Kuitert, Achterberg, Schilder en Pascal (2)
2002-11-01
We vonden de vorige keer dat de vraag naar de bewogenheid Gods met ons in het gedicht ‘Deïsme’ van Gerrit Achterberg centraal staat. De laatste strofe verwijst naar ‘Christus, koopman in uitroest’. Paulus schrijft: ‘Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden’ met als doel ‘vrij te kopen’, Gal. 4,4.- Jaargang 46
- nummer 21
Kuitert, de altijd zo enthousiaste ‘speler’ van het theologische ‘spel’, weet maar al te goed dat géén theoloog of historicus kan twijfelen aan het feit dat er een Jezus heeft bestaan. De vrijzinnige Von Harnack - die ook zoveel moeiten kreeg met Karl Barth - opent zijn Das Wesen des Christentums met erop te wijzen dat de mensheid voortdurend eraan moet worden herinnerd niét dat er een Socrates is geweest, maar ‘belangrijker is het’, (…) ‘dat er een man met de naam Jezus Christus in haar midden heeft gestaan’. Maar nu komt de vraag: Wat was en is het doel van Christus’ komst?
Achterberg en zijn gereformeerde achtergrond
Achterberg geeft op de ontsluiting van het gedicht een gereformeerd antwoord.
Hij zoekt de oplossing niet in het theopaschtisme, alsof God zou lijden, maar hij laat Gods bewogenheid uitkomen in Christus, ‘koopman in oudroest’. Er heeft Gode zij dank een tweegesprek plaatsgevonden dat aan alles voorafgaat.
Dit geeft werkelijk te denken!
Als de bundel ‘Vergeetboek’ verschijnt beginjaren zestig, dan hebben regels van Bonhoeffer uit diens Widerstand und Ergebung al vruchtbare bodem gevonden en wortel geschoten in de hele westerse wereld. Het westen schijnt na de tweede wereldoorlog ontvankelijk te zijn voor het theopaschitisme als nooit tevoren. Bij Bonhoeffer lezen we zinnen als: ‘Christenen staan God bij in Zijn lijden’; ‘God is onmachtig en zwak in de wereld en juist en slechts zo is Hij bij ons en helpt ons’; ‘De Bijbel wijst de mensen de onmacht van God aan en Zijn lijden, alleen de lijdende God kan ons helpen’.1) De mondige wereld kan volgens Bonhoeffer alleen verder met deze God. Hij is niet de enige die openstaat voor het theopaschitisme.
Ook Barth haalt de oude leer, die door de kerk is verworpen, weer binnen haar gelederen. Wanneer Jezus Christus, Immanuël, dat is God met ons, op aarde verschijnt, ontmoeten wij bij Barth in Hem God zelf. Het hele optreden van Jezus Christus in zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid valt samen met God. Zo komt bij Barth heel sterk in zijn verzoeningsleer, K.D.IV,1-3, het theopaschitsme naar voren. De invloed van Barth wat het theopaschitisme betreft, zet zich voort in verhevigde mate bij Jürgen Moltmann en ook Eberhard Jüngel gaat in dit spoor.2) Berkouwer bracht terecht kritiek uit op Barth met het oog op diens theopaschitisme.Hij stelt dat we hier te doen hebben ‘met één van de diepste vragen, waarmee de dogmatiek zich ooit heeft beziggehouden’.
3) Het gaat hier om de vraag naar de verhouding van God en het leven van de mens op aarde en wel in het bijzonder met het oog op de verzoening door Christus. De Schrift leert ons dat God het oordeel voltrekt niet aan Zichzelf, maar aan Christus.
Christus is niet congruent met God!
Daarmee willen wij niet stellen dat er in God geen bewogenheid is, maar dat wil nog niet zeggen dat Hij Zelf geleden, gekruisigd en begraven is. Uit de overgave van Zijn Zoon blijkt Gods bewogenheid en liefde. Dat er in het verleden onder hen die zich scherp verzet hebben tegen het theopaschitisme menige Ariaan en Nestoriaan bevond, is begrijpelijk. De bewogenheid Gods is af te lezen uit Jezus Christus
'Rijke Koper van ons, arme wurmen'
Eén van de eerste publicaties van Schilder, die in 1923 in boekvorm verschijnt, is Licht in de rook. Ruim een jaar vóór zijn dood neemt hij dit werk voor een nieuwe druk onder handen. Het is interresant om te zien hoe Schilder in zijn theologische denken de puntjes op de i zet en waar nodig aanvulling geeft. Een meditatie die eerst de titel droeg ‘Overhaasting in het gebed’ naar aanleiding van Psalm 42: 10 verschijnt nu onder het opschrift ‘Subject en predicaat in het gebed’. Het betreft hier de woorden: ‘Mijn steenrots, waarom vergeet gij mij?’ Schilder gaat hier in op de onveranderlijkheid Gods als steenrots, en maakt vervolgens duidelijk dat in Christus, de wandelende steenrots, de bewogenheid Gods zichtbaar wordt.
Ook hier is de vraag: ‘trekt God Zich wel iets van mijn lot aan?’ Het gaat ons nu enkel om de laatste editie van dit werk. Daar stelt Schilder de vraag welk woord er nu goed past om aan te geven wie God eigenlijk is.4) God is immers altijd ‘anders’ dan wij. Daarom ook kan Paulus spreken over de dwaasheid der prediking, 1 Cor. 1,21.
Het gebed in psalm 42 moet zich wel aanpassen bij het gebod. De dichter – van wie Schilder uitgaat dat hij geïnspireerd is door de Heilige Geest - kiest ervoor om God te noemen ‘rots’, ‘mijn rots’. Daar is niets op tegen! Ook in ‘het lied van Mozes’ wordt gesproken over God als ‘de Rots, wiens werk volkomen is, omdat al zijn wegen recht zijn’ en ‘de rots, die u verwekt heeft’, Deut.32,4 en 18. De beedspraak kan wel heel ver gaan, gelet op het laatste.
Het opvallend is dat in Psalm 42 na de vocatief: ‘mijn steenrots’, eraan toegevoegd wordt: ‘waarom vergeet Gij mij?’ Wat geeft meer houvast en vormt een betere grondslag dan de ‘steenrots’. Hoe dan toch die klacht van ‘waarom?’ Schilder merkt op: ‘De steenrots – dat is God in zijn onveranderlijkheid.
Die een toe-vlucht is, omdat Hij nooit van zijn plaats gaat’.5) De man in psalm 42 heeft het meegemaakt dat ‘al Gods baren en golven over hem heen sloegen’. Daarom zoekt hij zijn houvast in God, zijn steenrots. Maar op het ene moment is God de onbewogene, de getrouwe, en op het andere moment roept hij al wat in God is aan om zich te bewegen. Maar wie zigzagt nu hier, de dichter of zijn God?
De onveranderlijke God moet ineens overgaan in één en al veranderlijkheid.
De op het eerste gezicht onbewogen beweger moet ineens veranderen in de bewogen veranderaar. Toch denkt hij dat ‘alleen de mobiele God zijn redding en troost is’.6) Als God niet beweegt, dan schijnt de man vast te lopen. Moet de man niet in zijn toevluchtnemend geloof bij God zijn, of moet God als steenrots op de loop gaan de man achterna? Hij maakt God het verwijt: ‘Waarom vergeet Gij mij’ ofschoon hij God eerst noemt ‘mijn steenrots’.
Houvast en onzekerheid wordt in één harteklacht geuit. Een paradox. Het discursieve denken schijnt ons mensen niet vreemd te zijn, wij zig-zaggen soms in de meest diepzinnige vragen over alles heen. Toch moet het geloof verder komen en uitkomen bij: ‘ik weet in wie ik heb geloofd’.7) Dat God de steenrots is, heeft de openbaring voor de dichter duidelijk aangetoond. God is de gans Andere, die in de hemel woont, de transcendente. De transcendente God is ook de immanente, die afweet te dalen tot in de sterveling. Hij is Immanuël.
God is Steenrots, maar hij is oneindig meer. Als Hij alleen Steenrots was, zouden ook wij dood zijn. Er wordt immers in de Schrift ook gesproken van Gods rommelende ingewanden, om aan te geven de grote bewogenheid van de getrouwe God. ‘Hij is even bewogen als onbewogen; even geroerd als onberoerd onze God’.8) Hoe behoren wij God op de juiste wijze te zien?
Niet alle praedicaten zijn op God van toepassing, daarom is het gebed ook een worsteling, aldus Schilder.
‘Omdat God de steenrots is, de onverzettelijke, de zichzelf handhavende, daarom stelt hij de Christus in de wereld: die handhaver-Gods. Maar het apostolaat van Christus is tegelijk de vrucht van de bewogenheid van onze onbewogen God’.9) Ook deze zin kan verbonden worden met het pactum salutis.
Het heil Gods, zal door Christus gestalte aannemen.
Steenrots
In het Nieuwe Testament wordt Christus door Paulus ‘de steenrots’ genoemd.
De wandelende steenrots, zie 1 Cor. 10: 4. De steenrots, de onbeweeglijke, die “volgde”, die zich bewoog. ‘In ons komen tot Hem jubelen wij: Steenrots!
Maar in Zijn komen tot ons ondervinden wij het: Hij vergeet ons niet!’10) Als wij God alleen maar steenrots noemen; kennen wij Hem slechts bij één zijner vele namen. ‘De éne gelijkenis-beeldspraak negeert dan bij u de andere.
Dat is: Hèm kent ge dan niet’.11) Als wij de steenrots vergeten, aan wie ligt dat dan? Wil de steenrots ons dan niet in herinnering brengen dat wij Hem eerst zijn vergeten? Maar wie het geheel van de Schriften mag overzien, wie in het heilshistorisch perspectief van Gods genade-
Zon mag ademhalen, kan zich gewaar worden dat de ‘steenrots’ in Jezus Christus het praedicaat van ‘volgen’, ‘mee-gaan’ aannam. De vaderen dronken uit de steenrots, die hen vergezelde, 1 Cor. 10,4. Wat wordt er dan van ons kinderen verwacht?
Het collegium logicum kan nu stellen ‘onzin’, want een meegaande rots is onvoorstelbaar. Paulus houdt het de Corinthiërs voor: ‘De steenrots was Christus’. ‘En deze is nu eenmaal voor het vlees een ergernis en dwaasheid; een dwaasheid, speciaal voor Grieken, die zich de pedante naam van vaders-van-de-logica hebben aangemeten’.12) Schilder wil de paradox om God te zien als steenrots opvatten als opgave om werkelijk houvast te vinden, want ‘ze bewijzen alleen maar, hoe wonderbaar Gij zijt als Rijke Kóper van ons, arme wurmen’.13) Ja, u leest het goed: ‘arme wurmen’. Dat is niet veel, dat is niet best, dat is nog aanstootgevender dan ‘oudroest’. Dat is een vreemde bewogenheid die alles tart.
Schilder en Achterberg en de totale verlorenheid
De woorden ‘Rijke Kóper van ons, arme wurmen’ doen ons denken aan de woorden van Achterberg: ‘Christus, koopman in oud roest’. Ze overtreffen mijns inziens zelfs die van Achterberg nog.
Het kan soms schijnen alsof het deïsme het gelijk aan zijn zijde heeft, maar de inzet van Jezus Christus met het oog op de mens geeft aan dat we van grote waarde zijn in Gods oog, althans Hij koopt ons en wie of wat zijn wij?
‘Oudroest’ schrijft een dichter, ‘arme wurmen’ typeert een theoloog.
Nergens wordt in de bijbel de mens vergeleken met oudroest, maar wel treffen we de vergelijking aan van de mens met een worm. Zo lezen we in de klaagpsalm 22: 7: ‘Maar ik ben een worm en geen man’. Een tekst die in zijn messiaanse strekking bekend is geworden.14) Dat wil zoveel zeggen dat de psalmist zich als niets voelt, als een verschoppeling, die vertrapt kan worden.
De worm als symbool van totale onmacht vgl. Job 25,6. In Jes. 41: 14 wordt het volk in Babel vergeleken met een worm. ‘Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje Israël’. Maar de worm zal in het volgende vers worden tot een dorsslede met dubbele sneden, die bergen en heuvelen zal vermalen.
Noch ‘oudroest’ noch ‘arme wurmen’ brengen ons direct bij bepaalde teksten uit de Bijbel. Deze beelden, waarvan de één nog bizarder is dan de ander, laten ons zien de ongekende bewogenheid Gods om voor zoiets interesse te hebben; en dan gaat het om ons.
Pascal en de mens als worm
Is het uitgesloten dat Schilder bij zijn typering ‘arme wurmen’ beïnvloed is door Pascal? Schilder was een bewonderaar van Pascal. Hij rekent Calvijn en Pacal tot ‘de groote geloovigen’.15) Schilder weet dat ‘heel wat dominees de ketters bestrijden met zijn hulp’.16) Hoe het zij, in elk geval treffen we ondermeer in Pensée 434 deze zin aan: Wat een hersenschim is dan toch de mens. Wat een ongehoord wezen, wat een monster, wat een chaos, wat een vat vol tegenstrijdigheden, wat een wonder! Rechter over alle dingen, stomme aardworm; drager van de waarheid, spel van onzekerheid en dwaling; glorie en uitvaagsel van het heelal’. De dialecticus Pascal plaatst de ene tegenstelling tegenover de ander. Waar het ons om gaat is dat van de mens geldt: ‘de rechter over alle dingen’ tegenover ‘imbécil ver de terre’ – stomme aardworm. Daarop vervolgt Pascal wat misschien niet direct verwacht zou worden: ‘Weet dan hoogmoedige, wat voor een paradox u voor uzelf bent.
Verneder u, machteloze rede; zwijg, stompzinnige natuur; leer inzien dat de mens de mens oneindig te boven gaat, en verneem van uw meester uw ware toestand, die u zelf niet kent.
Luister naar God’. Ook Pascal komt in zijn tijd in aanraking met de kosmologische ontdekkingen van Copernicus, Kepler en Gallileï. Wordt de positie van de mens niet een totaal andere dan voordien? De ruimten in het heelal joegen hem schrik aan, toen al. Toch neigde Pascal er niet toe de laatste raadsels te willen oplossen, want dat wordt niet van de mens gevraagd. Hij kende zijn grenzen.
Zowel Schilder als Achterberg hadden geen al te hoge mensbeschouwing. De verzoening gaat heel ver en reikt heel diep, het is harde noodzaak, want de erfzonde tast alles aan. Schilder en Achterberg zien in het ingrijpen van God in Jezus Christus dat de mens niet zonder God is; dat Gods zending van zijn Zoon de mens uit zijn verlorenheid haalt. Als dat niet het geval zou zijn dan geraken we volgens Pascal verzeild in de misère van de mens. Volgens Pascal bestaat de grootheid van de mens hierin, dat hij van zichzelf weet dat hij ellendig is, zo komt er ruimte voor de verlossing. Pascal maakt duidelijk dat de mens niet alleen met zijn verstand in staat is God te vatten, maar daarbij niet voorbij kan gaan aan de ‘esprit de finesse’. Wat Pascal - de man van het gevleugelde woord ‘het hart heeft redenen, die de reden niet kent’ en van ‘la logique du coeur’ precies met ‘esprit de finesse’ bedoelde, is niet gemakkelijk te zeggen. Hij had ervaren dat God, die ook ‘een verterend vuur’ is, hem in de nacht van de 23ste november 1654 tot zekerheid had gebracht en innerlijke vrede had geschonken. Die herinnering had hij opgeschreven en droeg hij altijd op het lichaam bij zich; het was zijn ‘memorial’. De mens als kroon der schepping is in zijn verlorenheid geworden tot een ‘stomme aardworm’.
Job op de puinhoop: ‘De mens, uit een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust. Als een bloem ontluikt hij en verwelkt, als een schaduw vliedt hij heen en houdt geen stand. En op zulk één vestigt Gij nog uw oog’, Job 14,1-3. De eeuwige God en de tijdelijke man ze zijn oneindig verschillend.
Pascal wil ook de mens zijn plaats wijzen om staande te blijven: ‘Verneder U, onmachtige rede; zwijg, stompzinnige natuur: leer dat de mens de mens oneindig overtreft, en verneem van Uw meester Uw ware toestand, die u zelf niet kent. Luister naar God’, Pensée 434. Pascal stelt: ‘God kennen, maar zijn eigen ellende niet kennen, leidt tot hoogmoed. Zijn eigen ellende kennen, maar God niet kennen, leidt tot wanhoop. Jezus Christus kennen schept de middenweg, want daarin vinden wij en God en onze ellende’, Pensée 527.
'Deïsme voorbij', want de hemel is de aarde te hulp gekomen
‘Deïsme’dat voert bij Achterberg tot ‘koopman in oudroest’, bij Schilder van de zo schijnbaar onbewogen steenrots tot ‘Rijke koper van ons arme wurmen’, en bij Pascal van de ‘Rechter over alle dingen’, de mens, die niet mag vergeten dat hij is een ‘stomme worm’. Nu is het onvoorstelbare dit: God blijkt als koopman geïnteresseerd te zijn in ‘oudroest’ en ‘wurmen’. Hij heeft het laten blijken er ligt een bewijs. Dat geeft te denken. Het is direct met de ratio niet te vatten. Een paradox zet aan tot denken, zou Schilder zeggen.
Geloofskennis gaat boven de rede uit en er niet tegenin.
Noten
1) D. Bonhoeffer, Widerstand und Ergebund, Briefe und Aufzeichnungen aus der Haft, 3. Aufl., München 1966, S. 178,182,
2) Zie voor een goed overzicht: B. Wentsel, Incarnatie, verzoening, koninkrijk van God, Dogmatiek deel 3b, Kampen 1991, 405-422. Het verschijnen van Gott als Geheimnis der Welt in 1976 van Jüngel is een gebeurtenis.
3) G.C. Berkouwer, De triomf der genade in de theologie van Karl Barth, Kampen 1954, 294
4) Vgl. het artikel dat Eberhard Jüngel schreef n.a.v. 85ste verjaardag van Martin Heidegger: ‘Metaphorische Wahrheit. Erwägungen zur theologischen Relevanz der Metapher als Beitrag zur Hermeneutik einer narrativen Theologie’, in: Entsprechungen: Gott-Wahrheit-Mensch, München 1980, S.103-157.
5) K. Schilder, Licht in de rook, derde dr., Kampen 1951, 99.
6) K. Schilder, a.w., 100.
7) K. Schilder, a.w., 101.
8) K. Schilder, a.w., 102.
9) K. Schilder, a.w., 103.
10) K. Schilder, a.w., 103.
11) K. Schilder, a.w., 104.
12) K. Schilder, a.w., 105.
14) K. Schilder, a.w., 105.
16) A. Kuyper, Zijn uitgang te Jeruzalem, Kampen 1912: ‘Een worm en geen man!’, 97-110.