op rekenen, dat zij begint over haar verlangen naar de wederkomst van Christus. Ik weet al precies wat ze gaat zeggen. Toch ontroert het me elke keer weer. ‘Kijk’, zegt ze dan, ‘zie je die wolken buiten? Ik kijk er elke dag naar en denk dan: wanneer zou Hij daaruit komen? Wat denk je, zal het al gauw gebeuren? Ik verlang er zo naar, ik voel me vaak zo alleen. Het duurt soms zo lang. De Here Jezus heeft het toch beloofd?’- Jaargang 46
- nummer 18
Ja, en dan zeg ik ook elke keer weer hetzelfde: ‘mevrouw, de Here talmt niet met de belofte, al denken we dat soms wel eens, maar de dag van de Here zal komen als een dief. Dat weten we toch, hé.’ Dan zegt ze: ‘ja, de Here is lankmoedig, want Hij wil niet dat sommigen verloren gaan, maar dat iedereen tot bekering komt.
En daar ben ik eigenlijk zo blij mee, want mijn zoon…..’
‘Zullen we dan nog uit Openbaring 21 lezen, om dat blijde gevoel over de wederkomst van onze Here Jezus te behouden?’ vraag ik. ‘En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn’. Na deze bemoedigende woorden gehoord te hebben, zitten we allebei met tranen in de ogen. Daarna leggen we dat hemelverlangen in gebed voor God neer.
Als ik in mijn auto stap, denk ik elke keer weer: wat is er veel eenzaamheid, vooral bij ouderen. Maar wat is er ook veel geloof en verlangen naar de betere toekomst. Geen tranen meer, geen lichamelijke of geestelijke pijn ‘want de eerste dingen zijn voorbijgegaan’.
Vooral in de zomermaanden voelen ouderen zich extra alleen, omdat kinderen, familieleden, vrienden en kennissen vaak ver weg op vakantie zijn.
Dat geeft ze een eenzaam en onveilig gevoel. ‘Als er eens iets met me gebeurd, dan is iedereen zover weg’, hoor je de mensen zeggen. De meeste van hen zijn blij als de vakantie voorbij is. Herkenbaar toch?
We leven in een wonderlijke maatschappij.
We doen er alles aan om gezond te zijn en oud te worden. Er wordt wat naar een dokter gebeld!
Heel wat bezoeken aan specialisten worden gemaakt om ‘dingen’ uit te sluiten. Natuurlijk zijn we blij met al die mogelijkheden. Maar als we dan oud zijn, redelijk gezond en (niet zelden) alleen? Of als we toch naar een verzorgingshuis moeten, omdat er gebreken komen zoals de Prediker (in hoofdstuk 12:3-7) die zo beeldend en waarheidsgetrouw beschreven heeft?
Is dat waar we naar verlangen?
Je hoort mensen tegenwoordig nogal eens zeggen: voor mij hoeft het allemaal niet, ik hoef niet zo oud te worden.
Voor sommigen wordt oud worden zelfs een schrikbeeld. Is dat onterecht?
Ik denk het niet. We leven zeker al twintig jaar in een sfeer waarin ‘jong zijn’ in is. De tijd van: ‘Voor het grijze haar zult gij opstaan en aan de oude zult gij eer bewijzen…’ (Lev.19:32) en ‘de eer der kinderen zijn hun ouders’ (Spr.17:6) lijkt soms ver achter ons te liggen. Nogal wat oudere ouders zien hun kinderen spaarzaam. Natuurlijk ligt het soms ook aan die ouders zelf, maar toch….
Wanneer je hoort, leest en via de televisie ziet hoe er in verpleegtehuizen met ouderen soms gesold wordt!
Maar wat erger is: er zijn (zeker in de vakantieperiode) te weinig verpleegkundigen om de nodige aandacht aan (zieke) ouderen te besteden. Terwijl ze die zorg en aandacht graag zouden willen geven. Is het een wonder wanneer ouderen de moed soms opgeven?
Oud worden in deze tijd is niet zo gemakkelijk, dat heb ik allang begrepen.
Steeds meer oude mensen wonen ver van hun kinderen en kleinkinderen.
Het verlangen naar de hemel en naar Christus wederkomst is dan ook wel te begrijpen, maar soms is dat verlangen wel wat gekleurd. Het moe worden van het oud zijn kan vermengd worden met hemelverlangen. Begrijpelijk, ja zeker!
Wanneer ik mijn bezoekje overpeins, dan voel ik altijd een tekort. Als ik naar mezelf toepraat, dan denk ik: ja maar ik heb toch verschillende ouderen ‘geadopteerd’ om te bezoeken.
Toch, als ik naar de vele eenzame ouderen kijk, dan bekruipt mij dat gevoel van tekortschieten. Want we hebben met z’n allen die samenleving van gezond oud worden gecreëerd.
Ligt het dan toch aan mij en aan veel anderen met mij, wanneer ouderen zich ongelukkig voelen en een misschien ‘onzuiver’ heimwee naar de eeuwigheid krijgen?
Dat geloof ik nu ook weer niet. Soms kan het een bezoeking zijn om (eenzame) ouderen een bezoek te brengen.
Wanneer er alleen maar over futiliteiten gesproken wordt en geklaagd wordt over alle mogelijke kwaaltjes, er geen enkele belangstelling voor de bezoeker zelf is, ja dan…. Het kan echter ook een feest zijn om bij ouderen op bezoek te gaan. Ouderen die een oprecht verlangen hebben naar Christus komst en daar voortdurend biddend mee bezig zijn, omdat ‘de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is’ (Rom.8:22).
Wanneer zij getuigen van de hoop die in hen is. De hoop naar een beter, dat is een hemels, vaderland. (Hebr.11:l6).
Wat kan dat jongeren, die vaak zo druk zijn met andere dingen, bemoedigen en troost geven.
‘De rechtvaardigen zullen in de ouderdom nog vrucht dragen, fris en groen zullen zij zijn, om te verkondigen, dat de Here waarachtig is’. (Ps.92:15,16).
Het hemelverlangen kan dan aanstekelijk werken. Dat verlangen mag bij mij door ouderen best gevoed worden.
Jezus heeft het immers beloofd dat Hij terug zal komen op de wolken!
Het zal een geweldig feest worden.
Hij maakt zijn beloften waar!
Misschien moeten we toch wat meer biddend naar die wolken kijken.
Tijdloos
Zelf bij de Heer zijn,
over tweeduizend jaren
of morgenochtend.
Piet Los