De jeugdkerk en Karl Barth
2002-11-15
In de laatste nummers van Opbouw is geschreven over de opkomende jeugdkerk en over de wegkwijnende middagdienst.- Jaargang 46
- nummer 22
Ik moet zeggen dat ik er zenuwachtig van werd.
Meer dan negenhonderd tieners in een dienst! Dat is zo ontroerend mooi, dat je er eigenlijk nauwelijks iets van durft te zeggen.
Ook Willow Creek scoort zo goed, dat je er bijna niets van durft te zeggen.
Sowieso laad je al gauw de verdenking op je dat je gewoon een jaloerse ouderwetse opa bent, te gemakzuchtig om iets te ondernemen en te bang om iets te veranderen. In dat vakje werd je in Opbouw nummer 20 ook alvast een beetje neergezet. En toch wil ik, in verbondenheid met de betreffende personen en hun streven, een paar opmerkingen maken die bij mij branden.
Het zijn niet zozeer opmerkingen van huishoudelijke aard. Ik zal dus niet beginnen over het bezoek van de middagdienst, hoewel het mijn ervaring is dat uitgerekend de jeugd voornamelijk ’s middags naar de kerk komt, eenvoudig omdat de morgendienst hen te vroeg begint.
Laat ik beginnen met enkele citaten uit de betreffende artikelen: ‘Waarom in de kerk dan wel die onemanshow van de predikant?’ ‘Jongeren voelen zich niet erkend’.
‘Jongeren willen aangesproken worden op hun gevoel’.
‘Meer oog voor de behoefte van de individuele gelovige’.
‘Met machtswoorden bereik je de mensen niet meer’.
Zenuwachtig en bezorgd
Laat ik zeggen dat zulke opmerkingen mij zenuwachtig en bezorgd maken.
Natuurlijk kloppen de analyses wel.
Maar dat daar vervolgens zo aan tegemóet wordt gekomen, dát verontrust mij.
Robert Schuller (The Hour of Power, RTL 5) heeft ooit met zoveel woorden aan de mensen uit zijn buurt gevraagd: ‘Wat moet ik doen om u in de kerk te krijgen?’ Zijn motto luidt dan ook: ‘Zoek uit wat indruk zou kunnen maken op onkerkelijken’. Deze voorganger brengt een boodschap, ‘waarin tegemoet wordt gekomen aan de emotionele en psychologische behoeften van mensen’.
Bill Hybels van Willow Creek is oorspronkelijk beïnvloed door deze Schuller, maar hij heeft er later afstand van genomen. Toch ontkomt ook Willow Creek niet aan een bepaalde vorm van marketing. Het is typisch Amerikaans om te denken in termen van succes, en in getallen. Altijd loert het gevaar dat de kerk haar leden tevréden wil zien.
Tevredenheid of redding?
Waar ik zo bang voor ben is dat ook wij in ons kerkelijk leven ons steeds meer laten leiden door datgene wat wij zelf belangrijk vinden. Onze kerkdiensten, middagdiensten, jeugddiensten, moeten vooral tegemoet komen aan ónze behoeften. Ze moeten óns bevredigen. Tevredenheid wordt belangrijker gevonden dan redding!
Of zoals drs. H. de Jong het in de afgelopen zomer onder woorden bracht: de aandacht verschuift van het goddelijk Woord naar het menselijk antwoord (Opbouw nummer 13). Collega De Jong noemt in dat verband de persoon van Karl Barth. Deze theoloog spande zich als geen ander in ‘om bij God en zijn Woord te beginnen’ - al kwam daardoor óns ántwoord weleens in gevaar, voegt De Jong er aan toe.
En: ‘De meeste waardering voor hem vind je tegenwoordig nog bij zijn vroegere orthodoxe bestrijders’.
De religieuze mens
En zo kan het dan gebeuren dat ik in dit artikel een aantal gedachten van Barth naar voren wil brengen in verband met de inrichting of aanpassing van onze kerkdiensten.
De kerk, zegt Barth, heeft niet tot taak de mensen te dienen. Zij moet het evangelie verkondigen. Niet de godsdienstige beleving, maar de goddelijke openbaring vormt de grondslag van de kerk.
Als de preek bij en naast de dienst aan het Woord van God nog iets anders beoogde en wilde, zegt hij ergens anders, heeft altijd dat ándere gezegevierd en kwam er van de dienst aan het Woord niets terecht!’ Wat een actuele woorden zijn dit.
Tijdens zijn theologische studie had Barth niet geleerd om over Gód te spreken, maar ‘op verheven toon over de christelijk religieuze mens’. Zijn preken waren aanvankelijk thema-preken, de bijbelteksten werden nauwelijks uitgediept.
Het was allemaal sterk op de religieuze mens gericht. ‘Beleving’ was een centraal woord in zijn eerste preken.
Het was het subjectivisme van de 19e eeuw.
Maar het is Barth duidelijk geworden dat daarmee aan Jezus Christus (en dus ook aan Zijn gemeente) absoluut geen recht gedaan werd. Zijn preken gingen veranderen. Hij preekte: ‘Jezus Christus verdwijnt niet wanneer onze mooie religieuze gevoelens verdwijnen’.
Hij preekte: ‘Niet wij komen, maar God en Zijn Rijk komen. Er is geen sprake van een beweging van onderen naar boven, maar van boven naar onderen’.
(Kuitert is al in 1930 bestreden…) Barth had door zijn studies van de Romeinenbrief leren zien, dat de Here God de mens niet zozeer wil tevréden stellen, tegemóet komen, in évenwicht brengen, maar dat Hij de mens juist in de crisis brengt.
Aanstotelijk
Barth geloofde nooit zo in allerlei aanknopingspunten in de mens voor Gods genade. Hij noemde dat: verburgerlijking van het evangelie. Het evangelie is aanstotelijk. Je kunt dat niet, door het in een wat aantrekkelijker jasje te steken, ineens ontdoen van het aanstotelijke!
De mens, ook de jeugd, moet door de zure appel heen! Het kon onze Here Jezus gebeuren, dat vele van zijn discipelen bij Hem weg liepen, omdat ze zijn woord hard vonden (Joh.6:60).
Jezus heeft toen die mensen niet terug geroepen, om ze dan maar in een aan hen aangepast programma het evangelie te brengen. Misschien moeten wij leren accepteren, dat in donkere tijden het ongeloof sterker is dan het geloof.
En dan intussen met onze armen over elkaar gaan zitten? Initiatieven van anderen de grond in boren? Nee, alleen dit: nuchter blijven, onze dienst ten volle verrichten, het lijden aanvaarden (2 Tim.4:5).
In zijn beruchte brochure ‘Nein!’ schrijft Barth: ‘In mijn preken heb ik het meest de indruk mijn toehoorders te bereiken en te ‘interesseren’ als ik er het minst op reken dat er in die toehoorders al iets is wat correspondeert met Gods Woord, als ik er het minst op vertrouw dat men dit Woord verkondigen ‘kan’, als ik het minst denk de kunst te verstaan om de mensen met de middelen van mijn taal te ‘bereiken’, als ik mijn taal zoveel mogelijk aanpas en conformeer aan datgene wat de tekst mij schijnt te willen zeggen’.
Bijzonder actueel is wat hij daar dan bij schrijft: ‘Met ongelovigen, intellectuelen en de moderne jeugd kan men, zo heb ik ervaren, relatief nog het best spreken als men rustig en eenvoudig (eraan denkend dat Christus ook voor hen gestorven en verrezen is) met hen omgaat alsof hun verzet tegen het christendom helemaal niet van groot belang is’.
Pittige prediking
Misschien is Karl Barth niet in alle opzichten een betrouwbare gids.
Misschien was hij eenzijdig toen hij riep: ‘Uiterst belangrijk is niet wat wij zeggen, maar wat tot ons gezegd wordt en gezegd is!’ Misschien komt óns antwoord bij hem in gevaar, zoals H. de Jong signaleerde.
En toch kan het profetisch actueel zijn, om ons antwoord dan maar even in gevaar te laten komen. In Psalm 95 buldert de Here tegen al die enthousiaste mensen, die vol zijn van hún gejubel voor Hem: ‘Och, of u heden MIJN stem hoorde!’ De schrijver aan de Hebreeën zegt, met aanhaling van deze Psalm, dat Gods Woord levend en krachtig en scherper is dan enig tweesnijdend zwaard. Je houdt je hart vast als je hoort van ‘jongeren die echt helemaal voor God willen gaan, maar daarvoor geen ruimte krijgen binnen hun eigen gemeente’. Ik ken ook jongeren die vol willen zijn van God.
Ze tokkelen af en toe op hun gitaar tijdens onze kerkdiensten. Maar ze komen vooral Gods Woord opdrinken, ze komen ook na hun openbare geloofsbelijdenis nog naar catechisatie, ze willen horen wat Gód zegt.
De prediking van Zijn levende en krachtige Woord – daar leeft de kerk al twintig eeuwen van. Zouden we er niet goed aan doen alles op alles te zetten, om de kwaliteit van die prediking op peil te houden? En dan bedoel ik met kwaliteit: een prediking die schriftuurlijk krachtig en levend wil zijn, duidelijk en pittig, actueel en opwekkend.
Is het niet zo dat uiteindelijk toch in de prédiking de beslissingen vallen over de toekomst van Gods kerk?