Uitnodiging tot gesprek en toetsing

2009-11-06
  • Jaargang 53
  • nummer 22
Onder christenen, ook in Nederland, is de afgelopen tijd stevig gedebatteerd over 'De Uitnodiging', geschreven door de in Amerika wonende Canadees W. Paul Young. Het is in rap tempo een bekend boek geworden. In de Verenigde Staten heeft het nummer 1 gestaan op de bestsellerslijst van de New York Times en er zijn onder zijn Engelse titel ‘The Shack’ inmiddels miljoenen exemplaren van verkocht. Het heeft in ons land bijna een jaar lang op nummer 1 gestaan in de Christelijke Boeken-toptien. Het is een boek dat je op je verjaardag van vrienden krijgt met de opdracht: ‘dit móet je eens lezen!’ Zo is het mij ook vergaan.

Het boek zuigt je naar binnen in een bloedstollend verhaal. Hoofdpersoon Mackenzy Allen Phillips is een vijftiger, man van Nan en vader van vier kinderen. Hij leeft met het Grote Verdriet: vier jaren geleden is zijn jongste dochter Missy op gruwelijke wijze vermoord. Zijn vrouw en hij proberen beiden op de één of andere manier met dit verdriet te leven. Nan slaagt er in troost te vinden bij God. Mack eigenlijk niet, hij kan zich niet aan de bitterheid ontworstelen die er in hem is gaan groeien. Op een koude winterdag vindt Mack in zijn brievenbus een brief met een uitnodiging: ‘Kom naar de hut’, ondertekend met ‘Papa’. Alleen Mack weet dat dit de naam is waarmee Nan God aanspreekt. De hut (The Shack) is de plaats, ergens midden in de wildernis, waar zijn dochtertje vermoord is. Na lang aarzelen besluit Mack te gaan en heeft daar een ontmoeting met de drie personen van God. In lange gesprekken met Papa, Jezus en Sarayu (Indisch voor 'verrassende wind') komt hij tot verzoening met God en zelfs met het Grote Verdriet.

Verrijkend
Toen ik de eerste aankondigingen van het boek las, voelde ik tegenzin om het te gaan lezen. Dat had maken met de manier waarop de personen van God worden uitgebeeld. Bijv. God de Vader als ‘Papa’, een Afro-Amerikaanse moeder, die tussen de gesprekken door de hele dag staat te koken en te bakken voor Mack. Het gaf me het idee dat de schrijver probeert het Bijbelse beeld van God de Vader te veranderen in een politiek correcte persoon die voor iedereen te aanvaarden is. Daar zit ik niet op te wachten.

Maar heel wat oprechte christenen om me heen bleken daar helemaal geen moeite mee te hebben. Daarom ben ik het toch maar eens gaan lezen, benieuwd wat zij er toch in zagen. En inderdaad bij het lezen vallen die bezwaren weg. De schrijver heeft beslist niet de bedoeling om God op de één of andere manier acceptabeler te maken. Maar hij beschrijft God, die omwille van de relatie met Mack, zich op een heel andere wijze aan hem toont dan die verwacht zou hebben. De schrijver probeert niet af te rekenen met de bijbelse beelden van God, maar probeert je bewust te maken van de verrassende grootheid van God, die vér boven ons voorstellingsvermogen uit gaat. En dus ook vér boven onze godsbeelden uit. En dat maakt het niet alleen een spannend, maar ook een verrassend en verrijkend boek. Ook als je het niet overal mee eens bent, is het een uitnodiging tot een diepgaand gesprek over je kijk op God.

Ruzie rondom ‘de hut’

Maar het boek roept bij christenen sterke, tegengestelde reacties op. Zo enthousiast als de ene groep lezers over het boek is, zo ongelukkig zijn anderen er mee. Die zien het als vergif en zouden het boek het liefst op een lijst met verboden boeken zetten. In Amerika werd van sommige kansels zelfs nadrukkelijk opgeroepen het boek niet te lezen. Toch klinken deze, uiteenlopende, geluiden in een groep die onderling zeer verbonden is in hun christelijk geloof. Hoe kan dat?

Een deel van de bezwaren heeft te maken met het beeld dat Young van God schetst. God de Vader toont zich als een zorgzame Afro-Amerikaanse moeder, de Heer Jezus als een Joodse timmerman in werkkleding en de Heilige Geest als een ranke, bewegelijke, Aziatische vrouw. Er zijn lezers die er sowieso moeite mee hebben dat God op deze manier in een fictieverhaal meespeelt. Je krijgt de indruk dat ze van mening zijn dat men helemaal geen beeld van God mag hebben. God is immers 'Geest' en 'niemand heeft Hem ooit gezien' (Johannes 1:18). Young had - uit eerbied voor God - deze grens niet over mogen gaan, vinden ze.

M.i. merkt Young in interviews terecht op dat God Zichzelf in de Bijbel ook in bepaalde gedaanten toont, ondanks dat Hij Geest is. Denk aan de drie mannen die bij Abraham op bezoek komen (Genesis 18), aan in welke gedaante Hij Jesaja 'zelf' roept vanuit de tempel (Jesaja 6) en hoe Hij zich vervolgens weer in een niet te vatten gestalte aan Ezechiël toont (Ezechiël 1). Young heeft niet de bedoeling om God in een beeld te vangen. Hij wil juist laten zien hoe God zich in zijn grootse zorgzaamheid op een bij Mack passende manier kan tonen. In zijn jeugd mishandeld door zijn vader, liep die met een enorm trauma tegenover 'vaders' rond. Young beschrijft een God die zorgzaam en invoelend het trauma van Mack omzeilt.

Je eigen beeld van God
Anderen vinden dat je dan wel beelden voor God kunt gebruiken, maar dat de beelden die Young voor God gebruikt niet passend zijn. Men mag alleen beelden gebruiken die in de Bijbel voor Hem gebruikt worden. Die Afro-Amerikaanse moeder wordt door sommigen als heel ongepast beleefd. Waarom, vraag ik me af? Is de 'Oude van dagen' in het boek Daniel (Daniël 7,9) passender voor God dan die Afro-Amerikaanse moeder? En waar komt dat gevoel vandaan? Met al hun eerbied voor de Bijbel hebben veel mensen diep in hun hart toch wel degelijk een vast beeld van God, bijv. als een oude, wijze, blanke, man. En is dát beeld volgens hun eigen standaard dan wél passend voor God? Maar dan is het heel interessant wat er hier gebeurt, en brengt Young met zijn beelden voor God onze eigen innerlijke beelden aan het licht. Beelden die volgens de boodschap van de Bijbel net zo min passend voor God zouden moeten zijn. Want ook oude, blanke, mannen zijn zondig. God tóónt zich aan ons, zonder zo te zijn. Zo nodigt Young je uit om op een fundamentele manier over je beeld van God na te denken en in gesprek te gaan.

Vervreemding
Maar, bij alle verrassing die ik met ‘De Uitnodiging’ beleefde, is er ook vervreemding. Bij bepaalde gedeelten bleef ik toch ook haken, bijvoorbeeld bij Youngs omgaan met vergeving en verzoening. Het mooie van het boek is dat alles goed lijkt te komen. Het vermoorde dochtertje Missy is veilig geborgen in Jezus' nabijheid. En niet alleen Missy is daar, maar ook de vader van Mack die hem in zijn jeugd vreselijk mishandelde. Het komt tot een indrukwekkende verzoening tussen hem en Mack op 'het feest der lichten' (p. 234). Ja, op een bepaalde manier is zelfs de moordenaar van Missy aanwezig in de gesprekken tussen 'papa' en Mack. God wil dat Mack hem vergeeft. ‘Maar deze man...’, protesteert Mack. ‘Hij is ook mijn zoon. Ik wil hem verlossen’, antwoordt God: ‘In Jezus heb ik alle mensen hun zonde tegen mij vergeven, maar slechts een aantal kiest voor een relatie met mij, (...). Wanneer je ervoor kiest om de ander te vergeven, houd je pas echt van hem’. Mack werpt tegen: ‘Ik houd niet van hem!’ (...) God reageert: ‘Maar ik wel, Mack, niet vanwege wat er van hem geworden is, maar vanwege het gebroken kind dat zo verworden is door pijn. (...) Als je iemand vergeeft spreek je die persoon vrij van veroordeling...’ Die vergeving is dan de kracht waardoor het tot verzoening kan komen, lezen we even eerder (p. 257). In een interview beroept de auteur zich daarvoor op 2 Korintiërs 5:19: Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. Het lijkt of hij daarmee de Alverzoening voorstaat. In antwoord op vragen naar zijn standpunt daarover is Young daar onduidelijk over. De indruk blijft: God zal zich met iedereen (gelovig én ongelovig) verzoenen.

Afwijking of kwaad
Zo'n 'happy end' sluit, denk ik, direct aan op een diepgevoelde wens van ons allemaal. We willen graag dat het helemaal goed komt. Goed op een manier alsof het nooit gebeurd was. En op een voor ons onbegrijpelijke manier zal God het ook goed maken voor allen die in Christus geloven. Hij belooft immers dat Hij alle tranen uit hun ogen zal wissen (Openbaring 7:17, 21:4). Maar dat doet Hij niet met voorbijgaan aan het kwaad. Daarvoor is het kwaad te kwaad en helaas niet zelden bewust gewild. Bij Young krijg je de indruk dat het kwaad een soort vreemde afwijking is waarvan iedereen vroeger of later genezen wordt. Maar hoe verknipt mensen op deze wereld ook kunnen zijn, en hoe - daarvan ben ik overtuigd - God ook met alle omstandigheden rekening kan (Hij kent ze echt!) en zál houden, er zijn ook mensen die bewust kiezen voor het kwaad. En als zij daaraan vasthouden gaan ze met dat kwaad ten onder (1 Korintiërs 6,10). Mensen houden hun eigen verantwoordelijkheid en moeten zich zoals Paulus in het vervolg van 2 Korintiërs schrijft ook 'met God laten verzoenen' (5,20).

Bijna wreed
Zoals Young het beschrijft komt het mij vreemd, onbevredigend, ja haast wreed voor. De bittere realiteit van het kwaad is op een vreemde manier afwezig in het tweede deel van het verhaal. Het wordt wel verzoend, maar niet bestraft. Missy en Mack worden door de kwalijke effecten ervan heen geholpen, maar er wordt hun geen recht gedaan, zo lijkt het. Want God heeft de wereld in zijn geheel met zich verzoend. En die verzoening lijkt hoe dan ook en bij wie dan ook tot vergeving te leiden. En nu beweegt God Mack om bij voorbaat dezelfde weg te volgen zodat het ook voor tussen hem en de moordenaar tot vergeving en verzoening kan komen. Nog voordat de moordenaar het vraagt, moet hij hem vergeven. Dat komt op mij bijna wreed over. O ja, ook bij Young blijft het oordeel, maar waar blijft de bestraffing van het kwaad?

God doet recht
Ik beschouw mezelf als een gelukkig mens. Er is veel waarvoor ik dankbaar kan zijn. Maar ook ik heb - zoals velen - bittere ervaringen met mensen. Ze deden me kwaad dat soms diepe littekens in mijn ziel heeft gekerfd. Die mensen zullen me daarvoor - zover ik het kan overzien - nooit om vergeving vragen, want zij staan in 'hun recht'. Mijn Heer leert me geen wraak te nemen en geen wraakgevoelens te koesteren, want de vergelding komt alleen Hem toe (Romeinen 12,19). Ik doe mijn best om Hem daarin te volgen. Een toekomst waarin mensen lijden onder de straf van God is voor mij geen wens en geeft me ook geen voldoening. God is genadiger dan ik en toch kan Hij óók rechtvaardig zijn. Tegelijkertijd! En daarom heb ik het vertrouwen dat Hij me geen therapie aanbiedt om het kwaad een plaats te geven, maar dat Hij me werkelijk recht zal doen, door het kwaad kwaad te laten en het dan voor altijd weg te doen.

Natuurlijk, Young schreef een roman en geen dogmatiek. Maar op dit punt laat zijn verbeelding me onvoldaan achter. Als het om de macht van het kwaad gaat, spreekt het boek 'De grote scheiding' van C.S. Lewis méér tot mijn verbeelding. ‘De Uitnodiging’ blijft daarmee een verrassend boek, maar wel met een wat wrange nasmaak.

N.a.v. W. Paul Young (2008), De uitnodiging. Uitgeverij Kok, Kampen, 302 p.

Wieb Dijksterhuis is predikant van de NGK Voorthuizen-Barneveld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief