Kuitert, Achterberg, Schilder en Pascal (1)

2002-10-18
  • Jaargang 46
  • nummer 20
Ik kan me heel goed voorstellen dat iemand zich afvraagt: ‘wat hebben Kuitert, Achterberg, Schilder en Pascal met elkaar te maken?’ De chronologie uitgaande van de laatstgeborene klopt, maar wat is de verdere overeenkomst?
Gedachten zijn flitsend, zoeken associatie en dat werd ik me opnieuw gewaar, want van Kuitert kwam ik via Achterberg bij Schilder uit en tenslotte bij Pascal. Een bijzonder viertal.
Twee totaal verschillende theologen met een sterke rationele inslag, wars van alle halfheid, een moed en gedrevenheid die in de gereformeerde gelederen hebben geleid tot twee opvallende Einzelgängers, verder een dichter met een voor zijn tijd bijzonder modern, beeldend en in zijn kortheid opvallend taalgebruik en tenslotte een toch wel zonderlinge, zij het ook geniale man uit de zeventiende eeuw, die maar 39 jaar is geworden.

Terwijl ik besprekingen las in diverse kranten over het laatste boek van Kuitert met de titel ‘Voor een tijd een plaats van god’, moest ik steeds denken aan een gedicht van Gerrit Achterberg, waarin dezelfde zin voorkomt. Zodra ik het gedicht ‘Deïsme’ vond, wist ik me weer te herinneren het merkwaardige begin van het gedicht met het nog aanstootgevender slot. De laatste strofe bracht me bij Schilder, want ik meen dat hij in zijn zeggingskracht in dezen Achterberg te boven gaat, althans de vergelijking van Christus als ‘de koopman in oud roest’ wordt door Schilder mijns inziens nog overtroffen.

Kuiterts openheid voor proza, po.zie en wat pas is verschenen
Wat men van Kuitert ook mag zeggen, hij is een ‘levend’ ethicus en dogmaticus en dat blijkt direct al, als wij letten op zijn grote interesse in literatuur en poëzie.
Weinige theologen zijn zo bij de tijd als hij.
Van Berkhof vernam ik eens dat Kuitert het nieuwste op theologisch gebied van Angelsaksische zijde dikwijls al had gelezen, als hij het boek pas had ontdekt.
Wat dat betreft is er directe overeenkomst tussen Kuitert en Schilder.
Maar op de relatie Kuitert en Schilder willen we hier niet ingaan, want dan verlaten wij de theologie en begeven ons op het vlak van de psychologie.
Toch is er één uitspraak van de zevenenzeventig jarige Kuitert waarbij wij direct moeten denken aan Schilder en diens hele theologie.
‘Je kunt geen steen uit de geloofstraditie wegbreken, zonder dat de hele muur valt’, aldus Kuitert.1) Als er één overtuiging is van Kuitert waarmee Schilder het hartgrondig eens zou zijn dan wel deze. Daarom is het ook onterecht als Kuitert stelt dat Schilder in zijn Heidelbergsche Catechimsus ‘toch wel doodgelopen blijkt te zijn in pure rationele scholastiek’.2) Juist wie weet heeft van wat de functie en betekenis is van die ene steen in het geheel van de muur moet beter oordelen. Een dogmaticus heeft weet van de prolegomena, de voorvragen. Van Ruler wist nog lyrisch, meeslepend en overtuigend te spreken over de schoonheid van de scholastiek, die hij vergeleek met de gaafheid van de bladeren der bomen in de bloeiende Betuwe in het voorjaar en het cisileerwerk van de zilversmid.
Hij typeert de scholastiek als ‘de meest rijpe vorm van denken’.3) Kuitert heeft Schilder eens genoemd ‘een genie in de dop’. Hij voegde er aan toe: ‘maar ik vraag mij wel af of hij ooit uit die dop gekomen is. Ik geloof namelijk, eerlijk gezegd, dat zijn volgelingen hem in de dop gehouden hebben’.4 ) Hoe men ook over Schilder mag denken, hij behoort absoluut tot de groten in het rijk der theologen. Het is in één van zijn laatste werken – en het betreft hier een herziening van één van zijn eerste in boekvorm uitgegeven publicaties-, dat wij aan Achterberg moeten denken.

Kuitert en zijn geliefde dichter Achterberg
Als het gaat over één van Kuiterts meest geliefde dichters kan hij misschien makkelijker uit de voeten dan wanneer gevraagd wordt naar zijn lievelingsschrijver.
Aan Puchinger bekende hij in de jaren zestig: ‘ik heb geen lievelingschrijver’.5) Maar toen Kuitert begin 2001 in een interview in NRC gevraagd werd naar zijn favoriete auteur, sprak hij onomwonden: ‘Dan ben ik snel bij Achterberg’. Meer dan eens maakte hij zijn voorliefde voor Achterberg bekend. Nu draagt zijn laatste boek de titel van het begin van het gedicht ‘Deïsme’. Maar toch is er een opvallend onderscheid, want hoe schrijven we ‘God’ met een hoofdletter of een met kleine letter? Achterberg blijft in de traditie, al is hij in het vervolg van het gedicht niet consequent, maar Kuitert niet. Hij weet heel goed dat de titel van een boek in het vervolg moet worden ontvouwd. De titel van menig boek van Kuitert is een vondst en leidt niet om de tuin, daarvoor is hij ook te radicaal en te rationeel. In de tijd dat hij zich ontdeed van de invloed van Barth, die volgens hem van de nood een deugd maakte, kwam de vraag bij herhaling bij hem op ‘How do you know?’6)

Achterberg en zijn belijden in Deïsme
Eerst nu naar het gedicht van Achterberg uit ‘Vergeetboek’. We zijn dan bij het verschijnen in 1961, het is zijn laatste bundel; een jaar later overlijdt hij op zevenenvijftig jarige leeftijd.

Deïsme
De mens is voor een tijd een plaats van God.
Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen, dan wordt hij afgeschreven op een steen.
De overeenkomst lijkt te lopen tot deze voleinding, dit abrupte slot.
Want God gaat verder, zwenkend van hem heen in zijn millioenen. God is nooit alleen.
Voor gene kwam een ander weer aan bod.
Wij zijn voor hem een vol benzinevat, dat hij leeg achterlaat. Hij moet het kwijt, al de afval, met zijn wezen in strijd.
Sinds hij zich van de schepping onderscheidt, gingen wij dood en liggen langs het pad, wanneer niet Christus, koopman in oudroest, ons juist in zo’n conditie vinden moest; alsof hij met de Vader had gesmoesd.
De religieuze achtergrond, die zo sterk meespreekt in het werk van Achterberg, wordt gevoed vanuit het ouderlijke huis waar hij in aanraking kwam met de rechterflank van de Hervormde Kerk, de gereformeerde bond. Wie daarom werkelijk in het werk van Achterberg door wil dringen, zal goed thuis dienen te zijn in de Statenvertaling en de psalmberijming van 1773.
Ik wil hier niet ingaan op het leven van Achterberg, - dat heeft al genoeg stof doen opwaaien bij het uitkomen van de biografie van Wim Hazeu - maar dat hij zijn eigen bestaan als verzondigd ervoer, wil ik graag van de ernstige dominee Doornenbal, die op een bijzondere wijze met Achterberg bevriend was, aannemen. Doornenbal, de bekende dominee van het plaatsje Oene, die zoveel zwaarmoedige, kunstzinnige en intellectuele ‘vreemdelingen’ in zijn kerkdiensten wist te trekken, boeien en treffen, schijft over de gedichten van Achterberg: ‘Mijzelf hebben ze gegrepen op een zeer bijzondere wijze, en mij telkens weer steun en kracht gegeven, waar ze spreken van genade en vergiffenis, tegenover schuld en schande. En het is daarin waarschijnlijk, dat zijn leven en werk voor mij en voor anderen hun grootste en blijvende waarde behouden zullen, voor hen namelijk wier leven evenzeer gebroken is als het zijne was, en die daarin verlossing van node hebben’.7) Zonde en genade hoe staan ze in het werk van Achterberg tegenover elkaar en hoe weten ze elkaar te vinden in de verzoening! Dit blijkt ook op een merkwaardige wijze uit het gedicht ‘Deïsme’.

De vragen van het deïsme
Wij kunnen ons afvragen of de titel van het gedicht de inhoud dekt en daartoe heeft de dichter ook bijgedragen.
Hij wilde het gedicht eerst uit laten komen onder de titel ‘Deïsme voorbij’. En geeft dit de inhoud niet beter weer? Het begrip deïsme schijnt terug te gaan op de Engelse verlichtingsfilosoof Herbert von Cherbury (1583-1648). Er is volgens het deïsme wel een God die de wereld in aanzijn heeft geroepen, maar er gebeuren na de schepping geen ingrepen meer van Hogerhand. Voor wonderen is geen plaats meer en dat geldt ook de zending van Gods Zoon. Herbert van Cherbury stelt in zijn deïstische geloofsbelijdenis, dat het hem niet te doen is om ‘waarheden van het geloof’ maar om ‘waarheden van het verstand’. In Engeland gedijt het deïsme. Paul Hazard stelt: ‘De deïst wees weliswaar de God van Israël, Abraham en Jakob af, maar hij geloofde nog wel in het bestaan van een God. Weliswaar loochende hij de geopenbaarde godsdienst, maar hij wilde toch niet dat de hemel leeg was’.8) In dit denkpatroon zullen wij Gerrit Achterberg onmogelijk kunnen onderbrengen, want zijn godsbegrip rust niet op de rede maar op de openbaring.
Achterberg geeft aan het begrip deïsme een eigen direct inhoud, waarin het wezen van het christelijk geloof op scandaleuze en plastische wijze wordt verwoord. De neerlandicus De Gier schrijft: ‘Het gedicht is te lezen als een geloofsbelijdenis en ik beschouw het min of meer als Achterbergs testament’.9) Het opschrift geeft dadelijk te denken, want de slotstrofe maakt duidelijk dat Gods scheppingshand de wereld niet aan haar lot heeft overgelaten.
Het hele drama van Golgotha in heilshistorisch perspectief is namelijk van God uitgegaan. De mens, beelddrager Gods, is tijdelijk, want de dood is de straf op de zonde en de ontwrichting zit zo diep; van beneden kan er geen redding komen. Wat blijft er voor de sterveling, wiens dagen zijn als het gras anders over dan te bidden: ‘Heel toch de wond, die ‘t leven sloeg, laat ons niet hooploos verbloeden’.10) Dit brengt ons bij het beeld van ‘een vol benzinevat, dat hij leeg achterlaat. Hij moet het kwijt, al de afval, met zijn wezen in strijd’. De overeenkomst tussen God en mens, ‘geen gelijkteken’, is na de zondeval groter geworden.
De ware beelddrager Gods is ‘Christus, koopman in oudroest’, die uit de totale verlorenheid redt. De mens ligt sinds de zondeval in de goot, ‘gingen wij dood en liggen langs het pad’. De ‘koopman in oudroest’ heeft zijn zending eens aldus weergegeven: ‘Ik ben gekomen om het verlorene te zoeken’, Luc. 19,10.

Gelijktijdigheid van het de.sme en de ontwikkeling van het pactum salutis
Soms valt op ons mensen de benarde, existentiële vraag van het deïsme: ‘waaruit blijkt Gods liefde en bemoeienis met ons stervelingen?’ Dan zal gewezen moeten worden op Jezus Christus!
‘Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?’ Maar waaruit kan ik aflezen dat God voor ons is? Paulus vervolgt: ‘Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’ Rom. 8,31-32. Dit brengt ons bij de diepste vragen naar het heilsplan Gods.
In de gereformeerde traditie wordt daarop ingegaan bij de behandeling van het verbond der verlossing. In het verbond der verlossing, dat in de eeuwigheid is gesloten, stelt Jezus zich garant voor de verzoening. In het het pactum salutis, verbond des vredes of vrederaad, vindt het tweegesprek plaats tussen Vader en Zoon met het oog op de verlossing van de mens. Weinige theologen in de dagen van Achterberg hebben zoveel aandacht gegeven aan het pactum salutis als de verbondstheoloog K. Schilder. Teksten uit de heilige Schrift om deze leer te gronden zijn moeilijk te vinden, maar de hoofdgedachten treffen we wel aan.11) Schilder merkt terecht op, dat het in de oudere opvatting niet zozeer gaat over de drie personen, Vader, Zoon en Geest, als wel over twee Personen, de Vader en de Zoon.12) In de vrederaad is de Zoon gesteld tot middelaar Gods en der mensen. Het is het tweegesprek dat tussen Vader en Zoon gevoerd is in de eeuwigheid, voorafgaand aan de schepping. Het werkwoord ‘smoezen’ – wat verband houdt met het hebreeuwse ‘sjemoeah’ dat zoveel is als praatje, uitvlucht, vertelsel, - kan gekozen zijn om aan te geven dat het spreken in het verborgene heeft plaatsgevonden om toch de zaak naar een goed einde te leiden. De gedachte van het deïsme, dat God zich sedert de schepping niet meer met het werk zijner handen bemoeit, houdt Achterberg ook lang vol in dit gedicht. Pas in de slotstrofe krijgt het gedicht een keer.
Het gedicht is daarom zo modern, omdat het ingaat op de vraag of de bewogenheid van God ons wel treft. Of het mee-voelen van God met ons er wel is? Immers wat moet God met ons?
Is er geen oneindig kwalitatief onderscheid tussen God en mens?
Kierkegaard, Barth en Schilder stemden daarin volledig met elkaar overeen.
‘Wij zijn voor hem een vol benzinevat, dat hij leeg achterlaat. Hij moet het kwijt, al de afval, met zijn wezen in strijd’ Het gedicht behandelt niet de verbondsbeschouwing van een Coccejus, alsof in de eerste twee strofen gesproken zou worden over werkverbond, vervolgens over genadeverbond en tenslotte over het verbond der verlossing.
Niet Coccejus heeft invloed gekregen in de gereformeerde bond, maar veeleer Voetius.13) Dit gedicht laat uitkomen dat hoe wij ook soms vastlopen met de vraag of God zich wel inlaat met de mens, daarop toch bevestigend moet worden geantwoord. Er is maar één antwoord en dat is ‘Christus, koopman in oudroest’. Het lege benzinevat wordt opgekocht. Het is de godsvraag die centraal staat in dit gedicht en niet de leer van het verbond; en vandaar ‘Deïsme’.

Noten
1) Trouw, vrijdag 20 sept. 2002.
Verdieping/religie en filosofie, pagina 14
2) G. Puchinger, Is de gereformerde wereld veranderd? Delft 1966, 346.
3) G. Puchinger, Hervormd-Gereformeerd, één of gescheiden? Delft 1969, 351
4) G. Puchinger, Is de gereformeerde wereld veranderd? Delft 1966, 347.
5) G. Puchinger, a.w., 359.
6) H.M. Kuitert, Wat heet geloven?
Structuur en herkomst van de christelijke geloofsuitsprraken, Baarn 1977, 187-232:‘Openbaring: ‘How do you know?’
7) Citaat bij J. de Gier, ‘Gerrit Achterberg, dichter van de grensoverschrijding’, in: Reformatorisch Dagblad, 23 jan. 1987, pag. 9
8) P. Hazard, De crisis in het Europese denken.
Europa op de drempel van de Verlichting 1680-1715, 1990 Amsterdam, 234.
9) J. de Gier, ‘Gerrit Achterberg: Eeuwigheid in plaats van tijds’, in: Theologia Reformata, jaargang 38, deel IV, dec. 1995, 288.
10) Gez. 170: 2 uit Liedboek voor de kerken..
11) K. Schilder, Heidelbergsche Catechismus, Deel I, Goes 1947: ‘Zach. 6,12-13; Jes. 53,10-11; Ps. 40,7; Heb. 10,10; Joh. 6,40; Ps. 2,8; Hebr. 7,22; 8,6: Luc. 22,29. Geen dezer plaatsen evenwel kan als directe bewijsplaats voor dit pactum dienen’.
12) K. Schilder, a.w., Goes 1947.
13) W.J. van Asselt leest wat er niet staat in dit gedicht, als hij hier moet denken aan de verbondstheoloog Johannes Coccejus. Zie: J. de Gier: a.w., 291. Vgl. R.B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam.
De kerk der hervorming in de tweede helft van de zeventiende eeuw: nabloei en inzinking, Derde deel, Amsterdam 1971, 115-127.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief