De man die het antwoord niet wist

2001-02-02
  • Jaargang 45
  • nummer 3
Kent U uit de Bijbel het zendingsverhaal van de man die het antwoord niet wist? Hij heette Elisa en hij kwam voor een situatie te staan waarmee hij geen raad wist (II Kon. 5). De bekeerde heidenofficier Naäman staat op het punt terug te keren naar zijn land van zijn melaatsheid genezen en hij heeft juist zijn belijdenis geformuleerd zoals geen Israëliet het hem ooit verbeteren zou: ’nu weet ik dat er op de hele wereld geen God is behalve in Israël’. Een prachtig slot van een bekeringsverhaal!
Maar er komt een naar staartje achteraan. De officier ziet zichzelf alweer thuis in dienst van het Syrische leger, hij in zijn speciale functie als adjudant van de koning. Dan zal weer gebeuren wat al dikwijls plaatsvond: de koning gaat het heiligdom van god Rimmon binnen en leunt op de arm van zijn speciale adjudant Naäman.
De dankbaar genezen officier ziet al gebeuren waar hij niet onderuit zal kunnen. Samen met zijn koning zal hij zich moeten neerbuigen voor Rimmon. Je bent officier in staatsdienst of je bent het niet! Van een eerste of tweede gebod heeft Naäman nog nooit gehoord maar zijn inzicht in zijn nieuwe geloof vertelt hem duidelijk dat het God de Heer alleen is die zo gediend mag worden. Wat moet hij doen? Moet hij zijn werk en carrière opgeven? Moet hij misschien zijn koning toestemming vragen om na binnenkomst in het heiligdom zich niet te hoeven neerbuigen? Bij welke koning kun je met zo’n verzoek aankomen? We kunnen gerust aannemen dat er bij de officier nog een hele brok vrees voor zijn afgezworen god Rimmon is achtergebleven.
Overal op de zendingsvelden kun je constateren dat wie de Here Jezus aanneemt als zijn Heer, nog niet zomaar los is van zijn oude goden. Naäman vraagt bij voorbaat vergeving.
’Moge de Here dit aan Uw knecht vergeven’. Hij legt zijn probleem niet aan Elisa voor als een vraag maar rekent op zijn begrip van de situatie. Het lijkt alsof Elisa zich wat van de zaak afmaakt. Zo’n geval had zich in zijn profetische loopbaan nog nooit voorgedaan. Hij kon zich niet herinneren dat Mozes of Elia in het verleden al ooit iets dergelijks waren tegengekomen. ‘Ga in vrede’, dat is alles wat hij te zeggen heeft. ’We hopen er maar het beste van, broeder, en nu een goede reis gewenst’. Was Naäman een Israëliet geweest, dan zou Elisa hem stellig een ander antwoord hebben gegeven, zo zegt C. van Gelderen in de Korte Verklaring en verwijst naar Elia. Maar ook Elia had zo’n situatie nog niet eerder meegemaakt. Zijn opvolger Elisa leefde ook maar bij het nog wat gedempte licht van het OT. Een zendeling moet vandaag wel wat meer kunnen zeggen dan Elisa. Maar wat wij intussen al wel bij het nog gedempte licht ontdekten, is dat wij in elk geval niet mogen overvragen.
Op de zendingsvelden en in de jonge kerken zitten meer Naämans vandaag die voor de Here Jezus gekozen hebben maar om hun familie of om hun geweten(de angst voor de vooroudergeesten zit er nog in) de kerkgang bij Rimmon nog niet helemaal hebben opgezegd. Vonk schrijft bij dit verhaal in De Voorzeide Leer: ‘... Elisa heeft Naäman met de gewone groet laten gaan. Mocht hij ook nog iets aan Gods verdere leiding met deze man overlaten?’.

J. Vonkeman, Richmond, Zuid-Afrika

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief