Duwen en trekken

2009-11-06
  • Jaargang 53
  • nummer 22
Het is nog maar een kilometer naar de kerk en plotseling begint het serieus te regenen. Ik heb mijn jas thuisgelaten en ook Coby's outfit is meer afgestemd op een zonnige dag dan op een regenachtige zondagmorgen. Het vooruitzicht om straks met een aan m'n benen vastgekleefde spijkerbroek in de kerk te zitten, maakt me er niet vrolijker op. Voorovergebogen over mijn stuur rijd ik onverstoorbaar door. Het is tenslotte maar een buitje en er zijn ergere dingen in de wereld. Nog even doorzetten, we zijn bijna op de plaats van bestemming. Coby rijdt tien meter voor me en ik zie het gebeuren. Een vreemde beweging, een schok die door fiets en berijdster heengaat. Dat kan er ook nog wel bij! Eerst als een donderslag bij heldere hemel een regenbui die ons overvalt en nu ook nog de ketting van Coby's fiets eraf. Daar staan we in een natgeregende straat in Overschie. De kinderen zijn al verderop. Het is niet de eerste keer dat de combinatie ‘Coby en fiets’ niet helemaal lijkt te werken. Tijdens onze huwelijksreis belandde ze met haar rijwiel in een droge sloot en een ander stalen ros legde het loodje toen ze ermee achter op een auto reed. En nu een losse ketting in de kettingkast. De nieuwe tegenslag doet een verwoede poging om mij mijn laatste restje goede humeur te ontfutselen. Maar we moeten verder. Door de regen duw ik Coby op haar fiets vooruit en niet lang daarna zitten we op onze plek in de kerk.
‘Ik lóóp straks wel naar huis’, zegt Coby tegen me.
Het idee dat de kinderen en ik straks lekker thuis zijn, terwijl mijn vrouw ergens met een kapot rijwiel door de stad sjokt, vind ik niks. We besluiten dat ik Coby naar huis zal duwen.

Na de kerkdienst zijn we onderweg naar huis. Ik fiets voor twee.
‘Gelukkig is het droog, Jan.’
‘Ja, zeg dat wel’, antwoord ik, al voortzwoegend.
‘Het gaat toch best zo?’
‘Ja hoor, prima’, antwoord ik, naar lucht happend.
‘Je vergeet toch niet dat je me ook moet afremmen, hè?’
Met de ketting van de tandwielen af, doet ook de terugtraprem het niet meer.
‘Komt allemaal goed: ik pak je gewoon bij je jurk vast en dan sta je zo stil.’
Na een paar kilometer begint de arm waarmee ik Coby voortduw en afrem, moe te worden.
‘Misschien kun jij mijn arm vastpakken, dan trek ik je vooruit’, stel ik voor.
Afwisselend duwend en trekkend rijden we op onze tweewielers door Rotterdam. Wanneer ik mijn arm om Coby's middel sla om haar vaart te geven, zijn we net een verliefd stel. Sterker nog, we zijn het! Al rijdend zoenen we elkaar. De kinderen zijn in geen velden of wegen te bekennen. Dat is maar goed ook: ze zouden zich de ogen uit hun hoofd schamen als ze ons zo zouden zien. Coby besluit dat dit een goed moment is om de fietspech tot zijn juiste proporties terug te brengen.
‘Ik heb je nog nooit in een ziekenhuis hoeven opzoeken.’
‘En ik jou ook niet’, zeg ik.
De losse ketting doet er niet meer toe. Wanneer we thuiskomen, staat ons een aangename verrassing te wachten: de kinderen zijn bezig de ontbijtboel af te wassen. Ons geluk kan niet op vandaag.

Jan Smit

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief