Hoe zal ik U ontvangen?
2002-12-13
Henk Jan Kamsteeg heeft een sympathiek artikel geschreven, dat ik deels met veel instemming gelezen heb. Als jongeren ergens op afknappen, schrijft hij, laat het dan niet zijn op de manier waarop de Boodschap gebracht wordt.- Jaargang 46
- nummer 24
De taal die in veel gemeenten gesproken wordt, begrijpen ze niet. Zulke opmerkingen zijn mij uit het hart gegrepen.
Henk Jan schrijft over saaie en vermoeiende predikanten. Ook dat gedeelte heb ik met veel instemming gelezen.
Al zeg ik dat met heel veel schroom.
Want er zit zo gauw de pretentie achter dat je zelf dan niet saai bent. Henk Jan citeert Lloyd-Jones, die inderdaad rake dingen schreef over en áán saaie predikers, maar onlangs hoorde ik van een collega, dat een bandopname van deze predikant niet om aan te horen was, zo langdradig. Uitkijken dus dat je niet foetert tegen slaperige dominees, terwijl je zelf nog wakker moet worden.
Ik weet wat een ontzettende worsteling het is om iedere week één of twee preken te schrijven, die niet saai en oppervlakkig mogen zijn. De studie die aan een preek vooraf gaat, kost me dagdelen en als ik de eerste zinnen van een preek wil opschrijven, vrij van clichés en oninteressante gedachten, ben ik daar vaak beschamend veel tijd aan kwijt.
Maar het mag wat kosten, want slaapverwekkende kerkdiensten zijn uit den boze. Ik heb zelf eens in het Seminarienieuws geschreven over een andere vermaarde engelse prediker, Spurgeon, onder de titel: ‘Als de dominees saai worden’. Ik signaleer precies hetzelfde probleem als Henk Jan. Ik weet dat heel veel kerkmensen (niet alleen jonge) nauwelijks geraakt worden in de kerkdienst. Je zult je wékelijks ergeren, of al zo afgestompt zijn dat je pas door hebt hoe onverschillig je naar de kerk toe gaat als je kinderen je dat duidelijk maken! Alsof onze God niet het allerbeste verdient! En ook zijn gemeente en de jeugd van die gemeente verdient het allerbeste! Dus over deze diagnose lijken we het behoorlijk eens.
Preken deugen niet
Alleen, wat is dat allerbeste? Dat is het punt. En juist omdat we hetzelfde probleem signaleren, vind ik het jammer dat we op dit punt ineens zo uit elkaar gaan.
Rob Kuijpers uit Zwolle zegt dat de vorm niet deugt en hij heeft het dan over “die onemanshow van de predikant” (Opbouw 20, p.396). En nu gaat de diagnose ineens een stuk verder.
Als Rob en Henk Jan zich in hun kritiek nu zouden beperken tot de ergernis- en slaapverwekkende prediking, dan zou ik niet zo ongerust zijn. Maar blijkbaar gaat het hun echt om de preek op zich. Rob neemt nog wel zijn pet af voor de uitzonderlijke spreker, die mensen een half uur weet te boeien, maar over het algemeen ziet hij preken toch vooral als een achterhaalde en onmogelijke missie. De diagnose gaat nu ineens veel verder dan alleen maar: vervelende preken deugen niet.
De diagnose wordt: preken deugen niet. Ik ben me ervan bewust dat ik iets chargeer.
Wat is er toch aan de hand? Hebben wij dominees de kerkmensen al tot zo’n diepe wanhoop gedreven, dat zij echt geen enkel heil meer van onze kant durven te verwachten? Waarom laten de jeugdwerkers de preek zo achter zich? Ik zou zo graag schouder aan schouder met hen willen werken aan betere prediking in onze kerken.
Communicatie?
Het gaat om de vraag wat het allerbeste is. Hoe communiceert onze God het best met ons, met de jeugd?
In de taal van de jeugd, zegt Henk Jan, dat wil zeggen in muziek, dans en drama.
En dat antwoord komt mij te vlug.
Hoe diep gaat je diagnose? Moeten we ons niet eerst afvragen of je überhaupt wel kunt spreken van communicatie?
Communiceert God met ons, zoals wij communiceren met elkaar?
Is er niet per definitie een ongelijkheid tussen de boodschap van God en het referentiekader van zijn toehoorders?
Wekte het optreden van Jezus niet voortdurend onbegrip en misverstand?
Is de bijbelse verkondiging niet altijd a-symmetrisch? Sluit zij ooit onmiddellijk aan bij de denk- en belevingswereld van de omstanders? Denk eens aan de gesprekken van Jezus met Nicodemus, de Samaritaanse vrouw, de Emmaüs-gangers. Zijn dat wel gesprekken? Is dat wel communicatie? Jezus bevindt zich op een zoveel hoger plan. Zijn Woord ligt niet in het verlengde van ons bestaan.
En gelukkig niet! Juist het ánders zijn van Jezus maakt het mogelijk, dat Hij als Redder de mensen tegemoet kan treden. Dat zijn Woord in onze oren vreemd klinkt en ongehoord, is niet een probleem, maar is juist geweldig bevrijdend. Zijn Woord doorbreekt van boven onze gesloten ervaringen!
Nu zal Henk Jan herhalen, dat het hem en ook de jeugd helemaal niet te doen is om een afzwakken van de Boodschap.
Aan de Boodschap mogen we inderdaad niet komen, schrijft hij, maar aan het communicatiemiddel wel degelijk.
Het gaat mij om dat woord ‘communicatiemiddel’.
Dáár ligt volgens mij het verschil. Is de preek wel een communicatiemiddel?
En kan dit communicatiemiddel vervangen worden door een ander? Bijvoorbeeld door zang of dans of drama? Maken de jeugdwerkers, met wie ik me eigenlijk heel sterk verwant voel, hier niet een geweldige vergissing?
Ervaring
Datgene wat de jeugd zelf naar voren zal brengen lijkt mij, hoe ontroerend dan ook, van een volslagen andere orde dan een preek. Het zal veelal voortkomen uit hun eigen ervaringswereld.
Rob Kuijpers juicht dat zelfs toe. Maar die ervaringswereld is gesloten.
Het is nu eenmaal de wereld van hier beneden.
Ik ben ervan overtuigd, dat de jeugd het meest geholpen is met een verlossend Woord dat van boven in hun gesloten ervaringswereld slaat. Dat hun eigen ervaringen op diverse punten zal willen weerspreken en bekeren.
Is dat mikken op de beleving van de jeugd niet sowieso een hele linke bezigheid?
Wie kan ze nog iets geven, als ze méér willen? Maar vooral: wie gaat ze zeggen dat er meer bestáát, meer dan blijdschap? Wie gaat ze helpen, als ze op hun kamer zitten en ze voelen niets meer? Ik ken jongelui die doodongelukkig worden in zo’n ervaringscultuur en hoe meer het in de kerk gaat over ervaring, hoe rotter ze zich voelen. Iemand promoveerde op de geloofservaring van de Vineyard-gemeenten in Nederland. Hij was tijdens zijn onderzoek lid van zo’n gemeente, maar hij hield het er niet vol: “Als je in een gemeente komt, waarin de beleving zo centraal staat, en je ont dekt dat die niet bij jouw beleving aansluit, dan komt de vraag: wat geloof ik dan nog wel?” (ND van 8 september 2001) Wim Grandia van Praise & Ontmoeting geeft toe, dat het tegenwoordig allemaal leuk moet zijn voor de jongeren en dat ze gaan kijken wat er in de kerk ‘te halen’ valt. Ik sta voor wat ik doe, zegt hij, maar het heeft een keerzijde, want jongeren kicken soms zo op de sfeer, dat de intentie van de avond ze ontgaat: aanbidding. Ze zijn meer gericht op wat er gebeurt, zegt Grandia, dan op wat er gezegd wordt. (ND van 11 maart 2000) Rikkert (van Elly) zei eens, dat hij niets tegen praise en halleluja had, maar wel tegen het cultuurtje er omheen.
Als je vraagt aan een jongere die zo’n avond bezoekt, wat dat nu betekent, hoor je: “Het is zo fijn, je voelt je er zo goed bij”. Dan ben je dus nog steeds met jezelf bezig en niet met Hem, concludeert Rikkert. (ND van 14 november 1998)
Activisme
Niet alleen het mikken op de beleving van de jongeren lijkt mij bedenkelijk, maar ook de fixatie op hun activisme.
Henk Jan gebruikt opnieuw de uitdrukking dat de jeugd ‘voor God wil gaan’. Dit klinkt wel heel goed, maar is het niet je reinste activisme? En komt dit activisme niet, net als onze beleving, van beneden bij onszelf vandaan?
Wat gaan we dan doen? We staan te popelen om zelf iets naar buiten te mogen brengen, maar we nemen nauwelijks de tijd om eerst iets naar binnen te krijgen.
Peter Bergwerff van het ND hoorde Bill Hybels eens fluisteren: “We do our best for God!” Wij doen ten minste ons best voor God. Maar wordt het dan niet ónze show? Draait het uiteindelijk niet om de erkénning van ónze dans en van óns drama? Om ónze show in plaats van die onemanshow?
Natuurlijk, het doel is mensen voor Jezus te winnen. Maar waarom is ónze inbreng dan zo beslissend? Heel ontdekkend is het om Bill Hybels te horen praten over ‘het theater van Willow Creek’, waarin de mensen ‘een fantastische voorstelling’ krijgen, want: “Als je je gasten een ervaring met muziek of drama geeft, kun je binnenkomen via wat wij de achterdeur noemen. En ze beseffen zelf nauwelijks dat het gebeurt, omdat hun afweersysteem het tijdelijk laat afweten”. Dit kan toch niet? Ik ken Hybels alleen maar van videobanden en ik kan iedere collega aanraden om daar eens naar te kijken. Als je zo spreekt, ben je boeiend.
En je kunt dat best een eind aanleren.
Maar deze begaafde spreker geeft hier toe, dat hij (in tegenstelling tot wat Henk Jan suggereerde) muziek en drama wel degelijk nodig heeft om een onkerkelijke gast te kunnen ‘vangen’.
Het activisme van Willow Creek (wij doen ons best voor God ) kan ertoe leiden dat wij denken, dat wij het geloof kunnen activeren bij anderen.
Dat proef je ook wel een beetje bij de jongeren die willen gaan voor God, hoe oprecht hun bewogenheid ook is.
Overigens, als iemand zegt dat hij voor God wil gaan, denkt hij dan aan een gehoorzaam en geheiligd leven van zondag tot en met zaterdag? Of denkt hij dan toch vooral aan het godsdienstige gebeuren op zondagmiddag?
Welke jongelui gaan voor God - naar hun zieke buurvrouw of naar een bejaard gemeentelid? Welke jongelui kunnen in de nacht van zaterdag op zondag terug van zestien naar vier pilsjes, om op zondagochtend nog redelijk fris voor God te gaan? Hoe zien die jongelui eruit, die voor God willen gaan?
Goeie preken
Als wij Gods Woord alleen maar acceptabel denken te kunnen maken in onze sfeer van entertainment, dan wordt het veel teveel gevangen binnen onze horizon. Dan worden wij bijna op onze wenken bediend en blijven we vast zitten in onze eigen gesloten sfeer.
Daar moeten we juist uit verlost worden.
Als je de preek weghaalt, dan is er in de samenkomst niets meer over wat lijkt op het bevrijdende Woord van boven. Geen gezaghebbend spreken van de Here. Geen of hooguit een zeer ondergeschikt moment van eerbiedig luisteren, waar we eigenlijk niet echt voor komen.
Daarom blijf ik bij mijn pleidooi voor pittige prediking. Er zullen al veel teveel dominees zijn die de gemeente zulke preken onthouden. Laat de jeugdwerkers nu van de weeromstuit niet hetzelfde doen.
In onze preken zal inderdaad de taal van de hoorders gesproken moeten worden. En laat dat dan niet altijd de ervaringstaal zijn. Liever niet. We hebben namelijk heel wat over Jezus Christus te verkondigen, wat niet direct te ervaren is. Zijn kruisdood, zijn opstanding en hemelvaart. Het komt van een hoger plan.
Met de taal van de hoorders bedoel ik gewoon hedendaags Nederlands. De taal van Jan en Pim. We hebben behoefte aan een duidelijke boodschap. Aan korte zinnen. Geen muffe studeerkamertaal.
Meer nog, het directe van Jezus, recht op de man af, ontmaskerend én liefdevol. Van boven naar beneden – pats! Met inleving. Natuurlijk moet de dominee zich inleven, hoe het Woord van God zal klinken in de situatie van de hoorders. Maar dan wel dat ongehoorde Woord van God. Klinken zal het! Duidelijk, maar niet oppervlakkig.
Succes is niet verzekerd, maar verkondigd zal het worden!
Tegen mensen die dominee zijn of worden, moeten we zeggen: Praat normaal! Jeugdwerkers, help ons om ons domineesjargon te vernietigen!
Help ons dat wij ons blijven realiseren hoe spannend het evangelie is! En hoe diep ook alweer! Te vaak hoor ik de catechisanten zeggen, dat een preek niet meer was dan wat parafrase. Hij heeft alleen in zijn eigen woorden nog eens gezegd wat er staat, zeggen ze dan. En hij gebruikte veel te moeilijke woorden. Ik vraag iedere week op catechisatie, waarover gepreekt is. Ze willen best nog graag luisteren en ze kúnnen het ook, maar dan moet de preek wel goed zijn.
Natuurlijk geeft de jeugdkerk een signaal af aan de kerken. Aan de dominees vooral. Maar ook aan de jeugd en hun ouders. Hoe komt het dat wij ons afkeren van een eerbiedig luisteren naar God? Ligt dat echt alleen aan de dominees? Of is er meer aan de hand?
Volgens mij kunnen wij pas echt uit ons dak gaan, als dat dak eerst geopend wordt door het splijtende Woord van God. Eerst moet het woord van Christus rijkelijk in ons wonen, verkondigd worden. Geef het dan aan de jeugd niet armelijk, vraag ik. Het elkaar leren en terechtwijzen en God dank brengen met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen (Kol.3:16) komt daarna, daaruit. Eerst innen, dan uiten.
Eerst God royaal door ons dak heen, dan wij eruit.