Het einde van een uitzondering
2002-12-13
Het was ontegenzeglijk een wat aparte figuur (haast een beetje Nederlands Gereformeerd): de uitzonderingsbepaling die de Generale Synode van de Vrijgemaakt Gereformeerde kerken in 1999 had bedacht: kanselruil en toelating van leden van andere kerken tot de eigen Avondmaalsviering kan alleen als er landelijk overeenstemming is tussen de betreffende kerken, met uitzondering van bijzondere situaties die zich voordoen met plaatselijke Nederlands Gereformeerde kerken.- Jaargang 46
- nummer 24
Er waren nogal wat bezwaren ingediend tegen deze uitzondering. Logisch: het is immers een stuk makkelijker werken met een regel dan met een uitzondering.
En dus heeft de dit jaar gehouden synode (van Zuidhorn) de uitzonderingsclausule weer ingetrokken ‘onder betuiging van spijt voor de onvaste koers op dit punt’.
Dat dit besluit nogal wat reacties heeft opgeroepen is niet verrassend. Ook de inhoud van die reacties is dat niet: treurnis aan de kant van hen die een meer open vorm van kerk-zijn voorstaan, tevredenheid bij hen die tendensen in die richting met grote zorg gadeslaan.
Toch is die laatste groep er lang niet gerust op; met name de vrijheid die sommigen binnen de GKV zich veroorloven om uiting te geven aan hun teleurstelling roept bij hen nieuwe vragen en zorgen op.
In het novembernummer van Nader Bekeken (spreekbuis van de verontrusten) geeft H.J.C.C.J. Wilschut zijn commentaar op het gebeuren. Om te beginnen citeert hij een aantal andere auteurs:
De reacties op het besluit waren bepaald niet positief. De eerste ingezondens gaven luidkeels uiting aan de teleurstelling.
‘Onbegrijpelijk besluit’, ‘Dan maar van kerkbank ruilen’ (ND van 21 september). Volgens ds G. Gunnink is kerkelijke bezinning nodig op de verhouding ‘landelijk’ en ‘plaatselijk’ (ND van 24 september). Is het onmogelijk de eenheid in de leer plaatselijk te beleven, als dat Iandelijk (nog) niet lukt? Vergeet niet dat het gewoon bij de structuur van de Nederlands Gereformeerde Kerken hoort om landelijk de dingen losser te regelen, schrijft Gunnink. En worden we zelf ook niet makkelijker in dit opzicht, als je let op de besluitvorming ten aanzien van de liturgie?
In het ND van 30 september kwam ds M. van Veelen als ‘voorzitter van de betrokken synodecommissie’ vertellen, dat het opheffen van de uitzonderingsregel eigenlijk vanzelfsprekend was.
Eén van de grondregels van het gereformeerde kerkverband is art. 53 KO, over het ondertekenen van de belijdenis.
De NGK hebben dat zo niet.
Prompt kwam er een reactie van ds W. Smouter: ‘Niet weer karikaturen oproepen’ (ND van 2 oktober). Ook binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken wordt de belijdenis ondertekend, al gebeurt dat niet overal op dezelfde manier. Niet dat in de NGK alles in orde is. Maar de kerkleden zijn er echt niet vogelvrij en blootgesteld aan een 'ander evangelie'.
Een iets andere invalshoek koos ds R.J. Meijer in het ND van 5 oktober.
‘Technische regelgeving doet pijn’.
Voor hem is het besluit van Zuidhorn een vorm van ‘beheersingsdwang’. De oplossing komt technocratisch over. In het verleden riepen de Gereformeerde Kerken nogal eens het beeld op van een Russisch leger, waar alles strak in het gelid stond. Beheersingsdwang!
Oude vrijgemaakte karikaturen worden weer opgeroepen. ‘Op zo'n moment kan ik bij mijzelf alleen maar een verlangen constateren naar een meer Nederlands-gereformeerde manier van omgaan met bepaalde zaken.’
Tot zover de weergave van de verschillende reacties, zoals Wilschut die heeft verzameld. Vervolgens probeert hij aannemelijk te maken dat de synode geen oude karikaturen van stal heeft gehaald, omdat de Nederlands Gereformeerde kerken nog steeds niet te vertrouwen zijn. Maar het hart van zijn artikel klopt niet op het punt van de tussen-kerkelijke relatie VrijgemaaktNederlands Gereformeerd, maar op dat van de binnen-kerkelijke relatie van Vrijgemaakten onderling. Dat blijkt uit het laatste en meest interessante gedeelte van zijn verhaal. Wilschut maakt daarin de balans op:
Als ik de discussie overzie, bekruipt mij het onaangename gevoel dat er bij de Nederlands Gereformeerde Kerken niet zo veel veranderd is. Maar dat de verandering in opstelling vooral aan onze kant zit. Ik vond de uitspraak van ds Meijer heel onthullend, hoe hij kan verlangen naar een meer Nederlandsgereformeerde manier van omgaan met de zaken. Ik vind dat niet alleen onthullend. Ik vind het ook onthutsend.
Helemaal wanneer dan ook nog eens de sfeer binnen de kerken in vroeger tijd vergeleken wordt met die in een Russisch leger. Ik acht dit krenkende taal voor de Gereformeerde Kerken in Nederland. Die kerken zijn allerminst boven kritiek verheven. Ook niet als het gaat om de manier waarop getracht is de eenheid in geloof en leer te handhaven.
Dat rechtvaardigt echter dergelijke uitlatingen niet. Over karikaturen gesproken....
Al is het op een ander niveau, ook bij ds G. Gunnink merk ik een verandering in de stellingname. Hij vraagt om een opnieuw doordenken van de verhouding landelijk-plaatselijk. Kan er plaatselijk geen eenheid in geloof en leer zijn, ook al is dat landelijk (nog) niet het geval? Die vraagstelling raakt de aard van het kerkverband.
Oftewel, laat de plaatselijke kerk zich zozeer losdenken van het eigen kerkverband, als door ds Gunnink impliciet gesuggereerd wordt? Ik betwijfel dat.
Voorlopig blijf ik gelukkig met het besluit van Zuidhorn om de uitzonderingsclausule op te heffen. De uitzondering bevestigde de regel niet, maar relativeerde die onaanvaardbaar.