Een postmoderne wereld
2001-07-06
Eerder schreef ik in twee afleveringen over het boekje van professor Douma: "Hoe gaan wij verder?". In feite was daar nog een vervolg op nodig, als uitwerking van mijn opmerking dat Douma een blinde vlek leek te hebben voor, onder meer, het leven in een postmoderne samenleving. Gelukkig gaf de redactie me daar nog even de ruimte voor.- Jaargang 45
- nummer 14
Ik zeg eerlijk, dat ik geen specialist ben. Ik heb nooit iets van Lyotard gelezen en van andere postmoderne denkers. Maar ik ben wel een ervaringsdeskundige.
Dat is: ik leef zelf in die postmoderne wereld en, zoals Medema ooit schreef, ik heb het postmodernisme achter de knopen van mijn overhemd.
Ik was pas op een conferentie, waar ze iemand uit Amerika hadden laten overvliegen om ons te informeren over de gevaren van het postmodernisme.
In vijf lezingen legde hij uit, hoe volkomen vreemd deze wereld geworden is, maar dat God groter is en dat we daarom niet hoeven te wanhopen.
Dat was een hele troost, maar ik dacht steeds: ik vind dat postmoderne niet alleen maar slecht, ik dank God er geregeld ook voor. Nogmaals: ik heb het niet over het postmodernisme, want daar heb ik niet veel verstand van en bovendien is ieder -isme een vorm van afgoderij. Dat laatste leerde ik al ruim vóór het postmodernisme, misschien wel uit de hoek van de Reformatorische Wijsbegeerte of zo iets. Maar juist wanneer je dat gelooft, dan kun je God danken voor het postmoderne denken.
Prijs God, want machtigen zijn van de troon gestoten en afgoden van hun voetstuk gehaald.
Communisme, socialisme, liberalismeze zijn gesneuveld in het einde van alle grote verhalen.
Witte jassen
En wat dacht u van 'de wetenschap'? Tien jaar geleden (of, nou ja, vijftien intussen) moest je als eenvoudige dorpsdominee nog wel eens waarschuwen tegen de afgod van de wetenschap.
In kleurige boeken van Parool-
Life kon je zowel het ontstaan als de samenstelling van het heelal eenvoudig tot je nemen. En publicaties in de sfeer van Het Beste uit Reader's Digest straalden allemaal uit: er zijn grote problemen, maar de wetenschap heeft ze op een haar na opgelost. Het was het hoogtepunt van de verering van mannen in witte jassen en inderdaad leek 'de wetenschap' soms op een afgod. Maar intussen 'gelooft' niemand daar meer in. Het leukste kun je dat zien aan de reclame.
Destijds had je een TV-reclame voor een bepaald merk tandpasta. Je zag een man in een witte jas voor een schoolbord, die als boodschap uitdroeg: "wetenschappelijk is bewezen, dat dit de beste tandpasta is". Zulke reclame zul je niet meer tegenkomen, omdat de mensen reageren: "ja, hoor eens, wetenschappelijk kun je alles bewijzen"... Die houding levert natuurlijk óók weer problemen op, maar ik vind het niet alleen verlies. Er is toch een afgod van zijn sokkel gevallen. En er is ruimte gekomen om op een andere, veel meer bescheiden manier aan wetenschap te doen en dat is juist zo waardevol.
Een ander aspect aan het postmodernisme achter mijn knopen is: ik heb veel beter om leren gaan met fundamentele tegenstellingen in het geloof.
Bij mij begon dat op het vlak van de natuurwetenschap. Ik heb een grote lekenbelangstelling voor natuurwetenschap.
Als kind de pocketboekjes van Asimov gelezen, later af en toe bijge-
houden. Pas het lezen van Stephen Hawking, Het Heelal, deed bij mij werkelijk doordringen welke fundamentele vragen er overblijven in de natuurkunde. Zoals de vraag, of het licht bestaat uit een golfbeweging of uit een stroom lichtdeeltjes. Het is allebei waar, maar geen mens kan dat (tot op heden) met elkaar rijmen. En je kunt het ook niet door elkaar husselen: waar licht door de zwaartekracht wordt afgebogen, kun je niet zeggen dat het eigenlijk alleen beweging is.
En waar twee lichtstralen elkaar opheffen, kun je het geen deeltjes noemen.
Fundamentele tegenstellingen
Welnu, mij heeft dat echt geholpen, als een gelijkenis, om niet om te vallen vanwege fundamentele vragen in het geloof. Neem nu een van de oudste vragen: hoe kun je tegelijkertijd geloven dat God almachtig is en toch vasthouden dat een mens werkelijk verantwoordelijk is voor zijn daden? Is mijn geloof een gave van God (en waarom geeft hij het dan mijn buurman niet?).
Of is het geloof de beste keus die ik gemaakt heb (maar wie moet ik er dan voor bedanken?). Daar kom ik niet echt uit en daar komt eigenlijk niemand echt uit. In wezen gaan de Dordtse Leerregels hierover. Ik geloof van harte dat de vaderen de goede strijd gestreden hebben: opkomen voor de soevereine, majesteitelijke genade van God.
Aan Hem de eer voor mijn geloof; en bij mij de schuld dat ik er vaak zo weinig van bak.
Daarom voel ik me inhoudelijk na al die eeuwen nog één met wat daar beleden werd. En tegelijk zal ik er nu na al die eeuwen, nadat het modernisme er overheen gegaan is en het postmodernisme gekomen, toch ook andere woorden voor gebruiken. Waarbij het me helpt, te leven in een tijd die geleerd heeft dat je bij dieper doorgraven altijd stuit op een raadsel dat je niet kunt oplossen. Ik hoop, dat het ons helpt om vrijmoedig te belijden dat alle goede dingen van God komen èn dat ik zelf de gehoorzaamheid van het geloof moet leren, zonder dat ik die twee op één noemer kan brengen. De dingen waar het werkelijk om gaat in het leven, die krijg je niet op één noemer en ik ben blij dat ik dat geleerd heb.
Onpeilbaar
Die laatste zin, dat zit heel diep bij me en ik kom dat besef ook bij anderen tegen: er is zoveel waar ik geen grip op krijg, wat niet in een systeem past.
"Alles wat er is staat ver van ons af, en onpeilbaar, onpeilbaar is de werkelijkheid, - wie durft te beweren, dat hij er met zijn verstand bij kan?" (Prediker 7:24).
Er is wat dat betreft iets heel vreemds gebeurd. Vroeger kon iemand een goed sluitend verhaal ontwikkelen en hij was het meest geloofwaardig wanneer àlles klopte. Zat er ergens aan zijn verhaal nog een draadje los, dan zou hij alles doen om het kloppend te maken. Neem de hele leer van Abraham Kuyper - dat klopte zó goed, veel beter dan de bijbel. Of de dogmatiek van Honig, die ik ooit heb moeten leren, die klopte ook als een bus. Op een paar details na: wij moesten de redelijkheid en zedelijkheid van de engelen overslaan, en goed onthouden dat Christus niet het hoofd van 't genadeverbond was. Maar verder klopte het.
En dat werkt nu vandaag precies andersom.
Wanneer iemand alles precies op een rijtje heeft, dan denk ik: hier klopt iets niet, want zo sluitend zit de wereld niet in elkaar. Ik geloof hem pas, wanneer hij op punten een fundamentele tegenstrijdigheid erkent.
Eerst een voorbeeld van het oude denken: ik herinner me een boek van zes jaar geleden, waarin iedere tegenstrijdigheid in de bijbel meteen een aanslag was op de geloofwaardigheid ervan. Dat ging toen al langs me heen, maar nu helemaal.
Nu merk ik, voorbeeld van postmodern denken, dat ik iemand die me veel geleerd heeft over Gods kracht om ook vandaag nog mensen te genezen, maar moeilijk kon geloven. Tot op die dag dat hij opbiechtte, vaak met z'n handen in het haar te zitten omdat er zoveel mensen níet genezen. Toen geloofde ik zijn oorspronkelijke verhaal...
Verdampt
En dit besef nu, dat mis ik in het boek van professor Douma. Het besef dat een sluitend systeem geen overtuigingskracht meer heeft. Hij beschrijft, waarom de vrijgemaakte zuil is afgebrokkeld en de 'doorgaande reformatie' niet meer werkt. Vier redenen noemt hij ervoor: het kwam door bijval van buiten, doordat de organisaties soms te klein waren, door gebrekkige kwaliteit en door het besef van christelijke vrijheid. Allemaal waar, en mooier uitgewerkt dan ik het hier kan weergeven. Maar het is me allemaal te rationeel. Er ontbreekt iets in deze verklaring. Iets, dat ik nu maar het postmoderne levensgevoel noem. En daar bedoel ik mee, dat het geloof in zo'n sluitend systeem van gereformeerde kerk, school en samenleving gewoon verdampt is. Kijk eens, de opbouw van die zuil heeft altijd een hoge prijs gevergd. In geld, in energie, in tijd. Maar ook op ethisch vlak: er zijn vanaf het begin mensen gemangeld terwille van de goede zaak. Hoeveel goede krachten zijn er niet meteen in het eerste jaar na de scheuring ontslagen.
Ik weet zeker, dat dat vele Vrijgemaakten toen al verdriet deed. Het waren geen slechte mensen, maar mensen die geloofden in een ideaal, dat nu eenmaal z'n prijs had, hoe pijnlijk ook voor alle betrokkenen. Welnu, op dit moment zit die overtuiging in de crisis. Nog steeds wordt een juf ontslagen als ze Christelijk Gereformeerd wordt of haar man volgt naar de Nederlands Gereformeerde kerken.
Maar het beleid wordt niet voldoende meer gedragen en gaat zeer binnenkort op de helling. En dat komt niet alleen door de rationele argumenten die Douma noemt, maar ook omdat het geloof in 't ideaal is verdampt. Let wel: niet het geloof in God of in Christus is verdampt. Maar het geloof dat er een levensbeschouwelijk systeem denkbaar is, dat zulke hoge offers rechtvaardigt.
In het bootje
Daarom ben ik wat verlegen met de afloop van het boek. Het loopt, wat onze NGK betreft, uit op een dringend appel om nu weer "gewoon gereformeerd"
te worden. En ik wil best, want ik ben in mijn hart zo gereformeerd als de pieten. Maar tegelijk besef ik, dat het zo niet gáát. Het komt op mij over, dat Douma één fout uit het systeem verwijderd heeft (toegegeven: een grote fout, de doorgaande reformatie) en dat het systeem weer gewoon moet functioneren nu de verwijdering voltooid is. Of wij dus weer in het bootje willen stappen en dan "gaan wij verder". Ik vind dit moeilijk om te schrijven, want ik acht Douma zeer hoog en vind zijn opstelling lovenswaardig.
Maar er is meer met het bootje loos dan dat er één vergissing is gemaakt in de koers...
Dit verhaal eindigt niet met een paar pennenstreken om aan te geven hoe het dan wèl moet. Maar ik zou het machtig veel waard vinden, als we over kerkgrenzen heen onder ogen proberen te zien, wat het einde van de grote verhalen betekent voor de kerken. Wat dat voor mogelijkheden biedt, welke problemen het oproept.
En inderdaad, hoe we verder kunnen.
Want 'de gereformeerde wereld' bestaat niet meer, al jaren niet. Maar zou God daarmee nu voor onoverkomelijke problemen zijn geplaatst? Of weet Hij nog een weg, voor nu en voor eeuwig?
| Risico’s Ik wil me niet rijk rekenen; het postmodernisme heeft natuurlijk ook hele kwalijke kanten. Het zwaarste weegt misschien wel, dat het hele begrip waarheid verdampt lijkt tot een waaier van eigen meningen. Dat geeft ons een stevig probleem. Want hoe breng je, in een cultuur waarin het hele begrip waarheid nauwelijks meer bestaat, over, dat Jezus de enige waarheid is? Zou ik vroeger forse discussie met mijn catechisanten krijgen over de christelijke belijdenis, nu gebeurt dat minder. Ze zouden het wel mooi vinden als ik gewoon een oerdegelijk verhaal neerzet over de drieëenheid of zelfs over samenwonen. Maar wat ze ermee doen, dat is een heel andere kwestie... Het is mijn rol om zo te denken en te spreken en het is wel aardig als ik in m'n rol blijf. Alleen voelen ze zich vrij om te zeggen "ik voel dat nou eenmaal anders". Dat is lastig en je moet andere antwoorden vinden dan rationele. Een mooi voorbeeld daarvan hoorde ik op de bovengenoemde conferentie. Onze Amerikaanse inleider zei: jullie herinneren je wel, hoe we vroeger iemand wilden uitdagen om over Jezus na te denken. Dan vroegen we: wat is Jezus volgens jullie voor iemand? Was Hij gek, was Hij een leugenaar of is Hij de Heer (in het Engels: was He a lunatic, a liar or the Lord?). En dan kon je uitleggen, dat iemand die zegt dat Hij de Zoon van God is, toch echt één van die drie moet zijn. Maar stel je die vraag nu aan iemand, dan zal hij antwoorden: weet ik het, misschien wel alle drie tegelijk! Waar het me om gaat is, dat je dit niet-rationele wel kunt afkeuren, maar het is er nu eenmaal. En je zult dus op een andere manier moeten werken, wil je iemand tot Christus trekken. Daar zijn we nog niet over uitgedacht... |