In den aap gelogeerd
2002-11-01
Het is niet gebruikelijk om een boek te bespreken dat een familielid geschreven heeft. Een lezer drong er bij mij op aan om op die goede regel een uitzondering te maken. Onlangs verschenen de brieven die mijn grootvader in de oorlog ‘aan het thuisfront’ geschreven heeft. Uit de 230 brieven, uitgegeven in een lijvig boekwerk van ruim 400 bladzijden, wil ik het een en ander naar voren halen.- Jaargang 46
- nummer 21
Mijn grootvader heb ik lang mee mogen maken. Aanvankelijk was hij in mijn beleving een grote onfeilbare reus, later ga je daar toch anders naar kijken.
Hij werd wel kleiner, maar zeker niet minder waardevol. In de brieven komen de beide beelden terug, enerzijds dat van een man met een rotsvast vertrouwen, maar anderzijds komt door de tekst heen ook zijn kwetsbaarheid naar voren.
Opgepakt
Op 4 mei 1942 werd mijn grootvader door de Duitsers opgepakt. Zijn ‘wandaad’ was het schrijven van hoofdartikelen voor het Friesch Dagblad. Al voor de oorlog had hij in de krant op allerlei manieren het nationaal socialisme bestreden. Tijdens de bezetting ging hij daar gewoon mee door. Zijn zogenaamd historische verhalen bevatten altijd verwijzingen naar de ‘toestand in de wereld’. Als hij over Assyrië of over Napoleon schreef wisten de lezers: hij verwijst naar de bezetter in onze tijd. In 1941 trad hij af als hoofdredacteur omdat de ruimte om te kunnen schrijven hem onmogelijk werd gemaakt. Enkele maanden later legden alle journalisten van de krant uit protest hun werk neer en hield de krant op te verschijnen.
Eind 1942 verbleven er meer dan 700 gijzelaars in het voormalige seminarie Beekvliet bij Vught.
De mannen die door de Duitsers naar het gijzelaarskamp werden getransporteerd waren meestal plaatselijk zeer bekend. Daarmee had de bezetter een troef in handen. Een wandaad in de provincie kon bestraft worden met het fusilleren van een bekende inwoner.
De titel van het boek werd ontleend aan een houten aap bij de ingang van de zaal waar mijn grootvader verbleef. Op last van de Duitsers moesten aap en bord al snel verdwijnen. De naam bleef.
Correspondentie met de familie was vanuit Beekvliet aanvankelijk goed mogelijk, al moest het in het Duits en ging alles door de censuur. Wilde je kritischer schrijven, dan moest je een brief ‘verstoppen’. Zo vond mijn tante (Hetty Runia-Algra), die het boek samenstelde, nog allerlei brieven waar kruimels van roggebrood op zaten, dan was de brief verstopt geweest in een roggebrood. Later werd de correspondentie beperkt. Uit het feit dat er ook veel brieven uit die latere periode bewaard zijn gebleven blijkt wel dat de mogelijkheden om de post op een andere manier ‘te verzenden’ legio waren (bijv. in de was).
Vaste thema's
De brieven volgen 1_ jaar lang hetzelfde stramien. Steeds weer komen dezelfde thema’s terug. Het weer, ontmoetingen met kampgenoten, de preken en lezingen, de boeken die Algra aan het schrijven was, de omgang met het persoonlijk geloof in deze periode van zijn leven, het eten, de kleding, zaken die even geregeld moeten worden (‘wil even ƒ 5,= gireren naar…..’ of over een boom die gesnoeid moet worden), maar vooral over de zorgen voor het gezin, dat hij op afstand probeerde te blijven besturen.
De zorgen betreffen vooral zijn vrouw -die zware astma heeft- en de gezondheid van zijn tweede zoon, die als gevolg van epilepsie steeds meer in een schemertoestand wegzakt.
De thema’s wisselen elkaar zonder overgang af. ‘Vanmorgen ontving ik het kerkbriefje met een brief van Arend…..
De vorige week heb ik geen pakket uit Huizum ontvangen….. Gisteren hebben we soep gekookt, dik, van doperwten, bloemkool en worteltjes.
Ze was heerlijk… Vanmorgen preekte Oostra, een godsdienstonderwijzer uit Assen. Braaf, ouderwetsch modern…..’ Iedere brief vermeldt gegevens over het eten en drinken. Uit de brieven ontstaat de indruk dat er eten in overvloed was, maar misschien moest het thuisfront ook gerustgesteld worden.
In ieder geval kregen de gijzelaars veel extra’s ‘toegestopt’ via hun ‘achterban’.
Zelfontwikkelde recepten worden ook doorgegeven. ‘Ik stuur je een pak gortmout.
Koken, dat het stijf is als een pudding; kan best in water. Dan bessensap er over, gekookt en beschuiten er in gekruimeld. Recept Beekvliet, Algra. Smaakt heerlijk’.
Geloof
Mijn grootvader was een man die sterk vanuit het geloof leefde. In al zijn brieven komt de praktijk van het leven met God naar voren. Hij maakt zelf leesroosters uit de Bijbel en geeft die door aan zijn gezin. ‘Ik verzoek je om 6 mei ’s morgens Psalm 27 te lezen, 7 mei Jesaja 53’ (enz.), ‘dan lees ik dat ook’. Hij is er vast van overtuigd dat God hem vast zal houden. Moeilijk is het voor hem als zijn vrouw minder steun aan het geloof lijkt te hebben.
‘Lieve E., het komt zoo met jou niet goed. Ik merk niets meer van jouw geloof. Natuurlijk is dat er wel, maar het kan niet boven de zorgen uitkomen.
En wie z’n schuld is dat? Zou het niet komen, dat je te weinig ziet op de voorrechten, die wij hebben?’ Het is een verdrietige episode in de brieven. Mijn grootmoeder zat op zulke woorden niet te wachten (aldus een kanttekening in haar biografie: Eelkje Offringa, een geschreven leven). Als je zelf in de put zit kan de geloofszekerheid van een ander je ook schaden: ‘zo’n geloof is te hoog gegrepen, dat is niet voor mij weggelegd’.
De kerk en de dominees
Mijn grootvader heeft de wens gehad om predikant te worden, maar de studie was niet voor hem weggelegd.
Misschien heeft het wel zijn ambivalente houding ten opzichte van dominees bepaald: loyaal, maar ook kritisch, hij stelde hoge eisen. ‘Je moest als leraar niet meer dan 20 uur voor de klas staan en voor de rest kunnen studeren.
Wat dat betreft hebben dominees (noemt enkele namen….) het prachtig.
Als die ’s morgens om 6 uur opstaan zooals ik, dan kunnen ze, als ze willen, elke morgen geheel voor studie gebruiken, ’s middags hun werk en ’s avonds preeken maken. Maar ze zullen wel te lang in bed blijven liggen.’ Het was voor hem moeilijk dat hij niet van dichtbij het beroepingswerk in zijn eigen gemeente kon beïnvloeden. Hij kan het echter niet nalaten om adviezen te geven: die is niet geschikt, een ander heeft goede ideeën, maar moet eerst nog wat groeien, enzovoorts.
Voor Algra is de achtergrond van de voorganger erg belangrijk. Hij noemt een dominee ‘wel érg Hervormd’.
Over een andere predikant schrijft hij: ‘Allemaal juist, maar het hart van het Evangelie ontbrak’. Toch is hij ook kritisch naar de ‘eigen’ Gereformeerde predikanten. Hij schrijft over een preek: ‘wel Gereformeerd, maar geen evangelie’, over een dominee: ‘geen gaven, maar wel goed en zuiver’. Hij kan ook zeer loyaal zijn naar vrijzinnige voorgangers, als ze maar iets te vertellen hebben, als er maar gestudeerd is.
Preken moeten een levend evangelie verkondigen, maar ook origineel zijn, niet uit de boeken.
Bijna in iedere brief komen ‘preekverslagen’ voor. Soms is het een kort commentaar, maar als hij het eens is met de inhoud slaat hij ook zelf aan het preken voor het thuisfront.
De vrijmaking
Dankbaar en trots is mijn grootvader als zijn oudste zoon (A.H. Algra) wél theologie gaat studeren. Hij leest bij wijze van spreken over diens schouder alle studieboeken mee en geeft hem ook nog allerlei studieadviezen.
Later raakt de verhouding tussen vader en zoon gedurende een lange reeks van jaren verstoord als gevolg van de Vrijmaking. Hoewel mijn grootvader grote waardering had voor Prof. K. Schilder vond hij de scheuring een verkeerde keuze op een verkeerd moment (in de oorlog). Overigens valt in de brieven een verschuiving op: van bewondering van Schilder naar een kritische houding ten opzichte van diens handelwijze. ‘Professor Schilder gooit met handgranaten uit zijn kazemat.
Gelukkig alleen in figuurlijken zin. De Wilde zei vandaag: het is een beste kerel, maar hij heeft een lelijk gebrek.
Hij betrekt alles op zichzelf en daardoor doet hij zulke vreemde dingen.
Het komt niet goed op deze manier.’ De Synode wordt in de brieven eveneens regelmatig vermaand.
Ook de gang van zaken aan de Theologische Hogeschool in Kampen houdt Algra bezig. ‘Herman Ridderbos is benoemd in de plaats van Greydanus.
Een beetje een familiezaakje? Hij heeft een uitstekend proefschrift geschreven en schijnt een aardige vent. Maar natuurlijk niet zo’n kei als Greydanus.’
Gezin
De episodes over het gezin zijn ontroerend.
Aan de ene kant is er de behoefte om zelfs vanuit Brabant alles te regelen. Loslaten was voor mijn grootvader er moeilijk. Je zou het als bemoeizucht kunnen benoemen, maar het is aan de andere kant zo begrijpelijk.
Een zieke vrouw, een zwaar gehandicapte zoon, puberende kinderen: hoe moet dat thuis nu verder? Die adviezen aan thuis kwamen voort uit oprechte zorg en bezorgdheid.
De zorg voor de ernstig gehandicapte Jopie houdt mijn grootvader dagelijks bezig. Hij probeert van alles te regelen, tot zelfs de plaats waar het bed moet staan (in verband met de tocht).
Regelmatig vraagt hij zich af of hij zijn zoon nog terug zal zien. Dat brengt hem ook op zijn eigen oudere broers die voor zijn geboorte zijn overleden.
Dat moet straks in de hemel een wonderlijke ontmoeting zijn, schrijft hij, om oog in oog te staan met je broers die je hier op aarde nooit gezien hebt...
De jongste dochter is nog maar 3 jaar als haar vader wordt weggevoerd.
Later komt ze met haar moeder op bezoek.
Ze durft niets tegen die vreemde man te zeggen. Het is een ontroerende episode in de brieven. Mijn grootvader begrijpt heel goed dat ze hem niet herkent, maar het doet hem veel verdriet dat hij zo van haar vervreemd is geraakt.
Dagritme
Een belangrijke manier om het vol te houden onder moeilijke omstandigheden is het hanteren van een vast dagritme.
Iedere ochtend staat Algra om 6 uur op. Hij wast en scheert zich en gaat daarna een uur uit de bijbel lezen en bidden. Vervolgens zet hij thee voor de anderen en gaat ontbijten. Daarna volgt de ochtendgymnastiek. Dan is het tijd voor studie, voor het verder werken aan boeken, voor de correspondentie.
In de loop van de dag moet er aandacht worden besteed aan het koken van het eten, het schoonmaken van de kamers, de was en later op de dag volgen de lezingen, de colleges –met aansluitend discussie- of de preken.
De gijzelaars waren meestal ‘hooggeplaatsten’ geweest in de samenleving.
De aanwezige kennis werd toegepast en gedeeld door middel van lezingen.
Hoogleraren gaven colleges, leraren gaven lessen in hun eigen vak, de notaris vertelde over zijn beroep of hobby en verder waren er vooral véél preken.
De kennis moest vaak uit het geheugen worden geput (er was geen bibliotheek). In zekere zin vormde Beekvliet dus ook een ‘denktank’ voor na de oorlog, waarbij christenen en nietchristenen in een verzuild land elkaar dagelijks ontmoetten.
Niet alle lezingen waren overigens even waarheidsgetrouw. Het meest hilarische verhaal is dat van een andere spreker die twee lezingen hield over de beroemde componist Willem Spark, een ondergewaardeerde componist. Twee lezingen over het werk van iemand die nooit heeft bestaan. Een deel van de toehoorders nam de inhoud van deze lezingen volkomen serieus. De achtergrond van het verhaal was dat tussen alle componistennamen door in Amsterdam de Willemsparkweg loopt.
Epiloog
Mijn grootvader noemde het als gemis van onze tijd (dat was rond 1975) dat er door de opkomst van de telefoon zo weinig brieven werden geschreven.
Je kunt daarover van mening verschillen.
Duidelijk is wel wat de waarde is van zijn bewaarde brieven. Ze geven een goed beeld van het denken van iemand die leefde in de tijd van de mannenbroeders.
Mijn grootvader heeft van God bijzondere gaven gekregen.
Dankzij zijn enorme doorzettingsvermogen, zijn scherpe geheugen en zijn fysieke kracht werkte hij zich op van eenvoudig landarbeider tot een binnen en buiten eigen kring bekend Nederlander.
Waren die ‘mannenbroeders’ onwankelbaar, zoals zo vaak wordt beweerd?
Zeker, mijn grootvader gaf niet graag het stuur uit handen en hij laat ook in zijn brieven een flink stuk onverzettelijkheid zien. Tegelijkertijd lezen we ook over iemand die wist dat hij kwetsbaar en afhankelijk was.
In den aap gelogeerd, door Hetty Runia-Algra, 420 blz. (waarvan 50 blz. achtergrondinformatie); Uitgave: Frysk en Frij; prijs: Euro 35.00.