Lord of the ring
2001-02-02
Ze heeft 4 piercings, zwart geverfd haar en draagt donkere kleren. En ze haalt heel voorzichtig een poster van mijn muur.- Jaargang 45
- nummer 3
Het is 11.00 uur en ik sta in mijn eigen lokaal. Ik ben binnengelopen omdat ik de collega die er nu les geeft iets wil vragen.
We staan te praten en over zijn schouders zie ik de dame in kwestie haar werkje verrichten.
‘Jat ze m’n poster?’ informeer ik bij mijn collega. Hij kijkt naar zijn leerling. ‘Hanneke, wat doe je?’ ‘Oh ik vind hem mooi, ik neem hem mee.’ ‘Geintje…’ zegt de docent en het meisje hangt de poster een stuk lager weer aan de muur.
Het is een aparte poster. Ik kocht hem 7 jaar terug toen we met school in Berlijn waren. In die periode had ik net de boeken van Tolkien uitgelezen. Het is een bijna sprookjesachtige potloodtekening van Gandalf en de reisgenoten.
Vol mystieke symbolen. Ooit sprak een evangelische collega me aan op het, volgens haar, hoog occulte gehalte van de prent.
De poster hangt weer aan de muur. Er zitten nog maar 3 punaises in.
Ik denk dat ze hem gaat gebruiken voor een toneelstukje, een decor achtergrond voor een interview.
Ons docentengesprek gaat verder en na twee minuten loop ik het lokaal weer uit.
Tien minuten later is het pauze. De klas van de zwarte dame pauzeert. In het voorbijlopen zie ik dat de poster verdwenen is.
Verbaasd blijf ik staan.
Dan loop ik naar Hanneke die ik inmiddels van naam ken.
‘Weet jij waar die poster gebleven is?’
‘Ja die heb ik in mijn tas…’
‘Waarom?!’
‘Ik vond hem mooi en wilde hem hebben.’
Ik word boos.
Opeens.
Terwijl ik in weken, misschien wel maanden niet boos ben geweest op school.
Ik ben zelfs erg boos en word ongekend fel:
‘Die poster is van mij en je moet er met je jatten afblijven.’, bijt ik haar toe.
Stilte in het lokaal.
24 paar ogen kijken naar een bizar tafereeltje.
‘U hoeft niet zo boos te doen hoor meneer…’ waagt de zwarte heks te zeggen.
Ik ontplof bijna.
Om geen scène te maken en geen dingen te zeggen waar ik spijt van krijg, eis ik dat de poster subiet terug gehangen wordt. Ik been vervolgens het lokaal uit.
Ik ga afkoelen en even babbelen met een collega.
Fijne vrouw.
Ze luistert naar me en vraagt of ik weet waarom ik zo boos ben.
Ik zeg dat het me eigenlijk wel wat verbaast. Ik heb wel ergere dingen meegemaakt en die poster is me eigenlijk niet zoveel waard.
Ze kijkt me aan en zegt: ‘Dromer, jij hebt alle jaren dat je hier werkt je beijvert voor een vertrouwelijke omgang met leerlingen. Je geeft ze vrijheid, verantwoordelijkheid en respect. Dit meisje treedt dit alles met grote olifantenpoten. Ze raakt je juist daar waar jij je zo voor inzet. Hun eerlijkheid.
Ze heeft gelijk. Die poster kan me uiteindelijk gestolen worden. Maar respect, eerlijkheid en vertrouwen, daar moeten ze niet aankomen.
Een dag later komt het boefje langs. Ze wil praten en excuus aan bieden.
We hebben een goed gesprek. Ze legt uit dat het stom was van haar, maar dat ze vond dat het een soort openbaar kunstbezit was zonder eigenaar. Als op een wilde plakplaats.
Ik leg haar uit waarom het me raakte.
Zij vertelt hoe een hele klas eromheen haar aanzet tot een brutale houding.
We begrijpen elkaar.
Vandaag is het drie weken later. Ik kijk in de leerling-lijst en zoek haar klas. Ik zie dat ze dinsdag jarig is.
Ik ga haar een cadeautje geven.
Dromer.