De middagdienst op de helling?
2002-11-01
Meer dan 1700 tieners bijeen in een avonddienst!! Helemaal onvoorbereid was u niet, want in de vorige Opbouw schreef Henk Jan Kamsteeg over de jeugddiensten in Zwolle onder een naam die al een beetje gaat wennen: Godfashion. En inderdaad in de allerlaatste jeugddienst van 20 oktober waren er 1700. Tjongejonge, denk je dan, zoveel bezoekers in een avonddienst, want het is lang niet altijd feest in de tweede dienst.- Jaargang 46
- nummer 21
Uit datzelfde Zwolle herinner ik me bijvoorbeeld een verzuchting over een belijdeniszondag in mei van dit jaar.
De ochtenddienst was in alle opzichten uitbundig geweest met een flink aantal jongeren dat belijdenis deed - een hoogtepunt van een kerkelijk seizoen!!
Maar wie vervolgens een voet zette in de avonddienst van diezelfde zondag waande zich in een andere gemeente.
Mee ook, omdat het aantal thuisblijvers ‘s avonds na zo’n mooie en volle ochtenddienst extra groot was ...
Feestdagen
Ik herken het vanuit de tijd dat ik in Groningen werkte. In de loop van de jaren tachtig en negentig was het verschil tussen het aantal bezoekers van ochtend- en middagdienst groter en groter geworden. Het gevolg was dat je bij de middagdienst ook in afnemende mate het gevoel had dat het ging om een samenkomst van de gemeente (al voeg ik er graag aan toe dat ik veel goede herinneringen bewaar aan het intieme en geconcentreerd-boodschappelijke van die middagdiensten).
Deze getalsmatig neerwaartse spiraal in de middag ging gepaard met een andere ontwikkeling namelijk, dat de ochtenddienst steeds gevulder en langer werd. Dat had omgekeerd weer het effect dat - zeker met de feestdagen - de middagdienst nog weer schrieler afstak tegen de ochtendsamenkomst.
Op een gegeven moment hebben we de middagdiensten van Pasen en Pinksteren ook maar laten vervallen. Het was wel het begin van het einde, want ook op de ‘gewone’ zondagen had het iets kaals om, na een ochtend met enkele honderden kerkgangers, ‘s avonds met nauwelijks twintig mensen bijeen te zijn. De middagdienst in Groningen sneuvelde dus aan het begin van dit millennium. Zo zijn er wel meer plaatsen, waar een gemeente van nederlands gereformeerde signatuur slechts één keer per zondag samenkomt.
Hoofd- en nevendienst
Ook als er in uw gemeente nog ‘gewoon’ twee samenkomsten per zondag zijn, herkende u vast wel iets van het voorgaande. Want ik denk dat in haast al onze kerken een besef is gegroeid van een hoofddienst en een tweede dienst. En het zou ook te kort door de bocht zijn als een vrijgemaakte of christelijke gereformeerde bovenstaande zou lezen en dan zou mompelen: ‘Daar heb je ze weer die nederlands gereformeerden’.
Want niet alleen in nederlands gereformeerde kerken zie je een tendens van concentratie op de hoofddienst, die doorgaans in de ochtend valt. Dán wordt er gedoopt, avondmaal gevierd, openbare geloofsbelijdenis gedaan en in het ambt bevestigd.
Verder zie je door de ochtenddiensten ook het scherpst de draad van het kerkelijk jaar lopen met advent/ kerst en lijdenstijd/Pasen/ Pinksteren.
De extraatjes in het muzikale vallen ook vaak in deze dienst. En wil je, om iets anders te noemen, de eigen predikant van de gemeente horen, dan is je trefkans in een morgendienst het grootst, want de tweede dienst wordt vaker geruild. Van zaken als oppas en kindernevendienst (of hoe dat ook mag heten) ben je in ieder geval verzekerd bij de hoofddienst. En tenslotte: als er koffie wordt gedronken na een dienst, dan zal dat zelden of nooit na die andere dienst zijn. Als je het dus anno 2002 hebt over een eerste en een tweede dienst dan is dat meer dan alleen een kwestie van volgorde.
Dan zit er ook iets in van een hoofddienst en (als ik dat woord even lenen mag) een nevendienst.
De kerkenraad roept (niet meer)
Een paar maanden terug rolde er, na een minder dan normaal bezochte middagdienst in Amersfoort-noord, een e-mail bij me binnen van de ouderling van dienst ... ‘Minder dan de helft van de gemeente is aanwezig ... We roepen als kerkenraad de gemeente bij elkaar. Wat doen we met dit gegeven?’ Ik vond het een intrigerend mailtje om meer dan één reden. In de eerste plaats proefde je de verlegenheid met iets waar we in de praktijk bij weg zijn gegroeid. ‘De kerkenraad roept’ - zo werd het vroeger gezegd en door velen beleefd. Je kon het zwart op wit tegenkomen in een kerkblad als (in waarschuwingsfase 1) de vinger werd gelegd bij de teruggang van de middagdienst. Alleen .... dat zinnetje bleek toen al niet meer te werken. En er bleef nog minder van over na een discussie in de kerkenraad over de vraag of iemand, die maar één keer per zondag kerkte, wel ouderling of diaken kon zijn of worden. Wat doe je dan nog met dit gegeven van een kerkenraad die (ook ‘s middags) roept?
Weinig. Het sluit allemaal naadloos aan bij een ontwikkeling in onze samenleving dat je met een machtswoord van bovenaf - ook in het kerkelijkesteeds minder bereikt. ‘Naar de kerk, naar de kerk, zei de dominee’, zo was het in een kinderliedje. Inderdaad, zo wás het in een kinderliedje van vroeger.
In de tweede plaats vond ik die paar zinnen uit de genoemde e-mail boeiend, omdat je ziet dat er ook rond de diensten iets verschoven is. Neem die zogenaamde jeugdkerk ‘Godfashion’.
Dat is weliswaar een initiatief van een dominee en een ouderling, maar meer nog van Philip Troost en Rob Kuijpers.
Aan de kerkenraden hebben ze laten weten, dat ze de handen graag vrij willen houden. Dus Godfashion valt niet onder verantwoordelijkheid van één of meer kerkenraden. Zo zijn er bij ons in Amersfoort Sing-ins van eenzelfde interkerkelijke en particuliere snit. Nu kun je van het één en ander steil-kerkelijk zeggen: dat zijn ook geen ‘echte’ kerkdiensten. Maar door die stevige taal zal geen mens van een Singin of een jeugdkerkdienst worden afgehouden.
En of de Heer van de kerk ook op die manier denkt in termen van ‘echt’ en ‘onecht’ is nog weer een ander verhaal.
Gebed, gebod en geloof
Wat doen we kerkelijk met dit soort
gegevens, ook als je terugkijkt op de ontwikkeling van onze diensten in de afgelopen decennia. Want dertig jaar geleden, bij het ontstaan van de nederlands gereformeerde kerken, lagen de zaken duidelijk anders. Toen waren zulke diensten op persoonlijk initiatief met hoogstens de steun van kerkenraden (in interkerkelijk meervoud) niet goed denkbaar. Toen waren ook al die genoemde extraatjes rond de morgendienst er nog niet en ‘s middags was er tijdens het lopende seizoen de catechismusprediking en dat goed bezocht.
Jaarlijks kwam je die 52 zondagen niet door, maar eens in de twee jaar werden de grote thema’s rond geloof, gebod en gebed wel bepreekt. Die systematische behandeling van het christelijk geloofsgoed is in de loop van de jaren op de achtergrond geraakt, deels omdat predikanten bij voorkeur hun middagdiensten zijn gaan ruilen. Maar misschien ook wel omdat de omweg via de 16e eeuwse verwoording van het geloof een nieuwe generatie predikanten (en gemeenteleden!) zwaarder is gaan vallen.1) Hoe dan ook, het verschil in aanpak tussen morgen- en middagdienst is goeddeels weggevallen. Ook in de middag heb je doorgaans een dienst met een ‘vrije stof’ preek, zoals dat vroeger heette. Met als gevolg dat het grootste verschil tussen de beide diensten ligt in het aantal kerkgangers.
Energievriendelijk?
Die ontwikkeling is ook (officieel) kerkelijk niet zonder reactie gebleven.
Liturgiecommissies en kerkenraden bezonnen zich op de middagdienst - ongetwijfeld naar aanleiding van het verminderend kerkbezoek! Als eerste wordt dan steevast geconstateerd dat de middagdienst als twee druppels water is gaan lijken op de ochtendsamenkomst.
De oplossing ligt voor de hand: het zouden net als vroeger weer meer ‘leerdiensten’ moeten wordenmaar niet helemaal zoals vroeger natuurlijk.
Misschien wel interactief, zodat de preek een inleiding tot gemeentelijk gesprek wordt. En zulke diensten zouden dan afgewisseld moeten worden met andersoortige ‘bijzondere diensten’, zoals jeugddiensten, zangdiensten, een praisedienst of een kidspraise.
En misschien nog wel eens een cantatedienst voor de veertigers en vijftigers, die zich thuis voldoende kunnen laven aan de muzikale voorkeuren van hun koters. Of een stiltedienst voor wie verlangt naar monastieke rust. Zo bij elkaar gezet klinkt dat natuurlijk wel wat koddig, maar toch heb ik in de afgelopen jaren het bovenstaande als suggestie voorbij zien trekken.
Vooral als suggestie, want één hobbel doemt ogenblikkelijk op. Er is namelijk erg veel energie nodig om ook maar een fractie van al dit bijzondere te realiseren. En dan goed! Dat laatste moet je ook bij een gewone dienst niet vergeten, maar bij bijzondere diensten komt het er eerder meer dan minder op aan. Want iets nieuws dat slecht georganiseerd wordt doet de ontvankelijkheid voor zo’n initiatief geen goed. Een bijzondere dienst zet je dus niet zomaar even in elkaar!
Als je het probeert, merk je ook hoegemeentelijke gezien - energievriendelijk een ‘gewone’ dienst is, waarbij de leiding met een eenvoudige handdruk aan de betreffende predikant wordt toevertrouwd. En als het een ruildienst is, werkt het ook naar de eigen predikant nog energiebesparend!
Energievriendelijk dus zo’n gewone dienst! Met eerder het gevaar dat het gemeentelijk wat te passief blijft, dan dat het een ‘onemanshow’ wordt (een slecht gekozen typering, want aan predikant-geleide diensten is doorgaans weinig show te ontdekken).
Eén hoofddoel
Met zulke constateringen wil ik allerminst zeggen, dat je dús moet kiezen voor de gemeentelijk meest energie besparende weg. Want misschien is dat ook wel de weg van de minste weerstand (dat klinkt al een stuk minder positief), met veel traditionalisme of gemakzucht. Daar zou je lang over kunnen kissebissen.
Belangrijker lijkt me om eerst te constateren, dat Kuijpers en Troost (als het gaat om de jeugdkerk Godfashion) hetzelfde willen als u en ik. Ze willen (jonge) mensen van binnen en buiten de kerken, die God niet of half kennen, tot een ontmoeting met de Heer brengen. Op dat uiterst vitale punt zijn we dus één. En dan zie ik vervolgens ook de ruimte om door te praten over de verdere concretising, waarbij we rustig de plussen en de minnen van deze of gene aanpak onder ogen kunnen zien. Dan treft me de opmerking in het begin van het artikel van Kamsteeg dat ‘Jongeren de ruimte zoeken om hun gaven in te zetten’. En daarmee stuit je inderdaad op een stevige min van die energetisch gunstige diensten van zo-even. Want in zulke diensten is daar eerlijk gezegd weinig of geen ruimte voor.
(Meer dan een) noodoplossing
Troost en Kuijpers typeren de jeugdkerk als een noodoplossing, maar ik heb het idee dat ze in hun hart vinden dat het meer is dan dat. Philip Troost laat in hetzelfde interview weten dat er z.i. niets mis is met een doelgroepbenadering.
‘Naast eenheid, is er ook verscheidenheid. Je hoeft niet alleen maar op die lijn van eenheid te blijven zitten. Daarnaast mag je best verschillende doelgroepen op hun eigen wijze benaderen’. Rob Kuijpers kwam tot dezelfde gedachte in een eerder artikel (Opbouw 3 mei 2002): ‘Een kerk die durft te investeren in Alpha-groepen, groeigroepen, buurtkringen, jongerenkerk, dienst met belangstellenden, inloopkerkdiensten, samenzang, praise en ontmoeting en theaterdiensten, realiseert zich dat er op deze manier diverse doelgroepen serieus genomen en met het evangelie van onze opgestane Heer bereikt kunnen worden.’ Bepaald geen turbo-zin van deze initiatiefrijke ouderling, maar duidelijk is wel dat de jeugdkerk ook in Kuijpers visie meer is dan een noodoplossing.
Shoppen?!
Ik zou het niet gek vinden als we kerkelijk op dit gegeven zouden doorborduren.
Zodat we inderdaad overschakelen naar meer doelgroepgerichte diensten op de zondagmiddag/avond.
Na een gemeentelijke dienst in de ochtend, zouden we als kerken ‘s middags in (doel)groepen uiteen kunnen gaan.
Ja, en dan als kerken in meervoud!
Want net als bij Sing-in en jeugdkerk moet je zoiets niet met één gemeente proberen te doen, want daarvoor vraagt dit palet aan diensten teveel energie.
Het betekent wel, dat we als kerken, nog meer dan nu al het geval is, vooral plaatselijk moeten gaan denken: met wie kunnen we op dit punt geestelijk zaken doen? Net als in het diaconale bij de opzet van bijvoorbeeld een hospice. Wat daar niet vreemd meer is, zouden we ons kunnen toeeigenen als het gaat om iets als de middagdienst.
Dat je ook daar de samenwerking zoekt met ieder die van harte belijdt dat Jezus Heer is. Dus uiteen als je let op het strikt gemeentelijke, maar bijeen als je denkt aan de oecumene van het hart. Om zo tot kerkdiensten te komen, die meer aansluiten bij de persoonlijke behoefte, die nu eenmaal van mens tot mens verschilt.
Ik heb in het kerkelijke wel eens lelijk horen doen over deze behoeftekant van het geloof toen het ging over iemand, die was wezen ‘shoppen’ in een evangelische gemeente. Zo’n zurige typering lijkt me een gemiste kans, waarmee je geen recht doet aan de persoonlijke verlangens van individuele mensen. En minstens zo belangrijk is dat een mens door de jaren heen ook verandert in zijn behoefte - zowel inhoudelijk als in de vorm.
Veelkleurig
Sing-in en jeugdkerk hebben bij mij de vraag opgeroepen wat de winst zou kunnen zijn van een veelkleuriger en meer doelgroepgerichte aanpak van de middagdienst. Op een gemiddelde zondag heb je nu in de stad aan de Eem een stuk of tien vrij verwant opgezette middagdiensten van NGK, CGK, GKV en een enkele geestverwante hervormde gemeente. In het andere geval, zou je verspreid over Amersfoort een rijk palet aan diensten kunnen aanbieden - van Sing-in tot stiltedienst. Waarbij je van de verschillende predikanten ook de gaven en mogelijkheden beter zou kunnen inzetten. Want de één voelt zich bij een catechismusdienst als een vis in het water, terwijl een ander veel liever meewerkt aan een Alpha-vervolgdienst of een zangdienst.
Aanzeggen of uitnodigen
Wat wegvalt is de gemeentelijke binding.
En daarmee ook elke notie van ‘de kerkenraad roept’. Als je de mensen zo de vrije hand laat, heeft dat dan geen ontbindend effect? Draai je dan in feite de middagdienst niet in één slag de nek om? Ik durf het niet te zeggen. Waar ik wel zeker van ben is dat wie op de huidige lijn doorgaat na verloop van tijd ook alleen een morgendienst overhoudt. Dat geldt voor onze kerken, maar op iets langere termijn ook voor de vrijgemaakte en christelijke gereformeerde zusterkerken.
Over een ander punt durf ik nog stelliger te zijn. Dat is dat het evangelie niet voor één gat te vangen is. In een hiërarchisch geordende samenleving met zijn rangen en standen was het gepast om met het evangelie te komen via die structuren, met kerkelijk gezag bekleed. Inderdaad ‘de kerkenraad roept’.
Maar in een samenleving als de onze, waarin je met machtswoorden de mensen niet meer bereikt, zie ik andere mogelijkheden. Die van het woord dat toch vooral uitnodiging is. Zoals Jezus het zei: Komt allen tot mij.
Werkte vroeger de kracht van het evangelie via een met macht gesproken woord, nu zou dat wel eens blokkerend kunnen werken. Terwijl een nodigend woord de harten opent.
In dat licht zie ook de opkomst van Sing-in en jeugdkerk. Als een meer nodigende wijze van kerkzijn met meer oog voor de behoefte van de individuele gelovige dan in de traditionele diensten. In de middagen en avond van de zondag zou ik daar kerkelijk alle ruimte aan willen geven.
Noot
1) Al kan soms de catechismuspreek ook zo weer opduiken. Bijvoorbeeld in een reeks over de tien geboden, met naast de catechismus een greep naar de rubriek in het dagblad Trouw. Of een thematische reeks over het ‘Onze Vader’ aan de hand van de zondagen 45-52 én een mooi katholiek boek als dat van kardinaal Simonis - Op de adem van het leven). Misschien komt in die vrijere kerkelijke sfeer van een greep naar dat derde blok van de catechismus (de behandeling van het credo) wel het minst - voor het gevoel van de mensen ook minder ‘praktisch’ dan gebod en gebed. Met wel als mogelijk gevolg een ongemerkte erosie van de inhoud van ons geloof!