Een vierde formulier van enigheid?

2009-11-06
  • Jaargang 53
  • nummer 22
In deze bijdrage wil ik kritisch kijken naar de Belhar-belijdenis die de Verenigende Gereformeerde Kerk in Suider Afrika heeft aanvaard (1986) en die onze zusterkerk, de Christian Reformed Church (CRC) of North America, in 2012 hoopt te aanvaarden. In het vorige nummer toonde Norman Viss zich er enthousiast over. Als een zusterkerk een vierde formulier van enigheid aanvaardt, moeten wij als NGK daar wel aandacht aan besteden. Goed, als kerken zijn we niet gevraagd de CRC van advies te dienen in deze belangrijke beslissing. Oecumenisch wel wat vreemd! Het gaat toch niet om een bijkomstigheid, maar om de belijdenisgrondslag van de gemeenschap die er tussen de CRC en de NGK is.

Het lijkt me dan ook vanzelfsprekend dat onze kerken een eventuele discussie over de Belhar-belijdenis samen met de CGK en de GKV voeren, terwijl we ook de GKSA (de Doppers) en de Gereformeerde Bond daarbij betrekken. De tijd is toch voorbij dat een kerk zonder oecumenische samenspraak over zulke belangrijke zaken beslist.

Barmen 1934 als voorbeeld
De Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968) heeft voor de kerkstrijd tegen Apartheid veel betekend. De Belhar-belijdenis laat zich niet denken zonder zijn invloed. In 1925 hield hij in Cardiff een lezing over belijdenisvorming binnen de gereformeerde traditie. Een aantal punten uit die lezing hebben bij de opstelling van Belhar een rol gespeeld. Bij voorbeeld: de kerk komt tot belijdenisvorming, als het er werkelijk om spant. De kerk staat of valt met de zaak die beleden wordt. In Nazi-Duitsland werkte Barth mee aan de opstelling van de Barmer Verklaring, die de Belijdende Kerk als belijdenisgeschrift aanvaardde (1934). Het antisemitisme werd als ketterij afgewezen. Daar stond of viel de kerk mee in die specifieke situatie. Want ook dat is kenmerkend voor belijdenisvorming, vond Barth. Een specifieke historische situatie moet aanleiding geven tot het opstellen van een belijdenis.

In Belhar werd Barmen als model gehanteerd, tot in de vormgeving toe. De specifieke historische situatie was die van Apartheid. Dit racistische systeem werd door Afrikaner gereformeerde theologen Bijbels-theologisch gerechtvaardigd. De kerk beleed in Belhar 1986 dat deze rechtvaardiging een ketterij was, die binnen de kerk van Christus op geen enkele manier geduld of gedoogd mocht worden. Zo heeft deze belijdenis een tijdgebonden karakter, maar zij kan toch door de hele kerk, ook op andere plaatsen en in andere tijden, als relevant erkend worden. De belijdenis moet dan wel zo geformuleerd zijn dat gebruik elders mogelijk is. Vandaar dat in Barmen 1934 de term antisemitisme of Joden niet voorkomt, en in Belhar 1986 het woord Apartheid niet.

Worden er nu in Belhar zaken beleden die ook in de situatie, waarin wij ons als NGK bevinden, relevant zijn? Zaken die ons dwingen tot belijdenisvorming, of in concreto tot aanvaarding van Belhar als vierde formulier van enigheid? Dat is de eerste vraag waarop we als NGK een antwoord moeten geven.

Profetische analyse
Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we nagaan in welke historische situatie, in welk geestelijk klimaat wij als gereformeerden vandaag kerk zijn. Het gaat dan om het beproeven van de geesten die in ons tijdsgewricht beheersend zijn. Daarbij maken we gebruik van de studies van wetenschappers, vooral ook van filosofen. Ik denk bijvoorbeeld aan wat de Reformatorische Wijsbegeerte ons hier te bieden heeft. Dat werk doen we als kerk niet over. De kerk is hier echter vooral profetisch bezig. De samenleving en het klimaat waarin zij publiek kerk is, wordt profetisch doorlicht. Daarmee doel ik op een bijbels-theologische doorlichting, op een geestelijke peiling van de tijd waarin wij kerk zijn in het licht van Gods Woord. En dan kan het zijn dat we ons door de Geest gedrongen weten om belijdend te spreken naar binnen, maar net zo goed naar buiten toe.

Kan Belhar ons hierin van dienst zijn? Zien we een lijn lopen van Barmen naar Belhar naar ons land? Leert zij ons belijdend te spreken over het onchristelijke karakter van Nieuw Rechts in de politiek en de verWildersing van de samenleving? En laten we ons niet beperken tot ons eigen land, levend als we doen in een mondialiserende wereld, waarin de economische recessie en de klimaatveranderingen vooral de armen treffen. Christelijk geloof is een publieke zaak. We belijden het in woord en daad in het publieke domein, zolang en voor zover dat mogelijk is. Een belijdenis als die van Belhar kan ons bij deze roeping zeker richting geven. Betekent dit dat we Belhar dan ook als vierde formulier moeten aanvaarden?

Barth en Belhar
Het loont de moeite de Belhar-belijdenis theologisch door te meten. Hoe worden de drie met elkaar vervlochten thema’s van Belhar - eenheid, verzoening en gerechtigheid - vanuit de Bijbel aan de orde gesteld? Want onder een gereformeerde belijdenis verwachten we een Bijbelse fundering. Een belijdenis is een soort commentaar op de Bijbel vanuit een specifieke invalshoek. In artikel 1 zet zij trinitarisch in, aansluitend bij de Heid. Cat. 21/54. Maar de uitwerking in de artikelen 2-4 is uitsluitend christologisch. Dus alle accent valt op Jezus Christus als Heer. Eenheid tussen mensen, verzoening tussen bevolkingsgroepen, gerechtigheid voor de vertrapten dezer wereld: Belhar fundeert het, in navolging van Barmen 1934, in de persoon en het werk van Jezus Christus. Nu was dat wel begrijpelijk in 1986. De scheppingsleer lag onder kritiek, omdat Apartheidsapologeten er kwistig gebruik van maakten. Kuypers leerstuk van de scheppingsordinanties leverde bouwstenen op voor een onwrikbaar systeem van gescheidenheid tussen volken en rassen. Daar veranderde de gangbare christologie helemaal niets aan. In die jaren was er sprake van een charismatische vernieuwing van kerken van allerlei confessionele snit. Maar dat de Geest ook in de geschiedenis vernieuwend werkt, werd niet gezien. De charismatische vernieuwing leverde in Zuid-Afrika weinig op in het publieke domein.

Begrijpelijk is de concentratie op de christologie dus wel. Maar eenzijdig is zij ook. Het is dan ook niet te ver gezocht hier ook aan de invloed van Karl Barth, de hoofdschrijver van de Barmer Verklaring, te denken. De opstellers van Belhar zagen in zijn christologie een goed instrument om hun belijdenis Bijbels te funderen. In zijn lijn wordt de trinitarische inzet van Belhar uitsluitend christologisch uitgewerkt. Voor algemene openbaring in schepping en geschiedenis, voor algemene genade in samenleving en volkerenwereld, voor het werk van de Geest over de hele breedte van Gods wereld is geen plaats. Daarvan legt Belhar getuigens af, en nergens duidelijker dan in artikel 4.

De God van de armen
In dit artikel valt de uitspraak op dat God op een bijzondere wijze de God van de armen, verontrechten en noodlijdenden is. Er is al vaker op gewezen dat de bekende leus van de bevrijdingstheologie over Gods optie voor de armen hier mee resoneert. We moeten echter wat dieper afsteken om het eigenlijke probleem achter deze formulering raak te zien. Barths christologie werkt hier m.i. door. God kan op bijzondere wijze de God van de vertrapten zijn, omdat zij in Christus al met God verzoend zijn, al weten zij zelf dat nog niet. De eenheid tussen mensen, de verzoening tussen bevolkingsgroepen, de gerechtigheid voor de vertrapten zijn in Christus al werkelijkheid. Alle mensen zijn al broeders en zusters van elkaar in Christus, of ze nu geloven of niet. Door de dienst der kerk moet dat aan het licht gebracht worden. Natuurlijk moeten ook de vertrapten tot geloof in Christus komen in de weg van geloof en bekering. Dat doet toch niets af aan het gegeven feit dat zij in Christus alreeds verzoend met God zijn en zo met elkaar. Daarom heeft de kerk in het bijzonder op te komen voor hun rechten en hen bij te staan in hun nood. Dat laatste stem ik toe, maar ik voel niets voor de christologische fundering ervan.

In artikel 2 van Belhar wordt beleden dat de eenheid, niet tussen christenen alleen, maar ook tussen alle mensen, zichtbaar moet worden. In Christus bestaat ze al. Maar is die eenheid er inderdaad, ook als de kloof tussen geloof en ongeloof er nog is? Ja, die eenheid kan ik funderen in Gods scheppingswerk als vrucht van zijn algemene genade, om met Kuyper te spreken. In de kracht van de Geest werken we daarnaar toe. Maar dat komt in Belhar niet ter sprake. In artikel 3 van Belhar wordt beleden dat Christus alle onverzoendheid tussen mensen al overwonnen heeft. Daaruit moet de kerk nu leven. Zeker, gelovigen, als door Christus met God verzoende mensen, zullen met alle mensen in vrede en harmonie moeten leven. Maar in Belhar wordt deze verzoening toegepast op de verzoendheid tussen mensen, volken en rassen wegens het feit dat ze in Christus al heeft plaats gevonden. Het is wel goed Barthiaans, maar is het ook goed Bijbels?

Natuurlijk vind ook ik dat de kerk niet alleen moet opkomen voor geloofsgenoten. Alle vertrapten hebben recht op onze voorbede, onze bijstand, onze inzet. Maar dat fundeer ik niet in een theologische theorie over de persoon en het werk van Jezus Christus. Zonder dat is de Bijbel al duidelijk genoeg. Theologisch wil ik liever een fundering in de scheppingsleer en pneumatologie overwegen. De tweede vraag die we dus moeten beantwoorden is, of we deze m.i. christologisch betwijfelbare belijdenis moeten aanvaarden als vierde formulier van enigheid?

Cadeau van God?
Er valt met Belhar misschien wel te leven in de kerk ondanks deze Barthiaanse christologie. Misschien is het ook wel mogelijk de tekst wat anders, meer Bijbels te lezen. We zeggen vaak dat een belijdenis niet vanuit de theologie van de opstellers gelezen moet worden. De Heidelberger Catechismus is mij lief. Maar ik heb niets met de theologie van Ursinus en Olevianus, die haar schreven. We kunnen theologisch niets met Barth hebben en toch Belhar waarderen. Zouden we zo deze belijdenis als vierde formulier kunnen aanvaarden binnen kerken van gereformeerde signatuur? Toch houd ik mijn twijfels. Deze twijfels raken niet de zaak die beleden wordt. Maar haar theologie kan mij niet bekoren. Ze blijft als een visgraat in mijn keel steken. Met veel slikken krijg ik ‘m wel weg, maar de irritatie blijft. In 1986 sprak de Verenigende Gereformeerde Kerk in Suider Afrika met de aanvaarding van deze belijdenis een woord op zijn tijd. Men heeft haar als een geschenk van God ontvangen, als vrucht van Zijn Woord en Geest. Maar zijn in 2009 het goddelijke cadeau en het theologische cadeaupapier wel goed te scheiden? Laat een oecumenisch brede studie-commissie de kerken hierin adviseren.

Dr. Bob Wielenga is emeritus-predikant van de NGK Kampen en werkte van 1979 tot 2002 als zendeling in Zuid-Afrika.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief